Statenvertaling.nl

sample header image

Openbaring 3 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Openbaring 3

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

1 Christus beveelt dat de vijfde zendbrief geschreven wordt aan den engel der gemeente van Sardis. 2 Dien Hij vermaant tot meerdere wakkerheid en zorgvuldigheid. 3 Of anders dreigt Hij over hem te komen als een dief in den nacht. 4 Belooft dengenen die hun klederen niet bevlekt hebben, dat zij met Hem zullen wandelen, en dat Hij hun naam niet zal uitdoen uit het boek des levens. 7 Beveelt daarna den zesden zendbrief te schrijven aan den engel van Filadelfia. 8 Dien Hij prijst over zijn standvastigheid. 9 En belooft dat Joden zullen komen aanbidden voor zijn voeten, en dat Hij hem bewaren zal in de verzoeking. 12 Belooft dat Hij den overwinnaar zal maken tot een pilaar in den tempel Gods, en een inwoner des nieuwen Jeruzalems. 14 Beveelt eindelijk den zevenden zendbrief te schrijven aan den engel der gemeente van Laodicea. 15 Wiens lauwheid Hij berispt, 17 En ijdelen roem of waan van rijkdom. 18 Raadt hem goud te kopen, dat in het vuur beproefd is, en klederen, en ogenzalf. 20 Betuigt dat Hij aan de deur klopt, en belooft den overwinnaar dat Hij hem zal geven te zitten aan Zijn tafel en op Zijn troon.
 
Brief aan Sardis. Gij hebt den naam dat gij leeft, en gij zijt dood
1 EN schrijf aan 1den engel der gemeente die te 2Sardis is: Dit zegt 3Die ade zeven Geesten Gods heeft, en bde zeven sterren: Ik weet uw werken, dat gij 4den naam hebt dat gij leeft, en gij zijt dood.1 Zie Openb. 2:1. verwijsteksten
2 Dit was een zeer grote en vermaarde stad in Lydië, waar eertijds het hof en de woonplaats van den koning Croesus geweest is.
3 Alzo deze titel in de beschrijving van de verschijning van Christus, Openbaring 1, niet staat, zo menen sommigen dat die genomen is uit de voorrede van dit boek, Openb. 1:4, waar de Heilige Geest zo wordt genaamd om de redenen aldaar verklaard. Want de Heilige Geest is niet alleen de Geest des Vaders, maar ook des Zoons, Dien Hij Zijn gelovigen tot een Leidsman en Trooster geeft, Joh. 15:26. Gal. 4:6. Anderen menen dat deze zeven Geesten alhier zeven engelen zijn, waarvan meermaals in deze openbaring wordt gesproken, die in Christus’ hand als Zijn dienaars zijn, om die te gebruiken waar het Hem belieft; gelijk ook de zeven sterren de zeven engelen of opzieners der gemeente betekenen, als verklaard is Openb. 1:20. Doch overmits het woord geesten in deze openbaring nergens van de engelen wordt gebruikt, zo is de eerste verklaring de bekwaamste. verwijsteksten
a Openb. 1:4. verwijsteksten
b Openb. 1:16. verwijsteksten
4 Dat is, den schijn dat gij een naarstig en trouw opziener der gemeente zijt, en gij zijt het niet, gelijk het volgende vers verklaart.
2 5Zijt wakende, en versterk het overige, 6dat sterven zou; want Ik heb uw werken 7niet vol gevonden 8voor God.5 Of: Waak op, namelijk uit uw slapheid en geveinsdheid, gelijk Ef. 5:14. Zie ook Ez. 34:16. verwijsteksten
6 Dat is, meer en meer veronachtzaamd zou worden, en eindelijk verloren gaan, zo het met goede vermaningen en voorbeelden niet wordt opgewekt en gesterkt.
7 Gr. niet vervuld, dat is, niet oprecht, niet ernstig en ijverig genoeg. Want anders struikelen ook de allerheiligsten in vele, Jak. 3:2. verwijsteksten
8 Anderen lezen: voor Mijn God; dat is, hoewel gij de mensen met dezen schijn kunt voldoen, God is met den schijn niet tevreden, maar vereist een oprecht gemoed en een ernstige daad.
3 Gedenk dan 9hoe gij het ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het, en cbekeer u. Indien gij dan niet waakt, zo zal Ik over u komen d10als een dief, en gij zult niet weten op wat ure Ik over u komen zal.9 Dat is, wat last gij ontvangen, en wat leer gij van de apostelen gehoord hebt, als gij tot dezen dienst zijt geroepen.
c vers 19. verwijsteksten
d Matth. 24:43. 1 Thess. 5:2. 2 Petr. 3:10. Openb. 16:15. verwijsteksten
10 Dat is, haastig en onvoorziens, gelijk Matth. 24:43, hetwelk óf van een haastigen dood over hem, óf van andere straffen kan verstaan worden. verwijsteksten
4 Doch gij hebt enige weinige 11namen ook te Sardis, die 12hun klederen niet bevlekt hebben, en zij zullen 13met Mij wandelen 14in witte klederen, overmits 15zij het waardig zijn.11 Dat is, personen, gelijk Hand. 1:15. verwijsteksten
12 Dat is, die zichzelven met onzuivere leer en met een onkuis leven, als de Nikolaïeten, niet hebben ontreinigd. Zie 1 Thess. 4:4. Deze gelijkenis gebruikt ook Judas vs. 23. verwijsteksten
13 Waarvan Christus een voorbeeld of proeve gegeven heeft, Matth. 17:2. verwijsteksten
14 Namelijk als overwinnaars der zonde en der wereld. Want de witte klederen zijn eertijds tekenen geweest van triomf en heerlijkheid, gelijk blijkt uit het volgende vers. Zie ook Openb. 7:9; 19:14. verwijsteksten
15 Deze waardigheid in hen komt niet uit hun krachten noch verdiensten, maar van Christus, en omwille van Christus’ verdiensten, dewijl hun Christus door Zijn verdiensten zodanige vergelding uit genade waardig acht en waardig maakt. Zie 2 Kor. 3:4, 5. 2 Thess. 1:5, 11. Hebr. 13:21. verwijsteksten
5 Die overwint, die zal bekleed worden met witte klederen; en 16Ik zal zijn naam geenszins uitdoen euit het boek des levens, en fIk zal 17zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen.16 Dit wordt gezegd tot troost der gelovigen, die in twijfeling zouden mogen komen over hun verkiezing. Niet dat iemand die waarlijk geschreven is in het boek des levens, daaruit kan gedaan worden, want het tegendeel blijkt uit Openb. 13:8; 17:8; 20:15; 21:27, maar omdat enigen ten aanzien van de roeping en hun belijdenis daarin schijnen geschreven te zijn, die daarna metterdaad tonen dat zij daarin niet zijn geschreven, gelijk Ps. 69:29 verklaard wordt dat zij uitgedaan worden uit het boek des levens, en dat zij met de rechtvaardigen niet worden geschreven, alwaar het laatste het eerste verklaart. verwijsteksten
e Ex. 32:32. Ps. 69:29. Filipp. 4:3. Openb. 20:12; 21:27. verwijsteksten
f Matth. 10:32. Luk. 12:8. verwijsteksten
17 Namelijk als van Mijn waren dienaar en discipel, Matth. 10:32. verwijsteksten
6 Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt.
 
Brief aan Filadélfia. Een geopende deur
7 En schrijf aan den engel der gemeente die in 18Filadélfia is: Dit zegt 19de Heilige, gde Waarachtige, hDie 20den sleutel Davids heeft; Die opent en niemand sluit, en Hij sluit en niemand opent:18 Dit was een stad in Mysië, niet ver van Lydië, alzo genaamd naar enen Attalus Filadelfus, die deze stad eerst had doen bouwen; die wel niet zeer bloeide, omdat zij vele aardbevingen onderworpen was, maar evenwel een zeer schone en vrome gemeente had, gelijk uit den brief zelven blijkt.
19 Deze twee titels worden God doorgaans in het Oude Testament toegeschreven, als te zien is Jes. 6:3. Ps. 145:17, welke Christus, als de ware Zone Gods, Zichzelven hier ook geeft, alzo Hij is Degene Die niet alleen in Zichzelven heilig is, maar ook ons heilig maakt, en Die waarachtig is in al Zijn beloften en dreigementen. verwijsteksten
g vers 14. verwijsteksten
h Job 12:14. Jes. 22:22. Openb. 1:18. verwijsteksten
20 Dat is, der gemeente van Christus, waarvan David en zijn huis een voorbeeld was. Hier wordt gezien op de plaats Jes. 22:22, alwaar aan Eljakim zulke belofte wordt gedaan; daardoor wordt verstaan de opperste macht van inlaten in de gemeente, en uitsluiten uit dezelve, en dienvolgens ook in en uit den hemel, gelijk Christus Zijn gemeente ook een geestelijke macht, doch onder Hem, beloofd heeft, Matth. 16:19; 18:18. verwijsteksten
8 Ik weet uw werken; zie, Ik heb 21een geopende deur voor u gegeven, en niemand kan die sluiten; want gij hebt 22kleine kracht, en gij hebt Mijn Woord bewaard en hebt Mijn Naam niet verloochend.21 Dat is, een zekere en onverhinderde gelegenheid om het Evangelie met goeden voortgang te verbreiden, gelijk 1 Kor. 16:9. 2 Kor. 2:12. verwijsteksten
22 Namelijk van uzelven, of bij uzelven, om zo groot een werk te volbrengen. Maar (wil Hij zeggen), dewijl gij getrouw zijt in het bewaren van Mijn Woord, zo zal Ik u de deur door Mijn Geest openen, en niemand, hoezeer hij daartegen woelt, zal zulks verhinderen. Want de kracht Gods wordt in onze zwakheid volmaakt, 2 Kor. 12:9. Anderen zetten het over: gij hebt nog een weinig kracht, dat is, daar is nog door Mijn genade wat goeds bij u, namelijk dat Ik in u voorts zal zegenen. verwijsteksten
9 Zie, Ik geef u enigen iuit de synagoge des satans, dergenen die zeggen dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar liegen; zie, 23Ik zal maken dat zij zullen komen en 24aanbidden voor uw voeten, en bekennen dat Ik u liefheb.i Openb. 2:9. verwijsteksten
23 Dat is, Ik zal zelfs uit de Joden, die nu gezworen vijanden Mijner gemeente zijn, enigen tot Mij bekeren; gelijk namelijk in Paulus en andere overblijfselen der genade tevoren geschied is, en naar Christus’ belofte in deze gemeente nog meer moet geschied zijn.
24 Dat is, zichzelven u en Mijn gemeente onderwerpen, en zich van hun vorigen wederstand bekeren. Een gelijkenis genomen uit de wijze van doen onder de volken van den Oriënt, gebruikelijk bij degenen die zich bekenden overwonnen te zijn. Zie Ps. 72:9. verwijsteksten
10 Omdat gij 25het woord Mijner lijdzaamheid bewaard hebt, zo zal Ik ook u 26bewaren uit de ure 27der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken die op de aarde wonen.25 Alzo wordt het Evangelie genaamd, omdat hetzelve ons het lijden en de lijdzaamheid van Christus voor ogen stelt, en ons doorlopend tot lijden en lijdzaamheid vermaant.
26 Dat is, beletten dat de verzoeking tot u zal komen; of zo zij komt, dat zij u aan uw ziel zal schaden.
27 Dat is, der vervolging, gelijk meermaals is aangewezen. Hier schijnt Christus te spreken van de tienjarige vervolging die Trajanus de gehele wereld door, kort hierna, tegen de Christenen heeft verwekt.
11 Zie, Ik kom haastelijk; k28houdt wat gij hebt, opdat niemand 29uw kroon neme.k Openb. 2:25. verwijsteksten
28 Namelijk het geloof en een goede consciëntie, gelijk Paulus verklaart 1 Tim. 1:19. verwijsteksten
29 Sommigen verstaan dit van de kroon van het leerambt, waarin deze leraar zich tot dien tijd toe wel had gekweten; maar het kan ook verstaan worden van de kroon des eeuwigen levens, gelijk Openb. 2:10, welke hier gedreigd wordt van iemand genomen te zullen worden, wanneer hij in zorgeloosheid zijns ambts of des levens zou komen te vervallen. Zulke waarschuwingen zijn middelen die daartoe dienen, opdat de gelovigen in het goede volstandig zouden blijven. Want Christus belooft in het voorgaande vers, dat Hij hen zal bewaren uit de ure der verzoeking; en in het volgende vers, dat die een pilaar is in den tempel Gods, waaruit hij niet meer zal gaan. verwijsteksten
12 Die overwint, Ik zal hem maken l30tot een pilaar in den tempel Mijns Gods, en 31hij zal niet meer daaruit gaan; en 32Ik zal op hem schrijven m33den Naam Mijns Gods, en den naam der stad Mijns Gods, namelijk n34des nieuwen Jeruzalems, 35dat uit den hemel van Mijn God afdaalt, en 36ook Mijn nieuwen Naam.l 1 Kon. 7:21. verwijsteksten
30 Dat is, in de gemeente der uitverkorenen Mijns Gods, die hier wordt opgebouwd, en hiernamaals in den hemel zal voltooid zijn. Hier ziet de apostel op de twee kolommen die in den tempel van Salomo gesteld waren, waarvan te lezen is 1 Kon. 7:15, die een versiersel en vastigheid daarin waren, waarvan de ene van Salomo genaamd is Jachin, dat is, Hij zal bevestigen, en de andere Boaz, dat is, in Hem is sterkte. Zie ook Gal. 2:9. verwijsteksten
31 Namelijk gelijk deze pilaren, die schaduwen waren in den tempel des Ouden Testaments, van de Chaldeeën daaruit zijn weggevoerd, als te zien is Jer. 52:17. Want die een pilaar is in de gemeente der ware uitverkorenen, kan niet vervoerd worden, Matth. 24:24, en wordt nooit uitgeworpen, Joh. 6:37. verwijsteksten
32 Namelijk gelijk men op de kolommen enige eretitels placht te schrijven, en gelijk de twee kolommen in den tempel van Salomo deze twee namen ook voerden, waarvan tevoren gezegd is.
m Openb. 22:4. verwijsteksten
33 Namelijk tot een teken dat hij Gode als een eigendom toekomt, gelijk wij plegen dingen die ons eigen zijn, met onzen naam te tekenen; en gelijk ook eertijds de soldaten met den naam hunner oversten, en de dienstknechten met den naam van hun heren plachten getekend te worden. Zie Openb. 7:3. Want hoewel wij hier weten dat wij kinderen Gods zijn, zo is het nochtans in de daad niet geopenbaard wat wij worden zullen, 1 Joh. 3:2. verwijsteksten
n Openb. 21:2, 10. verwijsteksten
34 Dat is, der ware gemeente van Christus, die hier gesteld wordt tegen het uiterlijke of oude Jeruzalem, gelijk Gal. 4:26. verwijsteksten
35 Namelijk ten aanzien van de kracht waardoor zij op de aarde wordt vergaderd, en van de heerlijkheid waarmede zij ten laatsten dage zal worden aangedaan. Zie Openb. 21:2, enz. verwijsteksten
36 Namelijk tot een teken dat hij Mijn dienaar is en Mijn heerlijkheid zal deelachtig worden. Van welken nieuwen Naam, dien Christus van den Vader na Zijn verhoging heeft verworven, zie Filipp. 2:9, 10. Openb. 19:12, 16. verwijsteksten
13 Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt.
 
Brief aan Laodicéa. Noch koud noch heet
14 En schrijf aan den engel van de gemeente 37der Laodicenzen: Dit zegt o38de Amen, 39de trouwe en waarachtige Getuige, p40het Begin der schepping Gods:37 Laodicea was een rijke en vermaarde stad, gelegen in Frygië aan de rivier Lycus, niet ver van Kolosse, van welke ook gewag gemaakt wordt Kol. 2:1; 4:16. verwijsteksten
o Openb. 1:5, 6. verwijsteksten
38 Dit woord Amen wordt gesteld voor een naam of titel van Christus, gelijk Openb. 1:8: Die is, Die was, en Die komen zal, en gelijk Ex. 3:14 het woord Eheje, dat is, Ik zal zijn, wordt gesteld voor een naam of titel Gods, waardoor verstaan wordt de getrouwheid en standvastigheid van Christus in het volvoeren van alle beloften Gods, 2 Kor. 1:19, 20. verwijsteksten
39 Gelijk het woord Amen betekent de standvastigheid van Christus in het uitvoeren van Zijn beloften, alzo betekenen deze woorden Zijn getrouwheid en waarheid in het voorstellen van de leer der zaligheid, die Hij ons uit den schoot des Vaders heeft gebracht.
p Kol. 1:15. verwijsteksten
40 Dat is, een Auteur en Oorsprong der schepping van alle dingen, gelijk Joh. 1:3. Kol. 1:15. Anderen zetten het over: Prins of Overste van de schepselen Gods, gelijk Hij ook Hebr. 1:2 een Erfgenaam van alle dingen genaamd wordt. verwijsteksten
15 Ik weet uw werken, dat gij 41noch koud zijt, noch heet; och, of gij koud waart of heet!41 Dat is, noch ijverig zijt in de aangenomen waarheid, noch vreemd daarvan, als die wel de waarheid hebt aangenomen, doch zoekt in uw leven of uitwendigen godsdienst u te schikken naar de wereld, om ondank en vervolging te ontgaan, welke mensen erger zijn en zwaarder terecht te brengen dan degenen die nog vreemd zijn van de waarheid, gelijk Christus van de farizeeën spreekt, Joh. 9:41, Elia van de Israëlieten, 1 Kon. 18:21. verwijsteksten
16 Zo dan, omdat gij lauw zijt, en noch koud noch heet, Ik zal u 42uit Mijn mond spuwen.42 Niet dat zulke lauwen in den mond van Christus of in Christus zijn, maar omdat zij door hun belijdenis daarin schijnen en roemen te zijn.
17 Want 43gij zegt: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek; en gij weet niet dat gij zijt ellendig en jammerlijk en arm en 44blind en 45naakt.43 Dat is, gij roemt of meent dat gij in alle geestelijke gaven overvloeit, omdat het u welgaat naar de wereld, gelijk de farizeeër meende, Lukas 18, maar het tegendeel is waar, gelijk Christus hun van stuk tot stuk aanwijst. verwijsteksten
44 Namelijk in de kennis van uzelven en van uw ellende.
45 Namelijk van de ware gerechtigheid en heiligheid, die voor God geldt, gelijk het volgende vers uitwijst.
18 Ik raad u dat gij 46van Mij koopt goud, 47beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden; en q48witte klederen, opdat gij moogt bekleed worden en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uw ogen met 49ogenzalf, opdat gij zien moogt.46 Dat is, begeert of zoekt te verkrijgen, niet door enige verdienste uwerzijds (want Christus zegt hier dat hij naakt en arm was), maar uit genade en om niet, door het gebed, gelijk verklaard wordt Jes. 55:1. Zie ook Matth. 11:28. verwijsteksten
47 Of: dat gloeiende uit het vuur komt, dat is, dat uit het vuur getrokken nu de proeve heeft uitgestaan, waardoor het ware geloof verstaan wordt, hetwelk door het vuur der verzoekingen beproefd wordt, 1 Petr. 1:7, en dat al de rijkdommen van Christus’ lijden zich toe-eigent en tot zich overbrengt. verwijsteksten
q 2 Kor. 5:3. Openb. 7:13; 16:15; 19:8. verwijsteksten
48 Dat is, de rechtvaardigheid en heiligheid van Christus, waardoor onze geestelijke ellende en naaktheid voor God bedekt wordt, gelijk verklaard wordt Openb. 7:13, 14; 19:8. verwijsteksten
49 Of: oogwater, dat is, het rechte verstand van Zijn Woord en de kracht Zijns Geestes, waardoor wij gebracht worden tot kennis van onszelven en van de genade Gods jegens ons, Ps. 19:9; 119:105. verwijsteksten
19 r50Zo wie Ik liefheb, die 51bestraf en 52kastijd Ik; wees dan ijverig en bekeer u.r Job 5:17. Spr. 3:12. Hebr. 12:5. verwijsteksten
50 Deze verzachting doet Christus hierbij om de scherpheid van de vorige vermaning wat te matigen, dewijl die uit liefde jegens hen voortkomt.
51 Namelijk met woorden en overtuigingen, gelijk het Griekse woord medebrengt.
52 Namelijk met dadelijke bezoekingen en straffingen. Zie dergelijk Hebr. 12:5, 6. verwijsteksten
20 Zie, 53Ik sta aan de deur en Ik klop; 54indien iemand Mijn stem zal horen en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem 55avondmaal houden, en hij met Mij.53 Deze plaats schijnt genomen uit het Hooglied van Salomo, Hoogl. 5:2, waar dergelijke klopping van den Bruidegom Christus aan de deur van Zijn slaperige bruid beschreven wordt. Daardoor wordt verstaan het geestelijk aanmanen van Christus, aan de deur onzer consciëntie, door Zijn Woord en Geest, om ons uit onze zonden en slaperigheid op te wekken, en Zijn vermaning bij ons plaats te doen hebben. verwijsteksten
54 Dit wordt niet gesteld in den vrijen wil des mensen, maar deze vermaning is een middel waardoor Christus de deur van onze harten opent, dewijl Hij hier spreekt tot leden van Zijn gemeente, waarvan velen alrede den Geest van Christus deelachtig waren, welke gave door zulke vermaningen meer en meer verwekt wordt, gelijk Paulus tot Timotheüs spreekt, 2 Tim. 1:6, 7; want niemand komt tot Christus dan die het van den Vader gehoord en geleerd heeft, dien de Vader trekt en dien het van den Vader gegeven is, Joh. 6:44, 45, 65. Zodat niemand voor Christus’ vermaningen zijn hart opendoet, dan dien God Zelf het hart eerst opent om op Zijn Woord acht te nemen, gelijk David bidt, Ps. 119:18, en van Lydia betuigd wordt, Hand. 16:14, en van alle gelovigen, Filipp. 2:13. verwijsteksten
55 Dat is, Mij met hem door Mijn Geest meer en meer verenigen, en Mijn genade en gunst tot zijn troost en versterking hem meer en meer doen gevoelen, Joh. 14:21, 23, en hiernamaals hem de eeuwige vreugde doen genieten, die ook bij het aanzitten aan een rijke tafel wordt vergeleken, Matth. 8:11. Luk. 14:15. verwijsteksten
21 Die overwint, Ik szal hem geven met Mij te zitten 56in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon.s Matth. 19:28. 1 Kor. 6:2. verwijsteksten
56 Dat is, Ik zal hem hiernamaals Mijn heerlijkheid en macht in het oordelen deelachtig maken, gelijk Christus verklaart Matth. 19:28. Joh. 17:5, enz., en Paulus Rom. 8:17. 1 Kor. 6:2, 3. verwijsteksten
22 Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt.

Einde Openbaring 3