Statenvertaling.nl

sample header image

Openbaring 20 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Openbaring 20

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

1 Een Engel komt af van den hemel, hebbende den sleutel des afgronds, en bindt den satan aldaar duizend jaren. 4 De heilige martelaren, en die het beest niet hebben aangebeden, zitten op tronen, en regeren met Christus duizend jaren. 5 Doch de anderen blijven in den dood. 6 Zij worden allen zalig gesproken, die deel hebben aan de eerste opstanding. 7 Na het einde van duizend jaren wordt de satan ontbonden. 8 En verleidt de volken wederom, en verwekt Gog en Magog tot den krijg. 9 Welke de geliefde stad omringen, maar worden van het vuur verslonden. 10 En de duivel wordt in den poel des vuurs geworpen. 11 Een witte troon wordt gezien, met Een daarop zittende, voor Wien hemel en aarde vliedt. 12 De doden, klein en groot, verschijnen voor God, en de boeken worden geopend, en een ieder wordt geoordeeld naar zijn werken. 14 De dood en de hel worden in den poel des vuurs geworpen, met allen die niet zijn geschreven in het boek des levens.
 
De satan voor duizend jaar gebonden
1 EN1 ik zag 2een Engel afkomen uit den hemel, ahebbende 3den sleutel des afgronds en 4een grote keten in Zijn hand.
1 Dit hoofdstuk is wat zwaar om te verstaan, en wordt van de uitleggers verschillend verklaard. Enigen menen dat hetgeen hier verhaald wordt, nog alles moet geschieden, en dat na den ondergang van den antichrist, waarvan in de twee voorgaande hoofdstukken is gesproken; en dat alsdan de satan eerst zal gebonden worden, de Joden tot Christus bekeerd, en de rechte kerk van Christus in groot aanzien, goeden vrede, en welstand, over alle volken der wereld zal heersen, en dat duizend jaren lang; in het begin van welke duizend jaren al de martelaren zouden opstaan uit de doden, en zich bij deze kerk vervoegen, of in den hemel tot Christus opgenomen worden, totdat na de duizend jaren de satan weder ontbonden zijnde, de overige ongelovige volken, die door Gog en Magog verstaan worden, haar nieuwen krijg zullen aandoen. Maar dat Christus alsdan komende ten oordeel, Zijn kerk ten volle zal verlossen, en den satan met al zijn dienaars in den poel des vuurs in eeuwigheid verwerpen. Dit gevoelen is zeer oud, ook onder vele kerkvaders geweest, en wordt van enige leraars ook heden ten dage wederom vernieuwd, omdat het schijnt dat de letter van den tekst van dit hoofdstuk hetzelve medebrengt. Doch wanneer alles wel overwogen wordt, zo kan hetzelve met den gedurigen zin van Gods Woord niet bestaan, om deze redenen: I. Omdat in het voorgaande hoofdstuk vss. 19, 20 is aangewezen, en uit 2 Thess. 2:8 ook bewezen, dat de antichrist en zijn rijk niet geheel zal tenietgedaan worden, dan in de laatste komst van Christus ten oordeel. II. Omdat de bekering der Joden geschied zijnde, volgens de voorzegging van Paulus, Romeinen 11. 2 Kor. 3:16, nochtans nergens zulk een stand der kerk wordt beloofd, die zonder kruis, strijd en vervolging door de gehele wereld zou zijn, gelijk Openb. 19:11 bewezen is. Want het blijft altijd waar hetgeen Paulus zegt, 2 Tim. 3:12: Allen die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, zullen vervolgd worden, en inzonderheid omtrent het einde van de wereld, van hetwelk Christus zegt, Luk. 18:8: Doch de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde? en hetgeen Paulus zegt, 2 Tim. 3:1: In de laatste dagen zullen zware tijden ontstaan. III. Omdat het strijdt tegen het artikel van de opstanding uit de doden, dat zovele miljoenen van martelaren, als er in de wereld zijn geweest, in het begin van deze duizend jaren alleen zouden opstaan, en in deze wereld zouden blijven leven, gelijk sommigen menen, of tot Christus in den hemel met hun lichamen zouden alleen opgenomen worden, gelijk anderen van hen gevoelen; alzo de Schrift alom getuigt dat al de doden tegelijk, en eerst ten laatsten dage, zullen opstaan. Zie hiervan Joh. 5:28; 6:44; 11:24. Zie ook 1 Kor. 15:52. 1 Thess. 4:16, en hierna in dit hoofdstuk vss. 12, 13. Om deze en dergelijke redenen zo moet dit hoofdstuk op een andere wijze verstaan zijn, gelijk in de verklaring zal aangewezen worden. verwijsteksten
2 Hierdoor wordt de Engel Michaël, dat is, Christus Zelf verstaan, gelijk in het begin van dezen strijd tegen den draak (die aldaar wordt op de aarde geworpen, en hier nu in den afgrond wordt gebonden) op Openb. 12:7 ook is aangetekend. Waarvan zie aldaar de nadere verklaring. verwijsteksten
a Openb. 1:18. verwijsteksten
3 Dat is, de macht om den afgrond te openen en te sluiten, die Christus ook bijzonderlijk wordt toegeschreven, Openb. 1:18, als een opperste Heere van dezen sleutel; welken Openb. 9:1 de antichrist ook wel usurpeert, maar door Gods rechtvaardig oordeel, Die een kracht der dwaling heeft gezonden over de ongehoorzame mensen, 2 Thess. 2:10, 11. verwijsteksten
4 Hierdoor wordt de kracht van den dood van Christus verstaan, waardoor de satan al zijn macht is benomen, Kol. 2:15. Hebr. 2:14, mitsgaders de kracht van Christus’ Geest en Woord, waardoor den satan als handen en voeten worden gebonden, dat hij de uitverkorenen niet kan beschadigen, zie Luk. 11:22. Ef. 1:21, 22, en ook zelfs niet de andere mensen, verder dan hem de keten van Gods voorzienigheid en oordelen over de mensen toelaat, gelijk het voorbeeld van Achab, 1 Koningen 22, en andere plaatsen getuigen. verwijsteksten
 
2 bEn Hij greep 5den draak, de oude slang, welke is de duivel en satanas, en bond hem duizend jaren;
b 2 Petr. 2:4. Openb. 12:9. verwijsteksten
5 Van dezen naam en andere volgende titels des satans, zie Openb. 12:3, 9. Van enigen wordt dit hoofdstuk met hetzelve twaalfde hoofdstuk niet onbekwamelijk gevoegd en vergeleken. Want alzo aldaar de strijd van dezen draak tegen Christus en Zijn kerk is beschreven, en tussenbeide, in enige hoofdstukken, de gehele historie van den antichrist en zijn ondergang is verhaald, zo komt de Heilige Geest nu wederom in dit twintigste hoofdstuk, en verhaalt in het kort de gehele uitkomst van den strijd van den draak zelven tegen Christus en Zijn kerk, ook gedurende den tijd van den antichrist, totdat hij in denzelven poel des vuurs voor altijd met den antichrist is geworpen. verwijsteksten
 
3 En wierp hem in den afgrond, en sloot hem daarin, en 6verzegelde dien boven hem, copdat hij 7de volken niet meer verleiden zou, 8totdat de duizend jaren zouden geëindigd zijn. En 9daarna moet hij 10een kleinen tijd ontbonden worden.
6 Namelijk de deur des afgronds, tot verzekering dat hij al dien tijd daar zou moeten blijven. Zie dergelijke wijze van doen Dan. 6:18. Matth. 27:66 in het voorbeeld van den kuil van Daniël en Christus’ graf. verwijsteksten
c vers 8. Openb. 16:14, 16. verwijsteksten
7 Namelijk gelijk hij tevoren meest door de gehele wereld had gedaan, wanneer hij de heidenen tot zijn dienst had verleid, 1 Kor. 10:20. Anderszins duurt de macht des satans altijd over de kinderen der ongehoorzaamheid, 2 Kor. 4:4. verwijsteksten
8 Enigen nemen deze duizend jaren voor den gehelen tijd van de eerste komst van Christus tot Zijn tweede, gelijk dit woordje duizend een zeker getal voor een onzeker somwijlen betekent in de Schrift. Zie Ps. 91:7; 105:8. Dan. 7:10. Doch alzo vss. 7 en 8 de satan nog na dezelve duizend jaren wordt losgelaten, zo kan hetzelve niet wel bestaan; gelijk ook niet het gevoelen van enige anderen, die deze duizend jaren willen eindigen voor de komst van den antichrist; aangezien in het vierde vers ook binnen deze duizend jaren melding wordt gemaakt van enigen die het beest en zijn beeld niet hebben aangebeden, zo moet dan voor het einde van de duizend jaren ook de antichrist geweest zijn. Hierom beginnen anderen de binding des satans dat hij de volken niet meer verleidt, van den tijd dat Christus, door de predicatie des Heiligen Evangelies en kracht Zijns Geestes, door Zijn apostelen, de heidense volken in de wereld alom tot bekering heeft gebracht; hetwelk omtrent den tijd van de verwoesting van Jeruzalem en uitroeiing der Joden, dat is, omtrent het jaar 70 meest is volbracht; en eindigen die met den tijd van den paus Gregorius VII, die een sterk instrument des duivels is geweest, om het antichristendom op het hoogste te brengen, en alle volken hem te doen aanbidden, welke omtrent het jaar 1070 heeft gezeten. Hoewel enigen om de vervolgingen, die de satan nog meer dan tweehonderd en vijftig jaren na de verwoesting van Jeruzalem tegen de Christenen heeft verwekt, deze duizend jaren wat later beginnen, namelijk van de tijden van Constantijn, en continueren die tot omtrent het jaar 1300, als wanneer niet alleen de antichrist den staat der Christenen meer en meer heeft doen vervallen, wanneer Bonifatius VIII over dit rijk heeft geregeerd, maar ook de Turken en Tartaren van den satan meest zijn gaande gemaakt, om de christenvolken in het oosten en westen ten onder te brengen, en vele koninkrijken en christenkerken hebben uitgeroeid, niet alleen in Azië, maar ook in Afrika en Europa, gelijk de tegenwoordige gestalte derzelve uitwijst. verwijsteksten
9 Namelijk niet ten aanzien van Christus’ macht, alsof die hem niet altijd kon gebonden houden, maar ten aanzien van Gods voorzienigheid, die hem tot straf van de ondankbare wereld daarna wederom zou loslaten en meerdere vrijheid geven.
10 Dit kan verstaan worden, óf ten aanzien van de voorgaande duizend jaren en tijden der wereld, óf ten aanzien van den toekomenden staat der kerk van Christus in den hemel; waarvan in het volgende hoofdstuk zal geprofeteerd worden, dewijl ook zelfs de gehele tijd van Christus’ eerste komst tot Zijn laatste, de laatste dag en laatste ure in de Schrift wordt genaamd.
 
4 11En ik zag tronen, en zij zaten op dezelve; den het oordeel werd hun gegeven; en ik zag ede zielen dergenen die 12onthoofd waren om de getuigenis van Jezus, en om het Woord Gods, en die fhet beest en gdeszelfs beeld niet aangebeden hadden, en die hhet merkteken niet ontvangen hadden aan hun voorhoofd en aan hun hand; ien zij leefden en heersten als koningen met Christus, 13de duizend jaren.
11 Sommigen nemen dit zitten op tronen, en geven van oordeel, voor de wederoprichting van Christus’ Rijk, zelfs ten tijde van den antichrist, waarvan terstond wordt gesproken, in welken tijd ook enige treffelijke mannen zijn opgestaan die de leer van den antichrist hebben veroordeeld, en zich tegen zijn rijk en leer hebben gesteld. Waarvan Openbaring 11 en 14 ook is geprofeteerd. Doch anderen nemen dit hier wel zo bekwamelijk van dezelfde personen waarvan hier terstond wordt gesproken; namelijk die onthoofd zijn om de getuigenis van Christus, en die het beest niet hebben aangebeden; die na hun dood hier in tronen worden gezet en oordeel ontvangen, omdat zij met Christus in den hemel, naar hun zielen, hebben getriomfeerd; niettegenstaande de aardse mensen en aanbidders van het beest hen voor ketters en verdoemde mensen hadden veroordeeld. Zie dergelijke belofte Openb. 3:21. Matth. 19:28. verwijsteksten
d Openb. 6:10. verwijsteksten
e Openb. 6:9. verwijsteksten
12 Gr. met de bijl gedood.
f Openb. 13:12. verwijsteksten
g Openb. 13:15. verwijsteksten
h Openb. 13:16. verwijsteksten
i Openb. 6:11. verwijsteksten
13 Namelijk en altijd daarna. Want die in den hemel met Christus regeert, wordt nimmermeer uitgeworpen. Zie Openb. 3:12. verwijsteksten
 
5 Maar de 14overigen der doden 15werden niet weder levend, 16totdat de duizend jaren geëindigd waren. 17Deze is de eerste opstanding.
14 Dat is, die in hun zonden en bijgelovigheden dood waren; gelijk dit woord doden ook genomen wordt Matth. 8:22. Joh. 5:25. 1 Tim. 5:6. verwijsteksten
15 Dat is, stonden uit hun zonden niet op, of bekeerden zich niet; gelijk in dergelijke zaak gesproken wordt Openb. 9:20. verwijsteksten
16 Dat is, zelfs niet al den tijd dat de satan gebonden is geweest; veel minder daarna als de satan weder was losgelaten. Zie dergelijke wijze van spreken 2 Sam. 6:23. Matth. 1:25. verwijsteksten
17 Namelijk uit den dood der zonde; gelijk de val in de zonde de eerste dood is, en het eerste sterven des mensen naar den geest. Zie dergelijke wijze van spreken Joh. 5:25. Ef. 2:5; 5:14. Kol. 3:1. verwijsteksten
 
6 Zalig en heilig is hij 18die deel heeft in de eerste opstanding; over dezen heeft 19de tweede dood geen macht, maar zij zullen k20priesters van God en Christus zijn, en zij zullen met Hem als koningen heersen duizend jaren.
18 Dat is, die de eerste opstanding deelachtig is; gelijk deze wijze van spreken ook genomen wordt Joh. 13:8. Hand. 8:21. verwijsteksten
19 Deze tweede dood is de eeuwige dood, gelijk hierna vers 14 uitdrukkelijk wordt verklaard. Hier blijkt ook uit, dat deze opstanding geen lichamelijke opstanding is, maar een geestelijke; aangezien velen naar het lichaam ook zullen opstaan ten verderve. Zie Dan. 12:2. Joh. 5:29. verwijsteksten
k Jes. 61:6. 1 Petr. 2:9. Openb. 1:6; 5:10. verwijsteksten
20 Zie hiervan, gelijk ook het volgende woord koningen, de verklaring op Openb. 1:6; 5:10. verwijsteksten
 
De satan geheel overwonnen
7 En wanneer de duizend jaren zullen 21geëindigd zijn, zal de satan uit zijn 22gevangenis ontbonden worden;
21 Zie de aant. hiervoor op vers 3. verwijsteksten
22 Gr. bewaring.
 
8 En hij zal 23uitgaan 24om de volken te verleiden, 25die in de vier hoeken der aarde zijn, lden 26Gog en den Magog, om hen mte vergaderen tot den krijg; 27welker getal is als het zand aan de zee.
23 Namelijk uit den afgrond, waarin hij tevoren gebonden was, om zich te voegen bij den antichrist, dien hij tevoren zijn macht had overgegeven, en die een tijdlang de gemeente van Christus alleen had verdrukt.
24 Dit verstaan velen van de geestelijke verleiding, waardoor gehele volken meer en meer tot nieuwe afgoderij en heidense bijgelovigheden, hoewel onder een anderen titel, zijn gebracht. Zie ook Openb. 9:20, enz. verwijsteksten
25 Dat is, in de gehele wereld, of in alle landen der wereld. Want van deze verleiding zijn weinig of geen gehele volken in het oosten of westen, ten tijde van de wederloslating des satans, en enigen tijd daarna, geheel vrij geweest.
l Ez. 38:2; 39:1. verwijsteksten
26 Sommigen verstaan bij deze twee volken dezelfde volken die in het voorgaande lid zijn genoemd. Doch het schijnt niet dat al de volken op de vier hoeken der aarde hier Gog en Magog genoemd kunnen worden, maar dat het alleen een deel van die volken der aarde zijn, die behalve dat zij van den draak in zaken van den godsdienst zijn verleid tot hun verderf, ook van hem verleid en opgestookt zijn tot een krijg, die in den tekst wordt verhaald. Welke nu deze Gog en Magog zij, is verscheiden gevoelen. Doch met de zaak zelve en met de plaats Ezechiël 38 en 39, waarop deze profetie ziet, komt het best overeen het gevoelen dergenen die zeggen, dat gelijk God bij Ezechiël het volk van Israël, dat Hij beloofd had uit Babylonië te verlossen, voorzegt wat zwarigheden hun daarna in het heilige land, door de omliggende heidenen van Azië, Syrië en Egypte, die bij Ezechiël Gog en Magog worden genoemd, zouden overkomen, eer Christus in het vlees zou geopenbaard worden, waaruit hen God wonderbaarlijk zou verlossen, gelijk in het eerste en tweede boek der Makkabeeën is te lezen; dat alzo ook na de beëindiging van de duizend jaren, en loslating des satans, voor de tweede komst van Christus, de Turken, Tartaren en Saracenen, die in de gewesten van Gog en Magog meest hun woonplaatsen hebben, met het overblijfsel van het antichristelijke rijk, het christendom zouden bestrijden, en met zware oorlogen drukken, waaruit God hen wonderbaarlijk zou verlossen, en die eindelijk ook door Christus’ tweede komst zouden gedempt en nedergeslagen worden. verwijsteksten
m Openb. 16:14. verwijsteksten
27 Zie hiervan breder Openb. 9:16 en vervolgens. verwijsteksten
 
9 En zij zijn opgekomen op de breedte der aarde, en omringden 28de legerplaats der heiligen en de geliefde stad; 29en er kwam vuur neder van God uit den hemel, en heeft hen verslonden.
28 Alzo wordt het christendom genoemd, omdat God Zijn heiligen en getekenden daarin altijd heeft gehad, en tot het einde der wereld zal hebben, al is er grote verdorvenheid in den godsdienst en zeden van velen geweest, gelijk het volk van Israël Gods volk doorgaans wordt genaamd, en de stad Jeruzalem de heilige stad; ook als zij in dezen zeer waren verdorven. Zie Jes. 1:3, 21. Matth. 4:5. Luk. 19:46. verwijsteksten
29 Dit kan enigszins verstaan worden van vele buitengewone hulpbewijzen, die God den Christenen tegen de Turken en Tartaren heeft verleend, en als te hopen is, nog verlenen zal, gelijk dergelijke wijze van spreken van Gog en Magog gebruikt wordt, Ez. 38:22. Doch kan ook verstaan worden van het laatste geweld van deze en dergelijke natiën, dat zij nevens den antichrist nog doen zullen, om de christenheid geheel uit te roeien, voor den laatsten dag, als wanneer Christus in Zijn laatste komst hen onverwacht zal overvallen, gelijk van het antichristelijke heirleger hiervoor Openb. 19:20 geprofeteerd is. Dit wordt ook uit de volgende verzen bevestigd. verwijsteksten
 
10 En de duivel, die hen verleidde, nwerd geworpen 30in den poel des vuurs en sulfers, alwaar ohet beest en de valse profeet zijn; en zij zullen pgepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid.
n Dan. 7:11. Openb. 19:20. verwijsteksten
30 Dat is, in de hel, om daar eeuwiglijk te blijven. Zie ook Openb. 19:20. Matth. 25:41. 1 Kor. 15:24. verwijsteksten
o Openb. 19:20. verwijsteksten
p Openb. 14:10. verwijsteksten
 
Het laatste oordeel
11 31En ik zag een groten witten troon, en Dengene Die daarop zat, van Wiens 32aangezicht de aarde en de hemel 33wegvlood, en geen plaats is voor die gevonden.
31 Gelijk de vorige gezichten met den uitersten dag zijn geëindigd, alzo eindigt ook dit gezicht in denzelven. Die hier gezien wordt, is Christus, een Rechter der levenden en der doden, Die in de wolken Zijn rechterstoel zal oprichten, gelijk Hij Zelf betuigt Matth. 25:31. Zie ook Hand. 17:31. verwijsteksten
32 Dat is, majesteit en heerlijkheid.
33 Zie dergelijke wijze van spreken Openb. 6:14; 16:20, waardoor de ondergang en verandering van hemel en aarde die nu zijn, te kennen wordt gegeven; waarvan zie nadere en verscheidene verklaringen in de aantt. op 2 Petr. 3:10. verwijsteksten
 
12 En ik zag de doden, 34klein en groot, 35staande voor God; en 36de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, qdat 37des levens is; en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, r38naar hun werken.
34 Dat is, van alle conditiën en staten; hoewel sommigen dit ook van den ouderdom en statuur verstaan. Doch hetgeen hier onvolmaakt is, zal alsdan volmaakt worden, 1 Kor. 13:10. verwijsteksten
35 Dat is, staande voor den troon of rechterstoel van Christus, 2 Kor. 5:10, waaruit blijkt dat Christus ook de waarachtige God is. verwijsteksten
36 Namelijk der alwetendheid en voorzienigheid Gods, waarin opgetekend staat al het doen en laten der mensen. Zie dergelijk Dan. 7:10. Mal. 3:16. En is een gelijkenis, genomen van het gericht der mensen, en wijze van doen onder grote prinsen, waar notitie of kennis wordt gehouden van alles. Zie Esth. 6:1. Anderen verstaan het van de boeken der consciëntie van een ieder; hetwelk ook waar is, alzo die henzelven ook zal beschuldigen of ontschuldigen in dien dag. Zie Rom. 2:15, 16. verwijsteksten
q Ex. 32:32. Ps. 69:29. Filipp. 4:3. Openb. 3:5; 21:27. verwijsteksten
37 Dat is, der genadige verkiezing Gods tot het eeuwige leven. Zie van hetzelve ook Openb. 3:5; 13:8; 17:8. verwijsteksten
r Ps. 62:13. Jer. 17:10; 32:19. Matth. 16:27. Rom. 2:6; 14:12. 2 Kor. 5:10. Gal. 6:5. Openb. 2:23. verwijsteksten
38 Namelijk die zij in dit leven zullen gedaan hebben, hetzij goed of kwaad; gelijk Paulus daarbij voegt 2 Kor. 5:10, waarvan zie aldaar de verklaring. verwijsteksten
 
13 En de zee gaf de doden die in haar waren; en 39de dood en 40de hel gaven de doden die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een iegelijk naar hun werken.
39 Door het woord hel wordt van velen verstaan het graf, en door het woord dood alle andere plaatsen waar de dode lichamen verstrooid zouden mogen zijn; gelijk het vuur, de lucht, de vogelen en wrede gedierten vele lichamen hebben verslonden, die alle door Gods macht tevoorschijn gebracht zullen worden, waar zij ook zouden mogen zijn. Want Die alles uit niet heeft geschapen, zal ook lichtelijk uit al de elementen der wereld de lichamen bijeen kunnen vergaderen, die ooit in de wereld zijn geweest.
40 Of: het graf.
 
14 En 41de dood en de hel werden geworpen in den poel des vuurs; dit is 42de tweede dood.
41 Dit wordt óf van den duivel verstaan, die de macht des doods had, Hebr. 2:14, óf, onder een oneigenlijke wijze van spreken, voor al hetgeen dat enigszins bedroeft of pijnlijk is; hetwelk uit de gehele wereld zal geweerd, en na dien tijd nergens dan in den eeuwigen poel des vuurs zal worden gevonden. verwijsteksten
42 Dat is, de eeuwige dood, alzo genaamd omdat zij op den dood der zonde, wanneer de mensen zich daarvan niet bekeren, noodwendiglijk volgt.
 
15 En zo iemand 43niet gevonden werd geschreven in het boek des levens, die werd geworpen in den poel des vuurs.
43 Zie vers 12. verwijsteksten

Einde Openbaring 20