Statenvertaling.nl

sample header image

Openbaring 2 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Openbaring 2

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

1 Christus beveelt Johannes te schrijven, en eerstelijk aan den engel der gemeente van Efeze; 2 Dien Hij prijst over zijn zorgvuldigheid in het weren der kwaden, en over verscheidene andere deugden. 4 Maar bestraft hem dat hij zijn eersten ijver en liefde had verlaten. 7 Doch belooft dat Hij den overwinnaars zal geven van den Boom des levens. 8 Ten tweede, aan dien van Smyrna, welken Hij ook prijst over vele deugden. 10 Doch waarschuwt hem voor de verdrukking die over hen zal komen, met belofte van de kroon des levens aan de overwinnaars. 12 Ten derde, aan dien van Pergamum, welken Hij prijst vanwege zijn standvastigheid in de verdrukkingen, maar berispt hem over zijn slapheid tegen degenen die de leer van Bileam en der Nikolaïeten volgden. 17 Doch belooft den overwinnaars het verborgen Manna, met een witten keursteen. 18 Ten vierde, aan dien van Thyatira, dien Hij prijst over zijn toenemen in het goede. 20 Maar bestraft dat hij de vrouw Izebel liet profeteren. 22 Welke Hij dreigt met haar aanhangers en kinderen te straffen. 24 Waarschuwt daarna degenen die deze diepten des satans niet aanhingen, dat zij vasthouden aan hetgeen zij hebben. 26 En belooft dengene die overwint, dat Hij hem zal macht geven over de heidenen, en dat Hij hem de morgenster zal geven.
 
Brief aan Éfeze. Gedenk uw eerste liefde
1 SCHRIJF aan 1den engel der gemeente van 2Éfeze: Dit zegt 3Hij Die de zeven sterren in Zijn rechterhand houdt, Die in het midden der zeven gouden kandelaren 4wandelt:
1 Dat is, opziener of herder der gemeente; gelijk Openb. 1:20 is verklaard. Dit wordt hier in het enkelvoud gesteld, óf om het gehele college der opzieners daardoor te verstaan, gelijk Mal. 2:7 onder den naam van engel in het enkelvoud het gehele college der priesters wordt verstaan; óf omdat een onder hen in orde den voorrang had, van welken het den anderen werd aangediend, gelijk het openbaar is uit Hand. 20:17, 28 dat er meer ouderlingen of opzieners in deze gemeente van Efeze waren, aan welke gezamenlijk Paulus in zijn laatste afscheid gebiedt, dat zij zouden acht nemen op zichzelven en op de gehele kudde, waarover de Heilige Geest hen tot episcopous, dat is, opzieners, gesteld had, om de gemeente te hoeden. Zo is het dan ongefundeerd dat van enigen hieruit enige bisschoppelijke macht van een boven de anderen besloten wordt. Want ook zelfs hetgeen aan den engel der gemeente hier wordt geschreven, wordt tot waarschuwing der gehele gemeente geschreven, als blijkt uit het zevende vers hierna, en hiervoor Openb. 1:11. verwijsteksten
2 Van de ligging dezer stad zie Openb. 1:11. verwijsteksten
3 Namelijk Christus, Wien deze eigenschappen toegeschreven zijn geweest, Openb. 1:13, 16, alwaar dezelve ook zijn verklaard. verwijsteksten
4 Namelijk om die te voorzien van hun geestelijk licht en versiering (gelijk de priesters in den tempel het uiterlijk gewend waren te doen), en om acht te nemen op hun goede orde en regering. Niet dat Hij met Zijn lichaam alomtegenwoordig is, maar omdat Hij Zijn gemeenten door Zijn Geest en Woord altijd bij is, verlicht en regeert, gelijk Hij Matth. 18:20; 28:20 belooft. Zie dergelijk Lev. 26:12. verwijsteksten
 
2 5Ik weet uw werken, en 6uw arbeid, en 7uw lijdzaamheid, en dat gij 8de kwaden niet kunt dragen; en dat gij 9beproefd hebt degenen die uitgeven 10dat zij apostelen zijn, en zij zijn het niet, en hebt hen leugenaars bevonden;
5 Dat is, al uw doen, goed en kwaad, gelijk in het volgende verklaard wordt. Hier spreekt Christus niet van een enkele wetenschap alleen, maar van een wetenschap die met een werkende zorg, en voornemen om dat te belonen of te bestraffen, is gevoegd, gelijk in al de brieven zal verklaard worden.
6 Namelijk in het gestadig leren en vermanen. Zie 1 Thess. 5:12. 1 Tim. 5:17. verwijsteksten
7 Namelijk in het verdragen van vervolgingen, gelijk vers 3 breder verhaald wordt. verwijsteksten
8 Dat is, die ergernissen aanrichten in leer of leven. Zo wordt hier dan zijn ijver geprezen in het oefenen van de kerkelijke discipline.
9 Gr. verzocht, of: alzo beproefd en onderzocht dat gij hun valsheid hebt aan den dag gebracht.
10 Dat is, die voorgaven dat zij van Christus waren gezonden, gelijk vele valse leraren en valse apostelen in dien tijd alrede in de gemeenten opstonden, Hand. 20:29, enz. 2 Kor. 11:13, enz. verwijsteksten
 
3 En gij hebt verdragen en hebt geduld, en gij hebt om Mijns Naams wil gearbeid, en zijt niet moede geworden.
4 Maar Ik heb tegen u, dat gij 11uw eerste liefde hebt verlaten.
11 Dat is, uw eersten ijver in het oefenen van uw ambt en van de werken der liefde, gelijk vers 5 verklaard wordt. verwijsteksten
 
5 Gedenk dan 12waarvan gij uitgevallen zijt, en 13bekeer u, en doe de eerste werken; en zo niet, Ik zal u 14haastelijk bijkomen, en zal 15uw kandelaar van zijn plaats weren, indien gij u niet bekeert.
12 Dat is, van hoe groten ijver tot hoe grote slapheid.
13 Namelijk tot uw vorigen ijver. Want dat hij niet geheel van de liefde en van het geloof was vervallen, blijkt uit den lof die in het tweede en derde vers hiervoor, en in het zesde hierna, hem van Christus nog wordt gegeven.
14 Namelijk met Mijn straffingen en kastijdingen.
15 Dat is, uw gemeente, gelijk hiervoor Openb. 1:20 is verklaard. Waaruit blijkt dat ook de gemeente in dezelve verslapping was vervallen, die Christus door dit dreigement tot haar eersten ijver wil verwekken. Want hoewel Christus’ gemeente nimmermeer vergaat, Matth. 16:18, zo wordt zij nochtans wel van de ene plaats genomen en op een andere geplant, gelijk Christus den Joden dreigt, Matth. 21:43. verwijsteksten
 
6 Maar dit hebt gij, dat gij de werken 16ader Nikolaïeten haat, welke Ik ook haat.
16 Deze sekte der Nikolaïeten, gelijk enige oude schrijvers getuigen, leerde dat hoererij geen zonde was, en dat afgodenoffer te eten geoorloofd was, waartegen het besluit der apostelen Hand. 15:29 is gesteld. Sommigen menen dat Nikolaüs, een van de eerste diakenen, Hand. 6:5, daarvan de auteur zou zijn geweest, die als een andere Judas van de zuiverheid der leer van Christus zou zijn vervallen, hoewel anderen hem daarover ontschuldigen, en houden dat een andere Nikolaüs daarvan de invoerder geweest is, die den naam van dezen eersten Nikolaüs daartoe heeft misbruikt. Zie Eusebius, Kerkelijke Historiën, boek 3, hfdst. 26, en Irenaeus, boek 1, hfdst. 7. verwijsteksten
a vers 15. verwijsteksten
 
7 Die 17oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt. Die overwint, Ik zal hem geven te eten van b18den Boom des levens, Die in het midden van het paradijs Gods is.
17 Gr. oor. Zie Matth. 13:43. Mark. 4:9. verwijsteksten
b Gen. 2:9. Openb. 22:2. verwijsteksten
18 Gr. het Hout des levens. Dit ziet op den boom des levens, die in het midden van het aardse paradijs stond, Gen. 2:9; welk paradijs genomen wordt als een voorbeeld en schaduw van den hemel, of de woonstede der uitverkorenen in den hemel, gelijk ook Luk. 23:43. 2 Kor. 12:2, 4. De boom des levens is een schaduw van Christus, den Auteur des levens, aan hetwelk eeuwige gemeenschap zullen hebben die in het geloof volstandig blijven, gelijk ook hierna in het hemelse Jeruzalem dezelve Boom des levens geplant staat, Openb. 22:2, Wiens bladeren dienen tot gezondmaking der heidenen, welke gezondmaking van Christus alleen voortkomt, Joh. 11:25. Hand. 4:12. verwijsteksten
 
Brief aan Smyrna. Zijt getrouw tot den dood
8 En schrijf aan 19den engel der gemeente van die van 20Smyrna: Dit zegt c21de Eerste en de Laatste, 22Die dood geweest is en 23weder levend is geworden:
19 Zie de aant. op vers 1. verwijsteksten
20 Dit was ook een voorname stad in Jonië, aan de zee gelegen, wat noordelijker dan Efeze, waaruit zij als een kolonie was gesproten.
c Jes. 41:4; 44:6. Openb. 1:17. verwijsteksten
21 Zie de aant. op Openb. 1:8. verwijsteksten
22 Namelijk naar Zijn menselijke natuur, 1 Petr. 3:18. verwijsteksten
23 Namelijk door Zijn opstanding uit de doden. Of: was levend, namelijk naar Zijn Goddelijke natuur, toen Hij dood was naar Zijn menselijke.
 
9 Ik weet uw werken, en verdrukking, en 24armoede (doch gij zijt 25rijk), en 26de lastering dergenen die 27zeggen dat zij Joden zijn, en 28zijn het niet, maar zijn 29een synagoge des satans.
24 Namelijk door de beroving van uw goederen in de verdrukking.
25 Namelijk naar den geest, of naar de geestelijke en hemelse goederen, die geen vervolgers kunnen ontnemen, Matth. 6:19. verwijsteksten
26 Namelijk waarmede zij Christus als een verleider, en Zijn gemeente als vijanden der wet, afvalligen van Mozes en als oproermakers lasteren; gelijk doorgaans in het Evangelie en in de Handelingen der Apostelen voorkomt, en zij onder dezen dekmantel de Christenen vervolgden. Zie Hand. 13:50; 14:2, en elders meer. verwijsteksten
27 Dat is, roemen dat zij Joden zijn, en dienvolgens Gods volk en ijveraars voor de wet, Rom. 2:17, enz. verwijsteksten
28 Dat is, zijn geen rechte Joden, noch Abrahams kinderen, gelijk zij roemen, maar zijn kinderen des duivels, wiens werken zij navolgen, Joh. 8:39, enz. verwijsteksten
29 Dat is, vergadering. Alzo de Joden hun vergaderingen of gemeenten synagogen noemden, zo gebruikt daarom de evangelist dit woord.
 
10 30Vrees geen der dingen die gij lijden zult. Zie, 31de duivel zal enigen van ulieden 32in de gevangenis werpen, opdat gij 33verzocht wordt; en gij zult een verdrukking hebben 34van tien dagen. Zijt getrouw 35tot den dood, en Ik zal u geven 36de kroon des levens.
30 Namelijk alzo dat gij daarom zoudt afwijken of kleinmoedig worden.
31 Namelijk door zijn instrumenten, de tirannen die hij daartoe zal verwekken.
32 Namelijk om hun allerlei smaad en verdriet aan te doen.
33 Of: beproefd wordt, namelijk of gij standvastig bij de waarheid zult blijven.
34 Sommigen nemen deze dagen voor zovele jaren, Num. 14:34, gelijk onder den keizer Trajanus een tienjarige vervolging tegen de Christenen kort hierna is verwekt. Anderen nemen het voor een kleinen of korten tijd, Hos. 6:2, alzo dit hier tot vertroosting wordt bijgebracht. verwijsteksten
35 Dat is, zodat gij den dood zelfs niet ontziet; of: tot het einde toe.
36 Dat is, het eeuwige leven tot een kroon of genadige vergelding van uw arbeid, 1 Petr. 5:4, een gelijkenis genomen van die om prijs strijden of lopen. Zie 2 Tim. 4:7, 8. verwijsteksten
 
11 dDie oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt. Die overwint, zal van 37den tweeden dood niet beschadigd worden.
d Matth. 13:9. verwijsteksten
37 Dat is, den eeuwigen dood; want gelijk de eerste dood is de scheiding der ziel van het lichaam, alzo is de tweede dood een scheiding en verstoting des mensen van God, gevoegd met eeuwige smarten en tormenten in de hel, gelijk Johannes zulks verklaart, Openb. 20:14; 21:8. verwijsteksten
 
Brief aan Pérgamum. De witte keursteen
12 En schrijf aan den engel der gemeente die in 38Pérgamum is: Dit zegt Hij 39Die het etweesnijdend scherp zwaard heeft:
38 Deze stad Pergamum was de hoofdstad van een deel van Klein-Azië, waar de Attalische koningen hun hof tevoren hadden gehad, en waar nu de Romeinse stadhouders hun hof ook hielden; welke stad daarom vol pracht, ongerechtigheid, hoererij en afgoderij was, als hebbende een tempel waar de duivel onder den naam van Aesculapius ook antwoorden gaf, gelijk de heidense historiën getuigen. En alwaar de gemeente der Christenen allermeest werd vervolgd en verdrukt, en met grove ketterijen bestreden.
39 Zie hiervan de aant. op Openb. 1:16. verwijsteksten
e vers 16. Openb. 1:16. verwijsteksten
 
13 Ik weet uw werken, en waar gij woont, namelijk waar 40de troon des satans is; en 41gij houdt Mijn Naam, en hebt Mijn geloof niet verloochend, ook in de dagen in welke 42Ántipas Mijn getrouwe getuige was, welke gedood is bij ulieden, waar de satan woont.
40 Christus noemt deze stad hier den troon des satans, omdat de satan daar op een bijzondere wijze door afgoderij en tirannie regeerde; gelijk hierna het beest met zeven hoofden en tien hoornen de troon van den draak wordt gegeven, Openb. 13:2. verwijsteksten
41 Dat is, gij vreest niet Mijn Naam te belijden, niettegenstaande alle zwarigheden die u daardoor overkomen.
42 Van dezen Antipas leest men niet veel in de oude kerkelijke historiën; maar alhier blijkt dat hij een voorname opziener of herder van die gemeente was geweest, die als een martelaar of getuige der waarheid van Christus dezelve met zijn dood had verzegeld, tot wiens navolging Hij hun dit voorbeeld voor ogen stelt.
 
14 Maar Ik heb enige weinige dingen tegen u, 43dat gij aldaar hebt die de lering van f44Bíleam houden, die Balak leerde den kinderen Israëls een aanstoot voor te werpen, opdat zij zouden afgodenoffer eten en hoereren.
43 Dat is, onder u nog laat verkeren en leren, gelijk vers 20 wordt verklaard, zonder die door de macht van den kerkelijken ban uit het midden van u te weren; gelijk het tegendeel hiervan tevoren was geprezen in den engel der gemeente van Efeze, vers 2. verwijsteksten
f Num. 22:23; 24:14; 25:1; 31:16. verwijsteksten
44 Namelijk waarvan de historie Numeri 22; 23; 24 beschreven is; die, alzo hem God niet toeliet de Israëlieten te vloeken, aan Balak, den koning der Moabieten, ried dat hij hen zou verlokken tot hun afgodische maaltijden, en tot hoererij door enige dochteren en vrouwen die hij in het leger der Israëlieten heeft gezonden, gelijk te zien is Num. 25:1, enz., vergeleken met Num. 31:16, opdat zij alzo in Gods ongenade zouden mogen vervallen, gelijk geschied is. Hetwelk een gans duivelse raad was, tegen welke soorten van mensen Petrus in zijn tweeden zendbrief en ook Judas hebben geschreven. verwijsteksten
 
15 Alzo hebt ook gij, 45die de lering der Nikolaïeten houden; hetwelk Ik haat.
45 Dat is, gelijk de Israëlieten door den raad van Bileam tot afgoderij en hoererij zijn verleid, alzo hebt gij ook onder u die de lering der Nikolaïeten houden, die daar leren dat hetzelve geoorloofd is, wat Bileam aan Balak had geraden. Van deze Nikolaïeten zie in de aant. op vers 6. verwijsteksten
 
16 Bekeer u; en zo niet, Ik zal u haastelijk bijkomen, en zal tegen hen krijg voeren g46met het zwaard Mijns monds.
g Jes. 49:2. Ef. 6:17. Hebr. 4:12. Openb. 1:16. verwijsteksten
46 Dat is, door Mijn dreigementen en geestelijke macht. Zie hiervoor Openb. 1:16. 2 Kor. 10:5, 6. verwijsteksten
 
17 Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt. Die overwint, Ik zal hem geven te eten 47van het Manna Dat verborgen is, en Ik zal hem geven 48een witten keursteen, en op den keursteen 49een nieuwen naam geschreven, 50welken niemand kent, dan die hem ontvangt.
47 De apostel ziet hier op de kruik met manna, die in het heilige der heiligen weggezet en bewaard werd, als te lezen is Ex. 16:33, 34. Hebr. 9:4, waardoor Christus, het Brood des levens, Die te zijner tijd verschijnen zou, met al Zijn verdiensten en weldaden werd afgebeeld, gelijk in den brede wordt verklaard Joh. 6:31, enz. Hier wordt dan beloofd de nadere gemeenschap met Christus, en genieting van alle geestelijke weldaden, ook der heerlijkheid die Hij ons heeft verworven, gelijk vers 7 door den Boom des levens beloofd is; alzo het den Vader behaagd heeft dat in Hem alle volheid zou wonen, en wij in Hem volmaakt zijn, Kol. 1:19; 2:9, 10. verwijsteksten
48 Deze is de Heilige Geest, Die in onze consciënties deze keurstem des Vaders overbrengt, en getuigt dat wij om Christus’ wil door het geloof in Gods oordeel vrijgesproken zijn van alle zonden en straffen derzelve, 2 Kor. 1:22. Een gelijkenis genomen van de stemmingen der Grieken en Romeinen in het veroordelen of vrijspreken der misdadigen. Het veroordelen geschiedde door een zwarten keursteen, het vrijspreken door een witten. Zie iets dergelijks Hand. 26:10. verwijsteksten
49 Deze naam is, dat hij, die tevoren een kind des toorns en des verderfs was, nu tot een kind Gods en erfgenaam des eeuwigen levens gesteld wordt, gelijk Paulus spreekt Rom. 8:15. verwijsteksten
50 Want de natuurlijke mens verstaat niet de dingen die des Geestes Gods zijn, maar wij hebben den Geest van Christus ontvangen, opdat wij zouden weten hetgeen ons van God geschonken is. Zie Joh. 14:17. 1 Kor. 2:9, 10, enz. verwijsteksten
 
Brief aan Thyatíra. Hetgeen gij hebt, houdt dat
18 En schrijf aan den engel der gemeente 51te Thyatíra: Dit zegt 52de Zone Gods, hDie Zijn ogen heeft als een vlam vuurs, en Zijn voeten zijn 53blinkend koper gelijk:
51 Dit was de laatste stad in Mysië, tegenover Macedonië, zuidwaarts van Pergamum gelegen; waarvan zie Hand. 16:14. verwijsteksten
52 Hier noemt Zich Christus met Zijn Naam, naar Zijn Goddelijke natuur, gelijk Hij Openb. 1:13 in het gezicht Zich noemt den Zoon des mensen, naar Zijn menselijke natuur, omdat Hij God en Mens is in één Persoon. En Hij schrijft Zichzelven hier de eigenschappen toe die in de afbeelding van Zijn Persoon tevoren verklaard zijn, Openb. 1:14, 15. verwijsteksten
h Openb. 1:14, 15. verwijsteksten
53 Of: fijn koper.
 
19 Ik weet uw werken, en liefde, en dienst, en geloof, en uw lijdzaamheid, en uw werken, 54en dat de laatste meer zijn dan de eerste.
54 Sommige boeken laten het woordje en hier uit.
 
20 Maar Ik heb enige 55weinige dingen tegen u, dat gij 56de vrouw iIzébel, die zichzelve zegt een profetes te zijn, laat leren en Mijn dienstknechten verleiden, dat zij hoereren en afgodenoffer eten.
55 Namelijk in getal, hoewel zij van groot gewicht zijn, gelijk ook vers 14. En dit zegt Christus om hen te lichter en met meerderen moed tot verbetering derzelve te brengen. verwijsteksten
56 Sommigen verstaan hierdoor de sekte zelve der Nikolaïeten, gelijk door de hoer van Babel hierna Openbaring 17 verstaan wordt de gehele afgodische heerschappij van den antichrist. Doch dewijl Christus nu tweemaal deze sekte met haar naam genoemd heeft, zo is het geloofwaardiger dat hierdoor een zekere aanzienlijke vrouw van deze sekte onder hen, die een schijn van godzaligheid had, en een profetischen geest roemde te hebben, verstaan wordt, die, gelijk de rechte Izebel eertijds het volk van Israël tot de afgoderij van Baäl bracht, en dienvolgens ook tot hoererij, die met zulke afgoderij gemeenlijk gemengd was, ook alzo door haar schijn en overredingen de Christenen hiertoe, als een geoorloofde zaak, zocht te brengen, en daartoe haar huis openhield. verwijsteksten
i 1 Kon. 16:31. 2 Kon. 9:7. verwijsteksten
 
21 En Ik heb haar tijd gegeven, opdat zij zich zou bekeren 57van haar hoererij, en zij heeft zich niet bekeerd.
57 Namelijk geestelijke en lichamelijke, die hiervoor beide uitgedrukt zijn.
 
22 Zie, 58Ik werp haar te bed, en 59die met haar overspel bedrijven, 60in grote verdrukking, zo zij zich niet bekeren van hun werken.
58 Namelijk in een zware en kwellende ziekte; opdat het bed, dat haar tevoren diende tot wellust, haar nu diene tot straf en verdriet, en zij nog tijd hebbe om zich met haar kinderen te bekeren, gelijk volgt.
59 Dat is, afgoderij en hoererij, als tevoren. Want afgoderij is ook geestelijk overspel, omdat die den mens van God, den waren Man van Zijn gemeente, afkeert.
60 Namelijk óf door de straf der overheid, óf door ziekten, óf ook door wroeging van hun consciëntie over hun boos leven.
 
23 En 61haar kinderen zal Ik door den dood ombrengen; en al de gemeenten zullen weten, k62dat Ik het ben Die nieren en harten onderzoek. lEn Ik zal ulieden geven een iegelijk naar uw werken.
61 Sommigen verstaan hierdoor haar discipelen. Doch alzo tevoren van die gesproken is, zo verstaan anderen hier de kinderen die uit deze vrouw en haar navolgers waren voortgekomen. Hier wordt zonder twijfel gezien op de kinderen die afkomstig waren van Achab en Izebel, die allen door het zwaard van Jehu zijn omgebracht, gelijk te lezen is 2 Kon. 9:22; 10:6, enz. verwijsteksten
k 1 Sam. 16:7. 1 Kron. 28:9; 29:17. Ps. 7:10. Jer. 11:20. Hand. 1:24. verwijsteksten
62 Dit doet Christus daarbij, omdat de voorstanders van deze sekte enige dekmantels van haar gruwelen voortbrachten, en zochten de lelijkheid van die onder den schijn van geestelijke verborgenheden en christelijke vrijheid bij de eenvoudigen te verduisteren; gelijk uit het volgende vers blijkt, en gelijk enige libertijnse sekten nu ook doen. Waartegen Christus Zijn alwetendheid stelt in het oordelen ook zelfs van de nieren en gedachten hunner harten.
l Ps. 62:13. Jer. 17:10; 32:19. Matth. 16:27. Rom. 2:6; 14:12. 2 Kor. 5:10. Gal. 6:5. Openb. 20:12. verwijsteksten
 
24 Doch Ik zeg tot ulieden, en tot de anderen die te Thyatíra zijn, zovelen als er deze leer niet hebben, en die de 63diepten des satans 64niet gekend hebben, gelijk zij zeggen: Ik zal u 65geen anderen last opleggen;
63 Dat is, de duistere verborgenheden van hun satanische leer, die zij voorwenden van den Heiligen Geest voort te komen, en waarmede zij anderen bedriegen.
64 Dat is, nog niet verstaan en goedgekeurd hebben.
65 Dat is, geen straf, geen verzoeking, gelijk deze bij de profeten doorgaans een last genaamd worden. Anderen nemen het voor een last van ceremoniën of onderhoudingen van enige zwaardere bevelen, gelijk Hand. 15:10, 28 zulke bevelen een juk en een last worden genaamd. verwijsteksten
 
25 Maar hetgeen gij hebt, mhoudt dat, totdat Ik zal komen.
m Openb. 3:11. verwijsteksten
 
26 En die overwint en die 66Mijn werken tot het einde toe bewaart, n67Ik zal hem macht geven 68over de heidenen;
66 Dat is, Mijn geboden en leringen; gelijk het geloof een werk Gods genaamd wordt, Joh. 6:29. verwijsteksten
n Ps. 2:8. verwijsteksten
67 Deze plaats is genomen uit Ps. 2:8, waar deze belofte van God den Vader aan Zijn Zoon Jezus Christus wordt gedaan, in Welker gemeenschap Christus hier belooft dat Hij de ware gelovigen, die volstandig blijven, ook zal inlaten, op zulke wijze als Hij Openb. 3:21 belooft, dat Hij hun met Hem zal geven te zitten in Zijn troon, gelijk Hij gezeten is in den troon des Vaders. Zie ook Rom. 8:17. Ef. 2:6. 2 Tim. 2:12. verwijsteksten
68 Dat is, over de vijanden Zijner gemeente, gelijk de heidenen altijd vijanden van Gods volk waren.
 
27 En 69hij zal hen hoeden met een ijzeren staf; zij zullen als pottenbakkersvaten vermorzeld worden; gelijk ook Ik van Mijn Vader ontvangen heb.
69 Hierdoor wordt verstaan de geestelijke macht en overwinning over al de vijanden van Christus’ gemeente, die zich stellen tegen de zaligheid der kinderen Gods, waarvan zij hier de beginselen genieten door het bloed des Lams, en het woord hunner getuigenis, hetwelk de scepter van dit Rijk is, Openb. 12:11, en zullen namaals ten laatsten dage ook als koningen nevens Christus de ongelovige wereld veroordelen, Matth. 19:28. 1 Kor. 6:2, 3. verwijsteksten
 
28 En Ik zal hem 70de morgenster geven.
70 Hierdoor wordt bekwamelijk verstaan een groter licht der kennis van Christus, die, gelijk de morgenster den dag voorgaat, alzo ook alhier in onze harten gedurig zal lichten, totdat de zon der volkomen kennis Gods in ons zal schijnen, als God zal zijn alles in allen, 1 Kor. 15:28. Zie ook 2 Petr. 1:19. Openb. 22:16, alwaar Christus en Zijn kennis met de morgenster wordt vergeleken. verwijsteksten
 
29 Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt.

Einde Openbaring 2