Statenvertaling.nl

sample header image

2 Petrus 2 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

2 Petrus 2

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

1 De apostel waarschuwt de gelovigen voor de valse leraars, die in de gemeente verderfelijke ketterijen zullen invoeren, en velen zullen verleiden. 3 Om dezelve beter te mijden, beschrijft hij hun gierigheid, en het verderf waarin zij zich zullen brengen. 4 Hetwelk hij bevestigt met de voorbeelden van de engelen die gezondigd hebben; van de oude wereld, en van die van Sodom en Gomorra. 7 Waartegen hij stelt de behoudenis van Lot, gelijk tevoren van Noach. 10 Wijst verder aan de onkuisheid, hovaardigheid, onmatigheid, bedriegerijen en andere zonden dezer verleiders, waarin zij den onredelijken dieren gelijk zijn; en waarom zij het verdiende loon der straf zullen ontvangen. 15 Gelijk Bileam, die over zijn onrechtvaardigheid door een stom beest bestraft werd. 17 Vergelijkt hen bij fonteinen en wolken zonder water. 18 Beschrijft hun opgeblazenheid, en hoe zij de Christenen verlokken, en vrijheid beloven, daar zij zelven slaven der zonde zijn. 20 Leert dat de staat der Christenen die zich van hen laten verleiden, erger is dan indien zij nooit Christus gekend hadden. 22 En vergelijkt hen bij honden die hun uitbraaksel oplekken, en bij gewassen zwijnen, die zich wederom wentelen in het slijk.
 
Waarschuwing tegen de valse leraars
1 EN1 er zijn ook avalse profeten onder 2het volk geweest, bgelijk ook 3onder u valse leraars zijn zullen, die 4verderfelijke 5ketterijen 6bedektelijk 7invoeren zullen, ook 8den Heere, 9Die hen gekocht heeft, 10verloochenende, en een haastig verderf over zichzelven brengende.
1 Dat is, gelijk daar onder Gods volk oprechte profeten zijn geweest, aan welker Schriften wij ons moeten houden, 2 Petr. 1:19, zo zijn er ook valse geweest, die men mijden moest, Deut. 13:1. verwijsteksten
a Deut. 13:1. verwijsteksten
2 Namelijk Gods, of het Joodse volk.
b Matth. 24:11. Hand. 20:29. 1 Tim. 4:1. 2 Tim. 3:1. verwijsteksten
3 Namelijk Christenen. Zodat de staat der gemeente dienaangaande niet gelukkiger zal zijn in het Nieuwe Testament dan hij geweest is in het Oude.
4 Gr. ketterijen des verderfs, Hebr.
5 Van dit woord zie de aant. op Hand. 5:17. Uit het volgende blijkt dat hij hier spreekt van ketterijen die niet alleen het geloof, maar ook de leer van het christelijke leven aangaan. verwijsteksten
6 Of: van bezijden, of: daarenboven, namelijk boven en tegen de gezonde leer.
7 Namelijk in de gemeente, of onder de Christenen.
8 Gr. Despoten, van welk woord zie Hand. 4:24. Jud. vs. 4. verwijsteksten
9 Dezen worden hier gezegd van den Heere gekocht te zijn, aangezien zij zich voor zodanigen uitgeven, en van anderen naar de liefde daarvoor gehouden zijn, zolang zij in de gemeenschap der kerk waren. Zie dergelijke wijze van spreken Joh. 15:2. Openb. 22:19. Want Christus heeft door Zijn bloed waarlijk en inderdaad alleen Zijn gemeente gekocht, Hand. 20:28. Ef. 5:25, dat is, alleen de ware gelovigen, die altijd bij Christus blijven, en Hem niet verloochenen. Zie 1 Joh. 2:19. Openb. 14:3, 4. verwijsteksten
10 Namelijk met de daad, en met hun valse leer en kwaad leven, hoewel zij met den mond Hem zouden kunnen belijden. Zie Tit. 1:16. Jud. vs. 4. verwijsteksten
 
2 En velen zullen 11hun verderfenissen navolgen, door welke 12de weg der waarheid zal 13gelasterd worden.
11 Gr. apoleiais, dat is, hun verderfelijke leringen en verleidingen. Anderen lezen aselgeiais, dat is, hun ontuchtigheden of dartelheden.
12 Dat is, de ware christelijke leer en religie, die den weg tot de eeuwige zaligheid aanwijst. Zie van deze benaming Hand. 9:2; 19:9; 22:4. verwijsteksten
13 Namelijk zo van henzelven, met de waarheid tegen te spreken en te beschuldigen; als door anderen, die uit hun kwade leer en ongoddelijk leven oorzaak zullen nemen om de christelijke religie te lasteren.
 
3 En 14zij zullen 15door gierigheid, met 16gemaakte woorden, 17van u een koopmanschap maken; cover welke 18het oordeel van 19overlang niet ledig is, en hun verderf sluimert niet.
14 Namelijk de valse leraars.
15 Namelijk aangedreven zijnde, dat is, om vuil gewins wil, Tit. 1:11. verwijsteksten
16 Dat is, geveinsde, zoete en vleiende woorden; gelijk Rom. 16:18. verwijsteksten
17 Gr. u verkoopmanschappen, dat is, daarmede u als verkopen om uit u gewin te trekken; zoekende niet uw zaligheid, maar uw goederen, Openb. 18:13. verwijsteksten
c Jud. vs. 4. verwijsteksten
18 Dat is, de straf, gelijk 1 Kor. 11:29, namelijk tijdelijke en eeuwige; gelijk de volgende woorden verklaren. verwijsteksten
19 Dat is, van overlang over hen is besloten, en zekerlijk over hen komen zal.
 
4 20Want indien God dde engelen die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar die in de hel geworpen hebbende, overgegeven heeft aan 21de ketenen der duisternis, om 22tot het oordeel bewaard te worden;
20 Deze vijf volgende verzen worden besloten op vers 9. verwijsteksten
d Jud. vs. 6. Openb. 20:3. verwijsteksten
21 Namelijk gelijk gevangen misdadigers met ketenen bewaard worden in de duistere gevangenissen, totdat zij daaruit gehaald worden om gestraft te worden.
22 Namelijk tot het laatste oordeel. Of: tot de eeuwige straf.
 
5 En 23de oude wereld niet heeft gespaard, maar eNoach, den prediker der gerechtigheid, zijn achttal, bewaard heeft, als Hij den zondvloed over de wereld der goddelozen heeft gebracht;
23 Dat is, de mensen van de eerste wereld, voor den zondvloed. Zie Genesis 6; 7. verwijsteksten
e Gen. 7:23. 1 Petr. 3:19. verwijsteksten
 
6 En de steden fvan Sódom en Gomórra tot as verbrandende 24met omkering 25veroordeeld heeft, en 26tot een voorbeeld gezet dengenen die goddelooslijk 27zouden leven;
f Gen. 19:24. Deut. 29:23. Jes. 13:19. Jer. 50:40. Ez. 16:49. Hos. 11:8. Amos 4:11. Jud. vs. 7. verwijsteksten
24 Dat is, met een ganse vernieling van mensen en van steden.
25 Dat is, gestraft, of verdoemd.
26 Namelijk van Zijn rechtvaardigen toorn en straf over de goddeloosheid.
27 Namelijk in toekomende tijden, gelijk zij geleefd hebben; dat hun ook diergelijke straf zal overkomen.
 
7 En 28den rechtvaardigen Lot, gdie 29vermoeid was van 30den ontuchtigen wandel 31der gruwelijke mensen, daaruit verlost heeft
28 Dat is, den vromen en godzaligen Lot.
g Gen. 19:7, 8. verwijsteksten
29 Of: overlast, moede.
30 Gr. den wandel in ontuchtigheid.
31 Het Griekse woord betekent mensen die naar recht noch naar reden vragen, en naar geen wetten leven.
 
8 (Want deze rechtvaardige man, wonende onder hen, heeft dag op dag zijn rechtvaardige ziel h32gekweld door het zien en horen van hun ongerechtige werken);
h Ps. 119:158. verwijsteksten
32 Gr. gepijnigd door het gezicht en gehoor in de onrechtvaardige werken.
 
9 i33Zo weet de Heere de godzaligen uit 34de verzoeking te verlossen, en 35de onrechtvaardigen te bewaren tot den dag 36des oordeels, 37om gestraft te worden;
i 1 Kor. 10:13. verwijsteksten
33 Dat is, wil en kan; gelijk Hij ook dikmaals getoond heeft.
34 Dat is, de verdrukking, waardoor zij van God verzocht en beproefd worden. Zie Jak. 1:2. 1 Petr. 1:6. verwijsteksten
35 Namelijk die zodanigen zijn en blijven, zonder zich te bekeren van hun onrechtvaardigheid. Zie Ez. 18:21. verwijsteksten
36 Dat is, des laatsten oordeels, in hetwelk zij overgegeven zullen worden om beide naar ziel en lichaam eeuwiglijk gestraft te worden.
37 Of: gestraft wordende, namelijk nu alrede naar de ziel.
 
10 Maar 38allermeest degenen die 39naar het vlees 40in onreine begeerlijkheid wandelen, en 41de heerschappij verachten; die stout zijn, 42zichzelven behagen, en die 43de heerlijkheden niet schromen te lasteren;
38 Dat is, voornamelijk, of: allerzwaarst.
39 Gr. achter het vlees, dat is, de vleselijke onkuisheden.
40 Gr. in begeerlijkheid der besmetting, bevlekking, waarmede niet alleen de ziel, maar ook het lichaam besmet wordt. Zie 1 Kor. 6:18. verwijsteksten
41 Dat is, degenen die in overheid zijn.
42 Of: eigenzinnig. Zie van dit woord Tit. 1:7. verwijsteksten
43 Dat is, de heerschappijen, die in heerlijkheid gesteld zijn onder de mensen.
 
11 Daar 44de engelen, in sterkte en kracht 45meerder zijnde, 46geen lasterlijk oordeel tegen hen voor den Heere voortbrengen.
44 Dat is, de goede engelen, onder welke Michaël tot een voorbeeld wordt voorgebracht, Jud. vs. 9. verwijsteksten
45 Namelijk dan enige mensen zijn.
46 Dat is, hetgeen zij tegen hen die in overheid zijn, te zeggen hebben, niet voorstellen met lasterlijke woorden.
 
De losbandigheid der valse leraars
12 kMaar 47dezen, als onredelijke dieren, die 48de natuur volgen en 49voortgebracht zijn 50om gevangen en gedood te worden, ldewijl zij lasteren hetgeen zij niet verstaan, zullen in hun verdorvenheid 51verdorven worden;
k Jer. 12:3. verwijsteksten
47 Namelijk valse leraars.
48 Gr. natuurlijke, dat is, volgende het ingeven en de lusten van hun natuur; welken de valse leraars gelijk zijn, omdat zij alzo ook de lusten van hun verdorven natuur volgen.
49 Gr. geteeld, of: geboren, dat is, gelijk de onredelijke dieren anders niet hebben te verwachten dan van de mensen gevangen en gedood te worden, alzo hebben ook deze valse leraars anders niet te verwachten dan van God met een eeuwig verderf gestraft te worden; gelijk in het volgende verklaard wordt.
50 Gr. tot vang en verderf.
l Jud. vs. 10. verwijsteksten
51 Dat is, verloren gaan; of: in hun verderf verloren gaan.
 
13 En zullen verkrijgen 52het loon der ongerechtigheid, als die de dagelijkse 53weelde hun 54vermaak achten, zijnde 55vlekken en smetten, en zijn weelderig in hun 56bedriegerijen, 57als zij in de maaltijden met u zijn;
52 Namelijk den eeuwigen dood en verdoemenis, die de ongerechtigheid naar Gods rechtvaardig oordeel verdient; gelijk daarentegen het eeuwige leven genaamd wordt een kroon der gerechtigheid die uit genade wordt gegeven, 2 Tim. 4:8. verwijsteksten
53 Dat is, lekkerlijk leven, slempen en goede sier maken, gelijk deed de rijke vrek, Luk. 16:19. verwijsteksten
54 Gr. wellust.
55 Namelijk van den christelijken naam, dien zij gebruiken en met hun kwaad leven bevlekken.
56 Gr. apatais, dat is, bedrieglijke verleidingen.
57 Of: als zij met u goede sier maken; dat is, van u te gast genood zijn, of de gemeenschappelijke maaltijden met u houden.
 
14 Hebbende de ogen 58vol overspel en 59die niet ophouden van zondigen; 60verlokkende de 61onvaste zielen, hebbende het hart geoefend in gierigheid, 62kinderen der vervloeking;
58 Dat is, die klaarlijk uitwijzen hun genegenheid tot onkuisheid, en die zij op andere vrouwen slaan, om die te begeren. Zie Matth. 5:28. verwijsteksten
59 Gr. onophoudelijk van zonde, dat is, die geduriglijk met onkuis aanschouwen en begeren van andere vrouwen het hart tot overspel bewegen, en hetzelve ook met het hart begaan.
60 Namelijk met schoonspreken, als met een aas.
61 Namelijk in de waarheid of godzaligheid.
62 Dat is, vervloekte mensen; gelijk Joh. 17:12. Ef. 2:2. Kol. 3:6. 2 Thess. 2:3. 1 Petr. 1:14. verwijsteksten
 
15 Die 63den rechten weg verlaten hebbende, zijn verdwaald, en mvolgen 64den weg van Bíleam, den zoon van 65Beor, die 66het loon der ongerechtigheid 67liefgehad heeft;
63 Namelijk der zaligheid, of der godzaligheid, die tot de zaligheid leidt.
m Num. 22:7, 21. Jud. vs. 11. verwijsteksten
64 Dat is, de wijze van doen. Zie 1 Kor. 4:17. Jud. vs. 11. verwijsteksten
65 Bosor (Grieks). Deze wordt Num. 22:5 Beor of Bechor genaamd. verwijsteksten
66 Dat is, dat hem Balak beloofd had om een ongerechtige zaak te doen, namelijk het volk Gods te vloeken.
67 Dat is, uit gierigheid, om dat loon te verkrijgen, tegen Gods wil en zijn eigen consciëntie.
 
16 Maar hij heeft de bestraffing zijner 68ongerechtigheid gehad; want n69het jukdragende stomme dier, 70sprekende met mensenstem, heeft 71des profeten dwaasheid verhinderd.
68 Of: overtreding.
n Num. 22:21. verwijsteksten
69 Dat is, de ezelin waarop hij reed.
70 Gr. geluid gevende.
71 Namelijk Bileams, die een profeet genaamd wordt, gelijk ook Joz. 13:22 een voorzegger of waarzegger, omdat hij bij de Moabieten gehouden werd voor zodanig als de profeten gehouden werden bij het volk Gods, hoewel hij ook van den Messias door Gods ingeven heeft geprofeteerd, Num. 24:17. Zie dergelijke Joh. 11:51. verwijsteksten
 
17 oDezen zijn 72waterloze fonteinen, wolken van een draaiwind gedreven, 73denwelken 74de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt.
o Jud. vs. 12. verwijsteksten
72 Dat is, gelijken wel fonteinen te zijn, maar geven geen water; door welke gelijkenis hun schijnheiligheid en geveinsdheid wordt beschreven, gelijk in de volgende hun ongestadigheid.
73 Namelijk valsen leraars.
74 Dat is, zeer dikke duisternis, die ook genaamd wordt de buitenste duisternis, Matth. 8:12; 22:13; 25:30, waardoor de hel betekend wordt. verwijsteksten
 
18 Want zij, 75zeer opgeblazen ijdelheid sprekende, verlokken 76door de begeerlijkheden des vleses en door 77ontuchtigheden degenen die 78waarlijk ontvloden waren van degenen die in dwaling wandelen;
75 Gr. zeer opgeblazen dingen der ijdelheid, dat is, hun valse en ijdele leer met grote opgeblazenheid stoutelijk voorstellende.
76 Gr. in; gelijk ook in het volgende.
77 Of: dartelheden, geiligheden.
78 Dat is, die nu de kennis der rechte waarheid inderdaad hadden. Anderen lezen voor ontoos, dat is, waarlijk, oligon, dat is, een weinig.
 
19 Belovende 79hun vrijheid, daar zij zelven dienstknechten 80zijn der verdorvenheid; pwant van wien iemand overwonnen is, dien is hij ook tot een dienstknecht gemaakt.
79 Namelijk een vleselijke vrijheid onder het deksel des Evangelies.
80 Namelijk die in hen is en heerst; of: des eeuwigen verderfs. Want beide is waarachtig in verscheiden opzicht.
p Joh. 8:34. Rom. 6:16. verwijsteksten
 
20 qWant indien zij, nadat zij 81door de kennis van den Heere en Zaligmaker Jezus Christus 82de besmettingen der wereld 83ontvloden zijn, en in dezelve wederom ingewikkeld zijnde, van dezelve 84overwonnen worden, rzo is hun 85het laatste erger geworden dan 86het eerste.
q Hebr. 6:4; 10:26. verwijsteksten
81 Namelijk die zij hebben verkregen door de predicatie des Evangelies, die de onwedergeborenen dikwijls ook wel hebben. Zie Matth. 13:19, 20, enz. verwijsteksten
82 Dat is, de dwalingen, afgoderijen en grove zonden, waarin zij tevoren staken, en die in de wereld zijn.
83 Namelijk zich begevende uit deze dwalingen, zonden en afgoderijen tot de kerke Gods, hetwelk ook dikwijls de huichelaars en onwedergeborenen doen.
84 Namelijk alzo dat zij daartoe wederom vervallen en daarin blijven, zonder zich daarvan te bekeren, latende dezelve zonden over hen heersen.
r Matth. 12:45. verwijsteksten
85 Dat is, deze hun laatste staat, waarin zij zijn als zij van de waarheid afgevallen zijn.
86 Dat is, hun eerste staat, in welken zij waren eer zij de waarheid kenden. Zie Luk. 12:47. verwijsteksten
 
21 Want het ware hun beter, dat zij 87den weg der gerechtigheid niet gekend hadden, dan dat zij dien gekend hebbende, weder afkeren van het heilige 88gebod dat hun overgegeven was.
87 Dat is, de leer des Evangelies, die tevoren genaamd is de weg der waarheid, vers 2. verwijsteksten
88 Dat is, de heilige leer des Evangelies, die niet alleen bestaat in beloften, maar ook in geboden; de apostel spreekt aldus, omdat de valse leraars de mensen verleidden, niet alleen van de waarheid, maar ook tot allerlei goddeloosheid.
 
22 Maar hun is overkomen hetgeen met een waar spreekwoord gezegd wordt: sDe hond is wedergekeerd tot zijn eigen uitbraaksel, en de gewassen zeug tot de wenteling in het slijk.
s Spr. 26:11. verwijsteksten

Einde 2 Petrus 2