Statenvertaling.nl

sample header image

Hebreeën 2 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Hebreeën 2

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

1 Uit de leer van de voortreffelijkheid van den Persoon van Christus, in het voorgaande hoofdstuk voorgesteld, trekt de apostel hier een waarschuwing, dat wij dan zorgvuldig moeten zijn om op Zijn Woord wel acht te nemen. 5 Gaat daarna voort, en bewijst eerst de nederigheid en daarna de waardigheid van de mensheid van Christus, met een plaats uit den achtsten psalm. 8 En past die op Christus. 11 Bewijst uit nog andere plaatsen des Ouden Testaments, dat Hij eenzelfde natuur en beweging met ons deelachtig is. 16 En niet met de engelen. 17 En dat te dien einde, opdat Hij een getrouw en barmhartig Hogepriester voor ons zou zijn.
 
Blijven bij wat gehoord werd
1 DAAROM1 moeten wij ons te meer houden aan hetgeen van ons gehoord is, opdat wij niet te eniger tijd 2doorvloeien.
1 Dat is, overmits wij nu bewezen hebben hoe voortreffelijk de Persoon van Christus is, van Wien wij spreken.
2 Dit wordt door sommigen verstaan van het Woord hetwelk wij gehoord hebben, en moeten zorg dragen dat hetzelve in ons niet doorvloeit, gelijk in vergetelijke toehoorders pleegt te geschieden. Door anderen wordt het verstaan van de personen zelven, die gezegd worden door te vloeien, wanneer zij als water, dat doorvloeit, vergaan of verloren gaan. Zie 2 Sam. 14:14. Ps. 58:8. verwijsteksten
 
2 Want indien ahet woord, 3door de engelen gesproken, vast is geweest, en balle overtreding en ongehoorzaamheid 4rechtvaardige vergelding ontvangen heeft,
a Hand. 7:53. Gal. 3:19. verwijsteksten
3 Waardoor verstaan worden al de openbaringen die God in het Oude Testament aan de profeten door de engelen heeft gedaan; en bijzonderlijk ook het geven der wet, die wel van God Zelven, maar evenwel door den dienst der engelen gegeven is, gelijk Stefanus getuigt, Hand. 7:53, en Paulus, Gal. 3:19. verwijsteksten
b Gen. 19:17, 26. Deut. 27:26. verwijsteksten
4 Gr. rechtvaardige loonvergelding, namelijk der straffen, die daarom over hen zijn gekomen. Zie enige voorbeelden daarvan 1 Kor. 10:5, enz. verwijsteksten
 
3 cHoe zullen wij 5ontvlieden, indien wij op 6zo grote zaligheid geen acht nemen? dDewelke, 7begonnen zijnde verkondigd te worden door 8den Heere, aan ons 9bevestigd is geworden 10van degenen die Hem gehoord hebben;
c Hebr. 12:25. verwijsteksten
5 Namelijk de rechtvaardige vergelding der straffen.
6 Dat is, zo klare en krachtige leer, die ons ter zaligheid roept. Waardoor het Evangelie verstaan wordt, hetwelk een dienst des Geestes en levens ook wordt genaamd, daar de wet een doodslaande letter is; waarvan zie de verklaring op 2 Kor. 3:6, 7. verwijsteksten
d Matth. 4:17. Mark. 1:14. verwijsteksten
7 Gr. begin genomen hebbende gesproken te worden.
8 Namelijk Jezus Christus, toen Hij in de dagen Zijns vleses onder ons heeft gepredikt als een dienaar der besnijdenis.
9 Dat is, meer en meer versterkt.
10 Hieruit willen sommigen besluiten dat Paulus dezen brief niet zou hebben geschreven, overmits hij niet door mensen, maar van Christus Zelven het Evangelie gehoord heeft en tot een apostel is beroepen, 2 Kor. 12:4, enz. Gal. 1:1; 2:6. Doch dit is een zeer zwak argument, dewijl de apostelen door een figuurlijke wijze van spreken zichzelven dikmaals in de vermaningen insluiten, hoewel zij hen eigenlijk niet aangaan, gelijk in deze drie voorgaande verzen meermalen geschiedt. Zie ook een merkelijk voorbeeld 1 Kor. 10:8, 9. 1 Petr. 4:3. Daarenboven, hoewel Paulus de leer des Evangelies van niemand heeft geleerd dan van Christus, nochtans zo is hij daarin ook versterkt door Ananias, Hand. 9:17, en door onderlinge handeling met de andere apostelen, gelijk de andere apostelen ook door de handelingen met hem; gelijk hij zelf in den brede getuigt, Gal. 2:2, enz. verwijsteksten
 
4 eGod bovendien 11medegetuigende door tekenen en wonderen en menigerlei krachten en bedelingen des Heiligen Geestes naar Zijn wil.
e Mark. 16:20. Hand. 14:3; 19:11. verwijsteksten
11 Namelijk met de apostelen en evangelisten, die ons het Evangelie hebben verkondigd. Zie Mark. 16:20. verwijsteksten
 
Christus de Zoon des mensen
5 12Want Hij heeft aan de engelen niet onderworpen 13de toekomende wereld, van welke wij spreken.
12 Na het einde der tussengevoegde vermaning komt de apostel wederom tot verklaring der leer. Want deze woorden hangen aan het einde van het voorgaande hoofdstuk, waar hij gezegd had dat God de Vader alles aan de voeten van Christus had onderworpen, en gaat alzo voort tot de verklaring van de nederigheid en verhoging der mensheid van Christus.
13 Dat is, van welker toekomst of stand de profeten zoveel hebben gesproken, en waar David van spreekt in de aangehaalde plaats, Psalm 110; welke wereld toekomende wordt genaamd, ten aanzien van Gods beloften in het Oude Testament, en van de oprichting aller dingen, die door het zitten van Christus ter rechterhand Zijns Vaders, door de gehele wereld is begonnen, en ten uitersten dage zal voleindigd worden.
 
6 Maar 14iemand heeft ergens betuigd, zeggende: f15Wat is de mens, dat Gij zijner 16gedenkt, of des mensen zoon, dat Gij hem bezoekt?
14 Namelijk die genoeg bekend is, te weten de profeet David, in den achtsten psalm.
f Ps. 8:5. verwijsteksten
15 Deze plaats, Ps. 8:5, menen sommigen dat hier maar door enige toepassing der woorden van den profeet David op Christus wordt geduid, hoewel zij door David in een anderen zin zouden gesproken zijn, gelijk dat dikmaals bij vele schrijvers geschiedt, en waarvan een voorbeeld is Rom. 10:6, 18. Want hetgeen van een zaak of persoon gezegd is, kan ook wel met waarheid van een ander bij vergelijking gezegd worden; veel meer dan kan zulks door de ingeving des Heiligen Geestes geschieden. Doch alzo de apostel deze plaats als van Christus gesproken, ook aanhaalt 1 Kor. 15:27. Ef. 1:22, en uit dezelve aldaar, en ook alhier, een bewijs neemt van hetgeen hij van Christus wil leren, zo moet zij van David te dien einde ook noodzakelijk uitgesproken zijn tot hetwelk de apostel die voorbrengt. Want al is het dat David daar op het eerste gezicht schijnt te spreken van den mens en zijn waardigheid in het gemeen over andere schepselen, nochtans dewijl de eerste mens deze waardigheid door zijn ongehoorzaamheid terstond heeft verloren, en derhalve geen recht daartoe van nature meer heeft, waarom ook vele schepselen zich van zijn gehoorzaamheid hebben onttrokken, ja, vijand van hem zijn geworden, zo heeft de profeet hoger gezien, namelijk op Christus, en de wederoprichting des mensen in Christus, Die een volkomen autoriteit en macht over alle schepselen, grote en kleine, ontvangen heeft, zelfs over de engelen in den hemel en al de gedierten op aarde, Ef. 1:20, 21, 22. Filipp. 2:9, 10. Waarom zelfs de engelen Hem, toen Hij hier in het vlees wandelde, hebben gediend, en de vissen in de zee en de andere gedierten Hem als een volkomen Heere zijn onderworpen geweest, gelijk daarvan voorbeelden steeds in het Evangelie voorkomen. Zie Matth. 8:31; 21:2. Luk. 5:6. Joh. 21:6. Welke waardigheid ook alle gelovigen in Christus nu wederom deelachtig zijn geworden, 1 Kor. 3:22. Ef. 2:6, enz. verwijsteksten
16 Dit woord gedenkt, gelijk ook het volgende bezoekt, of: aanmerkt, ziet zowel op den staat der vernedering van Christus, waaruit Hij verhoogd is, als op den ellendigen staat des mensen, waarin hij door de zonde is gevallen, waarin hem God met Zijn ontfermende ogen als aangezien, en tot een beteren staat genadiglijk heeft voorgenomen te brengen, gelijk deze wijze van spreken zulks alom medebrengt. Zie Gen. 8:1; 21:1. Ez. 16:4, enz. verwijsteksten
 
7 Gij hebt hem 17een weinig minder gemaakt dan de engelen; met heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekroond, en Gij hebt hem gesteld over de werken Uwer handen;
17 Of: een weinig tijds, gelijk ook vers 9, want dit woord betekent beide. Dit wordt van den apostel op de gelovigen en voornamelijk op Christus, hun Hoofd, geduid, omdat zij hier wel een weinig, of: een weinig tijds minder zijn dan de engelen, gelijk ook Christus is geweest in Zijn nederigen staat voor de ogen der mensen, maar dat zij door Christus den engelen zullen gelijk worden in de toekomende wereld, Matth. 22:30, en dat Christus, het Hoofd derzelve, ook naar Zijn mensheid, ver boven alle engelen na Zijn hemelvaart is verheven, gelijk de Schrift alom getuigt. verwijsteksten
 
8 gAlle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen. Want daarin dat Hij Hem alle dingen heeft onderworpen, heeft Hij 18niets uitgelaten dat Hem niet onderworpen zij. 19Doch nu zien wij nog niet dat Hem alle dingen onderworpen zijn;
g Ps. 8:7. Matth. 28:18. 1 Kor. 15:27. Ef. 1:22. verwijsteksten
18 Zelfs ook dan niet de engelen.
19 Met deze woorden bewijst de apostel dat deze plaats eerst en voornamelijk van Christus moet verstaan worden, alzo in geen ander mens ter wereld dit tot nog toe in alles is vervuld.
 
9 20Maar wij zien Jezus hmet heerlijkheid en eer gekroond, iDie een weinig minder dan de engelen geworden was, 21vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods 22voor allen den dood 23smaken zou.
20 Dat is, wij weten en geloven uit Gods Woord, en ervaren het in de regering Zijner gemeente, dat nu in Jezus Christus dit alles is vervuld, en dat het derhalve ook in Zijn leden, te zijner tijd, naar hun mate, vervuld zal worden, gelijk in het volgende vers wordt uitgedrukt.
h Hand. 2:33. verwijsteksten
i Filipp. 2:7, 8. verwijsteksten
21 Dat is, omdat Hij den dood moest lijden, of: door het lijden des doods. Zie Luk. 24:26. verwijsteksten
22 Namelijk Zijn leden, of broederen, die Hij Zijn heerlijkheid zou deelachtig maken; gelijk Joh. 10:11. Rom. 8:33, 34, enz. verwijsteksten
23 Dat is, lijden, gelijk Christus Zelf Zijn lijden bij een drinkbeker vergelijkt, Matth. 20:22; 26:39. Zie dergelijke wijze van spreken Matth. 16:28. Mark. 9:1. Luk. 9:27. Joh. 8:52. verwijsteksten
 
10 Want het betaamde 24Hem om Welken alle dingen zijn en door Welken alle dingen zijn, dat Hij vele 25kinderen 26tot de heerlijkheid leidende, 27den oversten Leidsman hunner zaligheid door lijden zou 28heiligen.
24 Namelijk God den Vader, gelijk Rom. 11:36. verwijsteksten
25 Gr. zonen, waarvan Christus de Eerstgeborene wordt genaamd, Wiens beeld de anderen moesten gelijkvormig worden, Rom. 8:29. verwijsteksten
26 Dat is, tot de gemeenschap der heerlijkheid Zijns Zoons, waarvan hij in het voorgaande vers gesproken had.
27 Dat is, Auteur of Oorzaak, en Voorganger, gelijk hij Hebr. 5:9. Hand. 3:15 Hem noemt. verwijsteksten
28 Gr. teleiosai, hetwelk betekent eigenlijk volmaken, somwijlen heiligen, of: inwijden; welke betekenissen op Christus hier kunnen gepast worden. Hoewel het woord heiligen hier gehouden is, omdat Christus dit woord alzo van Zichzelven verklaart, Joh. 17:19, en het volgende vers zulks ook medebrengt. Door dit woord heiligen wordt alhier verstaan, dat de Vader geordineerd heeft dat Christus door Zijn gehoorzaamheid tot den dood des kruises toe in Zijn heerlijkheid zou ingaan, en ons met Hem daartoe ook bekwaam maken. verwijsteksten
 
11 Want 29én Hij Die heiligt, én zij die geheiligd worden, kzijn allen 30uit één; om welke oorzaak 31Hij Zich 32niet schaamt hen broeders te noemen,
29 Deze regel is genomen uit de wijze van heiligen in het Oude Testament, alwaar de hogepriester, en de anderen die hij heiligde, van eenzelfde natuur en oorsprong waren. Alwaar ook de eerstelingen waren van één natuur en oorsprong met de gehele massa die daardoor geheiligd werd. Zie Rom. 11:16. Hebr. 5:1. verwijsteksten
k Hand. 17:26. verwijsteksten
30 Het Griekse woord henos, dat is, één geheel, kan óf één Vader, óf één natuur betekenen. Doch aangezien de engelen ook een gemeenschappelijken Vader, namelijk God, hebben, met de gelovigen, en de apostel hier wil bewijzen dat Christus met Zijn gelovigen een gemeenschap heeft die Hij met de engelen niet heeft, zo moet het woord één alhier noodwendiglijk van de enigheid der natuur worden genomen, gelijk de eerstelingen en de gehele massa van één natuur waren.
31 Namelijk de Zone Gods, of de Leidsman hunner zaligheid.
32 Dat is, niet beneden Zijn waardigheid acht, namelijk, hoewel Hij ongelijk veel waardiger is dan zij zijn.
 
12 33Zeggende: lIk zal Uw Naam Mijn broederen verkondigen; in het midden der gemeente zal Ik U lofzingen.
33 Namelijk in den 22sten psalm, welke psalm een gedurig verhaal is van de historie van het lijden van Christus, gelijk die daarom altijd voor het vroegoffer, volgens het opschrift van den psalm, tot een verklaring van de betekende zaak dezer offerande, werd gezongen. En daarom worden bij de evangelisten, wanneer zij handelen van het lijden van Christus, meer plaatsen uit dezen psalm aangehaald, dan uit enig ander hoofdstuk des Ouden Testaments.
l Ps. 22:23. verwijsteksten
 
13 En wederom: m34Ik zal Mijn betrouwen op Hem stellen. 35En wederom: nZiedaar, Ik en de kinderen 36die Mij God gegeven heeft.
m Ps. 18:3. verwijsteksten
34 Met deze plaats, genomen uit Ps. 18:3, bewijst de apostel dat Christus enerlei bewegingen des gemoeds, en dienvolgens enerlei natuur met de gelovigen deelachtig is. verwijsteksten
35 Deze plaats is genomen uit Jes. 8:18, alwaar Christus, de ware Immanuël, den profeet aanspreekt, en in zijn lijden vertroost met Zijn en aller kinderen Gods voorbeeld, die dergelijke zwarigheden altijd onderworpen zijn geweest, gelijk dat gehele hoofdstuk van het achtste vers en verder een profetie van Christus is. verwijsteksten
n Jes. 8:18. verwijsteksten
36 Namelijk uit de wereld, om Mijzelven voor hen te heiligen. Zie Joh. 17:6. verwijsteksten
 
14 Overmits dan 37de kinderen 38des vleses en bloeds deelachtig zijn, ozo is Hij ook desgelijks 39derzelve deelachtig geworden, popdat Hij door den dood 40tenietdoen zou dengene die 41het geweld des doods had, dat is 42den duivel,
37 Namelijk waarvan Jesaja spreekt, dat is, de ware gelovigen, die uit God geboren en leden van Christus zijn.
38 Dat is, bestaan uit vlees en bloed; of: de zwakke menselijke natuur deelachtig zijn; gelijk 1 Kor. 15:50. verwijsteksten
o Joh. 1:14. Filipp. 2:7. verwijsteksten
39 Dat is, heeft dezelve in enigheid Zijns Persoons aangenomen, gelijk hij spreekt vers 16 en Filipp. 2:7. verwijsteksten
p Jes. 25:8. Hos. 13:14. 1 Kor. 15:54. 2 Tim. 1:10. verwijsteksten
40 Dat is, zijn macht of tirannie over de kinderen Gods verbreken en wegnemen.
41 Namelijk door de zonde, waartoe hij de mensen gebracht had, en onder dewelke hij die nog hield; om welke zonde de mens den vervloekten dood was onderworpen. Zie Rom. 5:12. 1 Kor. 15:56. verwijsteksten
42 Namelijk met al zijn engelen, gelijk Christus spreekt Matth. 25:41. Want onder dezen overste worden allen die onder hem staan, begrepen. verwijsteksten
 
15 En verlossen zou al degenen 43die met vreze des doods door al hun leven q44der dienstbaarheid onderworpen waren.
43 Dat is, des eeuwigen en vervloekten doods, welke vreze alle zondige mensen noodwendiglijk bevangt, totdat zij van hun verlossing verzekerd zijn. Zie Luk. 1:74. verwijsteksten
q Rom. 8:15. verwijsteksten
44 Dat is, der knechtelijke vreze, of den Geest der dienstbaarheid, gelijk hij spreekt Rom. 8:15. verwijsteksten
 
16 Want waarlijk, 45Hij neemt de engelen niet aan, maar 46Hij neemt het zaad Abrahams aan;
45 Dat is, de Schrift zegt nergens dat Hij de engelen zou aannemen, maar wel het zaad Abrahams, Gen. 12:3; 22:18, gelijk ook zulks inderdaad in Zijn menswording is gebleken. verwijsteksten
46 Dat is, de menselijke natuur uit het zaad Abrahams. Want dat enigen het woord aannemen door helpen verklaren, is ongerijmd, dewijl de goede engelen geen hulp van node hebben tot hun verlossing, alzo zij niet hebben gezondigd.
 
17 rWaarom Hij 47in alles den broederen moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn in de dingen 48die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoenen.
r Filipp. 2:7. Hebr. 4:15. verwijsteksten
47 Namelijk uitgenomen de zonde, gelijk de apostel daarbij voegt, Hebr. 4:15. verwijsteksten
48 Namelijk om den mens met God te verzoenen.
 
18 sWant in hetgeen Hij Zelf 49verzocht zijnde geleden heeft, 50kan Hij dengenen die verzocht worden, te hulp komen.
s Hebr. 4:15, 16. verwijsteksten
49 Namelijk in den staat Zijner nederigheid, met allerlei lijden en verdriet.
50 Namelijk te beter, alzo Hij dezelve ook ervaren heeft, en daarom met meerder medelijden jegens hen ontstoken is.

Einde Hebreeën 2