Statenvertaling.nl

sample header image

2 Timotheüs 1 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

2 Timotheüs 1

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

1 Na het opschrift en den gewoonlijken groet, 3 Verklaart de apostel de grote liefde die hij Timotheüs toedraagt en met bidden voor hem betoont. 4 Alsook de oorzaak waarom hij hem liefheeft, namelijk om zijn godzaligheid, waarin hij van kindsbeen af van zijn grootmoeder en moeder was opgevoed. 6 Vermaant hem dat hij zijn gaven wil opwekken. 7 En niet vrezen, noch zich schamen de leer des Evangelies vrijmoediglijk te prediken en om dezelve verdrukking te lijden. 9 Beschrijft te dien einde de voortreffelijkheid onzer roeping en de nuttigheid derzelver leer. 11 En stelt hem ook zijn eigen voorbeeld voor. 13 Vermaant hem ook dat hij dezelve leer tot een voorbeeld wil houden, en dezelve vast bewaren. 15 Verklaart dat allen die uit Azië te Rome bij hem waren, hem verlaten hadden. 16 Doch dat Onesiforus hem getrouwelijk was bijgebleven. 18 Waarom hij God bidt dat Hij zulks hem genadiglijk wil vergelden.
 
Opschrift en zegengroet
1 PAULUS, een apostel van JEZUS CHRISTUS, 1door den wil Gods, 2naar de belofte des levens dat in Christus Jezus is,
1 Dat is, die van God Zelven, naar Zijn believen, tot het apostelschap verkoren en beroepen ben. Zie Rom. 1:1. Gal. 1:1, 15. verwijsteksten
2 Dat is, om te verkondigen het Evangelie, in hetwelk voorgesteld wordt de belofte des eeuwigen levens, die God gedaan heeft aan al degenen die in Christus Jezus geloven. Zie Rom. 1:2, 16. Tit. 1:1, 2, 3. verwijsteksten
 
2 Aan 3Timótheüs, mijn geliefden 4zoon: aGenade, barmhartigheid, vrede zij u van God den Vader en Christus Jezus, onzen Heere.
3 Van dezen zie Hand. 16:1. Rom. 16:21. 1 Kor. 4:17. 2 Kor. 1:1. Filipp. 2:19. 1 Tim. 1:2, en doorgaans in de Handelingen der Apostelen en in de zendbrieven van Paulus. verwijsteksten
4 Gr. kind. Zie 1 Tim. 1:2. Alzo noemt hem de apostel, die nu een oude man was, Filem. vs. 9, omdat hij nog jong was, 1 Tim. 4:12, en omdat hij hem door het Evangelie had gebaard, en jegens hem vaderlijk gezind was, gelijk het woord geliefde ook te kennen geeft. verwijsteksten
a Gal. 1:3. 1 Tim. 1:2. 1 Petr. 1:2. verwijsteksten
 
Opwekking tot standvastigheid
3 5Ik dank God, bDien ik dien 6van mijn voorouders aan 7in een reine consciëntie, cgelijk ik zonder ophouden uwer gedachtig ben in mijn gebeden nacht en dag;
5 Aldus kan dit ook overgezet worden, uit vergelijking van deze plaats met Rom. 1:8, 9, 10: Ik dank God voor u. En God is mijn Getuige, Dien ik dien, enz., hoe ik zonder ophouden uwer gedachtig ben, enz. Of deze woorden ik dank God kunnen gevoegd worden bij het volgende vijfde vers. verwijsteksten
b Hand. 22:3. Rom. 1:9. verwijsteksten
6 Dat is, naar het voorbeeld der heilige patriarchen, profeten en gelovige Joden in het Oude Testament, van welke ik afkomstig ben. Zie Hand. 22:3. 2 Kor. 11:22. Filipp. 3:5. verwijsteksten
7 Dat is, gereinigd zijnde door den Heiligen Geest en het bloed van Jezus Christus, Hebr. 9:14; 10:22. Hetwelk moet verstaan worden van den tijd zijner bekering; hoewel hem enigszins een goede consciëntie kan toegeschreven worden voor zijn bekering, om de redenen verklaard Hand. 23:1. verwijsteksten
c 1 Thess. 1:2; 3:10. verwijsteksten
 
4 Zeer begerig zijnde om u te zien, als ik gedenk aan uw 8tranen, opdat ik moge 9met blijdschap vervuld worden;
8 Namelijk die gij om mijnentwil dikwijls gestort hebt, horende van mijn verdrukkingen, en voornamelijk als gij van mij scheiddet. Zie Hand. 20:37, 38. verwijsteksten
9 Namelijk als ik u weder zal mogen zien.
 
5 10Als ik mij in gedachtenis breng het 11ongeveinsd geloof dat in u is, hetwelk eerst 12gewoond heeft in uw 13grootmoeder Loïs en uw moeder 14Euníce; en 15ik ben verzekerd dat het ook in u woont.
10 Gr. Gedachtenis nemende van uw geloof.
11 Dit wist de apostel uit menigvuldige ervaring zijner oprechtheid.
12 Dat is, altijd en geduriglijk in haar is geweest, en gelijk als een vaste woonstede in haar hart genomen had.
13 Namelijk vanwege uw moeder. Want zijn vader was van Griekse of heidense afkomst en religie. Zie Hand. 16:1. verwijsteksten
14 Die een gelovige Joodse vrouw wordt genaamd, Hand. 16:1. verwijsteksten
15 Namelijk door al de overvloedige betoningen van de oprechtheid uws geloofs, die niet toelaten enigszins daaraan te twijfelen.
 
6 Om welke oorzaak ik u indachtig maak, dat gij 16opwekt 17de gave Gods, d18die in u is door de oplegging 19mijner handen.
16 Het Griekse woord anazopyrein, hetwelk de apostel hier gebruikt, betekent eigenlijk een klein vuur, dat bijna uitgegaan is of onder de as bedekt, door blazen wederom levendig en brandende maken. Een zeer bekwame gelijkenis, waardoor aangewezen wordt, dat alzo ook de gaven des Heiligen Geestes door bidden, aanhouden in het lezen, en vlijtige bediening onzer beroeping, vermeerderd en als brandende gemaakt worden.
17 Zie 1 Tim. 4:14. verwijsteksten
d Hand. 6:6; 8:17; 13:3; 19:6. 1 Tim. 4:14; 5:22. verwijsteksten
18 Dat is, die ik met deze ceremonie van de oplegging der handen te kennen heb gegeven, door de werking des Heiligen Geestes in u te zijn; en die, door de krachtige gebeden der gemeente bij deze ceremonie gevoegd, van God in u nog zullen vermeerderd worden.
19 In den eersten zendbrief, 1 Tim. 4:14, zegt de apostel van de ouderlingschap; hetwelk beide waar is, alzo de apostel Paulus hem de handen heeft opgelegd in tegenwoordigheid en uit den naam van de ganse vergadering der ouderlingen, als zijnde de voornaamste onder dezelve en bovendien een apostel. verwijsteksten
 
7 eWant God heeft ons niet gegeven 20een geest der vreesachtigheid, maar 21der kracht en der liefde en 22der gematigdheid.
e Rom. 8:15. verwijsteksten
20 Dat is, een beweging van het hart en van het gemoed, die, als zij kwaad is, van den bozen, en als zij goed is, van den Heiligen Geest in de mensen gewrocht wordt, en daarvan geest genaamd wordt.
21 Dat is, der sterkte en kloekmoedigheid des harten in het bedienen van ons ambt, midden onder alle vijanden, gevaren en verdrukkingen.
22 Gr. sophronismou, waardoor eigenlijk verstaan wordt een gematigd of gezond verstand, hetwelk bij de kloekmoedigheid moet gevoegd worden, opdat dezelve niet in roekeloosheid, tieren, razen en onbescheidenheid verandere.
 
8 fSchaam u dan niet voor 23de getuigenis onzes Heeren, noch voor mij, gdie 24Zijn gevangene ben; maar lijd 25verdrukkingen met het Evangelie 26naar de kracht Gods;
f Rom. 1:16. verwijsteksten
23 Dat is, de leer des Evangelies, in welke getuigd wordt wie onze Heere en Zaligmaker is, en hoe de Heere Zijn macht, wijsheid, rechtvaardigheid en barmhartigheid aan de mensen betoont. Zie Ps. 19:8; 119:2. 1 Kor. 1:6; 2:1. verwijsteksten
g Hand. 21:33. Ef. 3:1; 4:1. Kol. 4:18. Filem. vss. 1, 9, 13. verwijsteksten
24 Dat is, om Zijnentwil gevangen.
25 Dat is, aan welke het Evangelie zelf, en om des Evangelies wil onderworpen zijn al degenen die hetzelve prediken, aannemen en belijden, 2 Tim. 3:12. verwijsteksten
26 Dat is, naar dat u God sterkte verleent om die verdrukkingen lijdzamelijk en standvastelijk te verdragen. Dit doet hij daarbij opdat wij zulks aan onze eigen krachten niet toeschrijven. Zie Filipp. 1:29. 1 Tim. 1:12. verwijsteksten
 
9 hDie ons heeft 27zalig gemaakt, en 28geroepen 29met een heilige roeping, 30niet naar onze werken, 31maar naar Zijn eigen voornemen en 32genade, 33die ons gegeven is 34in Christus Jezus 35vóór de tijden der eeuwen,
h Ef. 1:3. Tit. 3:4, 5, 6. verwijsteksten
27 Namelijk door Zijn Zoon Jezus Christus.
28 Namelijk uiterlijk door de prediking des Evangelies, en inwendiglijk door de krachtige werking Zijns Geestes.
29 Dat is, die in zichzelve heilig is, en die ons roept tot heiligheid, Luk. 1:75. Ef. 1:4. Kol. 1:22. verwijsteksten
30 Namelijk die als een voorgaande of voorgeziene oorzaak deze roeping zouden verdienen, of God daartoe zouden hebben bewogen. Zie Rom. 9:11. Ef. 2:9. Tit. 3:5. verwijsteksten
31 Dat is, naar dat het Hem beliefd en behaagd heeft van eeuwigheid, bij Zichzelven, over ons te besluiten. Zie Rom. 8:28; 9:11. Ef. 1:11; 3:11. verwijsteksten
32 Dat is, genadig voornemen, welks enige en eerste bewegende oorzaak is de onverdiende genade en barmhartigheid Gods, Rom. 6:23; 11:5, 6. Gal. 1:15. Ef. 1:6. Tit. 3:7. verwijsteksten
33 Dat is, die God in Zijn raad voorgenomen en besloten heeft ons te geven. Zie dergelijke Joh. 17:24. Want deze genade is ons metterdaad niet van eeuwigheid, maar in den tijd gegeven, wanneer wij dadelijk geroepen worden; maar wordt alzo gezegd, omdat dit dadelijke geven geschiedt naar dat eeuwig voornemen Gods, hetwelk zo vaststaat alsof het alrede volbracht ware. verwijsteksten
34 Dat is, om derzelver vruchten door Jezus Christus te verkrijgen. Zie verder Ef. 1:4. verwijsteksten
35 Dat is, van eeuwigheid, of gelijk hij elders spreekt, voor de grondlegging der wereld, Ef. 1:4. verwijsteksten
 
10 iDoch nu geopenbaard is door 36de verschijning van onzen Zaligmaker Jezus Christus, kDie 37den dood heeft 38tenietgedaan, en 39het leven en de onverderfelijkheid 40aan het licht gebracht door het Evangelie;
i Rom. 16:25. Ef. 1:9; 3:9. Kol. 1:26. Tit. 1:2. 1 Petr. 1:20. verwijsteksten
36 Namelijk in het vlees, in Zijn eerste komst.
k Jes. 25:8. Hebr. 2:14. verwijsteksten
37 Namelijk den eeuwigen dood.
38 Namelijk door Zijn dood, Hebr. 2:14. Versta ten aanzien van de gelovigen, die door Hem van denzelven verlost en bevrijd zijn. Want op de ongelovigen blijft de toorn Gods, Joh. 3:36. verwijsteksten
39 Namelijk het eeuwige leven, gelijk het volgende woord onverderfelijkheid, tot verklaring bijgevoegd, uitwijst.
40 Dat is, teweeg heeft gebracht door Zijn verdiensten, en tevoorschijn gebracht of bekendgemaakt door de predicatie des Evangelies.
 
11 l41Waartoe ik 42gesteld ben een prediker en een apostel en een leraar der heidenen;
l Hand. 9:15; 13:2; 22:21. Gal. 1:15; 2:8. Ef. 3:8. 1 Tim. 2:7. verwijsteksten
41 Dat is, om welk Evangelie te prediken, voornamelijk onder de heidenen.
42 Namelijk van God, Die mij daartoe afgezonderd, beroepen en verordineerd heeft. Zie Hand. 13:2. Rom. 1:1. Gal. 1:1. verwijsteksten
 
12 Om welke oorzaak ik ook 43deze dingen lijd, maar ik word 44niet beschaamd; want ik weet 45Wien ik geloofd heb, en ik ben verzekerd dat Hij 46machtig is 47mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot 48dien dag.
43 Dat is, deze verdrukkingen en banden.
44 Of: ik schaam mij daarover niet.
45 Dat is, op Wiens toezeggingen ik vertrouwd heb.
46 Dat is, dat Hij niet alleen den wil heeft, hetwelk uit Zijn toezeggingen blijkt, maar ook de macht om die te volbrengen.
47 Dat is, de eeuwige gelukzaligheid en heerlijkheid, die God Zijn kinderen en getrouwen dienaren beloofd heeft, en van Hem in den hemel als een toevertrouwd pand voor hen weggelegd is, en getrouwelijk bewaard wordt.
48 Namelijk der toekomst van Christus ten oordeel, wanneer Hij hetzelve hun zal geven om metterdaad en eeuwiglijk te bezitten.
 
13 m49Houd het voorbeeld der gezonde woorden, die gij van mij gehoord hebt, 50in geloof en liefde 51die in Christus Jezus is.
m 2 Tim. 3:14. verwijsteksten
49 Dat is, houd altijd in uw zin een kort begrip der gezonde leer, waarin de voornaamste hoofdstukken derzelve in het kort gelijk als ontworpen en afgebeeld zijn, waarnaar gij uw leringen moogt richten. Of, gelijk sommigen uitleggen: laat de gezonde woorden, dat is, de gezonde leer, die gij van mij gehoord hebt, en de manier die ik in het leren houd, u een voorschrift zijn, hetwelk gij in het leren volgt.
50 Dit zijn twee hoofdstukken, waartoe al de artikelen of stukken der gezonde leer gebracht kunnen worden, en waarin dezelve begrepen zijn. Zie Tit. 3:8. verwijsteksten
51 Dat is, welk geloof Christus Jezus tot een fundament heeft, en welke liefde om Christus’ wil betoond moet worden. Zie 1 Tim. 1:14. verwijsteksten
 
14 Bewaar 52het goede pand 53dat u toebetrouwd is, 54door den Heiligen Geest, 55Die in ons woont.
52 Namelijk der gezonde leer. Zie 1 Tim. 6:20. verwijsteksten
53 Namelijk van God, om wel te bewaren, en anderen zuiverlijk en getrouwelijk mede te delen.
54 Dit doet hij daarbij, opdat Timotheüs deze bewaring niet aan zichzelven of aan zijn krachten zou toeschrijven, alzo dit in ons een werk en gave des Heiligen Geestes is, Rom. 15:13. 1 Kor. 12:3. verwijsteksten
55 Zie Rom. 8:9, 11. 1 Kor. 3:16. verwijsteksten
 
De trouw van Onesíforus
15 Gij weet dit, ndat 56allen die in Azië zijn, zich van mij 57afgewend hebben, onder dewelke is Fygellus en Hermógenes.
n Hand. 19:10. verwijsteksten
56 Dat is, meest alle dienaars des Evangelies, die óf van Azië zijn, óf nu in Azië te Efeze en elders zich onthouden. Zie de aantt. op Hand. 20:4. verwijsteksten
57 Dat is, verlaten hebben, zonder mij in mijn dienst of verantwoording bij te staan. Dergelijke klacht zie 2 Tim. 4:10, 16. verwijsteksten
 
16 De Heere geve 58het huis van oOnesíforus 59barmhartigheid; want hij heeft mij dikmaals 60verkwikt, en heeft zich 61mijner keten niet geschaamd;
58 Dat is, het ganse huisgezin, hetwelk des huisvaders goede voorbeeld in Paulus te verkwikken, zonder twijfel nagevolgd heeft.
o 2 Tim. 4:19. verwijsteksten
59 Dat is, alle goeds naar lichaam en ziel, hetwelk zo genaamd wordt, omdat God den mensen hetzelve niet uit verdiensten, maar uit genadige ontferming verleent. Zie 1 Tim. 1:2. verwijsteksten
60 Het Griekse woord betekent eigenlijk: heeft mij verkoeling gedaan. Een gelijkenis van degenen die verhit zijnde, door de verkoeling verkwikt worden. Zie Ps. 39:14; 66:12. Hand. 3:19. verwijsteksten
61 Dat is, mijns vernederden staats in mijn gevangenis. Zie van deze keten de aantt. op Hand. 28:16. verwijsteksten
 
17 Maar als hij te Rome gekomen was, heeft hij mij zeer naarstiglijk 62gezocht, en heeft mij gevonden.
62 Namelijk alzo Rome een zeer grote stad was en vol volk uit de gehele wereld.
 
18 De Heere geve hem 63dat hij barmhartigheid vinde 64bij den Heere 65in dien dag; en hoeveel hij mij 66te Éfeze gediend heeft, weet gij 67zeer wel.
63 Zie vers 16. verwijsteksten
64 Dat is, bij Hem Die onze Heere en Rechter is.
65 Namelijk als deze Heere de levenden en doden zal oordelen, en de straffen en de beloningen zal uitdelen.
66 Namelijk boven den dienst dien hij mij daarna hier te Rome heeft bewezen.
67 Gr. beter.

Einde 2 Timotheüs 1