Statenvertaling.nl

sample header image

1 Timotheüs 3 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

1 Timotheüs 3

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

1 De apostel verklaart de eigenschap van het ambt eens leraars. 2 En beschrijft de deugden en hoedanigheden die in hem worden vereist, en de ondeugden waar hij vrij van zijn moet. 8 Dergelijke doet hij ook van de diakenen. 11 En van hun huisvrouwen. 12 Mitsgaders hoe hun huisgezinnen moeten gesteld zijn. 14 Wijst het einde aan waarom hij zulks Timotheüs schrijft. 15 En verklaart de waardigheid van Gods gemeente, als zijnde een pilaar en vastigheid der waarheid. 16 Begrijpt daarna in een samenvatting de voornaamste verborgenheden des geloofs, den Persoon van Christus en Zijn ambt aangaande.
 
Vereisten voor de opzieners en voor de diakenen
1 DIT is een 1getrouw woord: zo iemand tot 2eens opzieners ambt 3lust heeft, die begeert 4een treffelijk 5werk.
1 Of: gewis, geloofwaardig, zeker.
2 Gr. episcopes, waarvan het woord episcopus of bisschop komt; waardoor alle opzieners en leraars der gemeente zonder onderscheid worden verstaan, gelijk hierna uit de volgende beschrijving blijkt, alsook uit de vergelijking van andere plaatsen. Zie Hand. 20:17, 28. Filipp. 1:1. Tit. 1:5, 7, enz. verwijsteksten
3 Of: begerig is. Hij spreekt niet van enigen lust of begeerte van eergierigheid, maar van een toegenegenheid des gemoeds, hetwelk zichzelf door behoorlijke middelen daartoe bereid en gewillig toont; zichzelven evenwel altijd onderwerpende aan het oordeel der gemeente, en een wettig beroep verwachtende.
4 Gr. goed, schoon, eerlijk.
5 Dat is, arbeid of arbeidzaam werk. Het is dan in geen eretitels alleen gelegen, maar gevoegd met arbeid en moeite, waarom Christus die ook werkers of arbeiders noemt, Matth. 9:37, 38; 10:10. verwijsteksten
 
2 aEen opziener dan moet 6onberispelijk zijn, 7éner vrouwe man, 8wakker, matig, 9eerbaar, gaarne herbergende, bbekwaam om te leren;
a Tit. 1:6. verwijsteksten
6 Namelijk ten aanzien van zijn handel en wandel onder de mensen.
7 Niet dat hij noodzakelijk getrouwd moet zijn, alzo Paulus zelf niet getrouwd was, 1 Kor. 7:7, maar omdat hij niet vele vrouwen óf tegelijk, óf de ene na de andere door echtscheiding mocht hebben, gelijk bij de Joden en Grieken en inzonderheid in die oriëntaalse landen zeer lang gebruikelijk is geweest; hetwelk voor een tijd wel in anderen geduld schijnt geweest te zijn, maar in de leraren niet mocht geduld worden. Zie dergelijke wijze van spreken 1 Tim. 5:9. verwijsteksten
8 Of: nuchter.
9 Het Griekse woord kosmios betekent eigenlijk een die in zijn dracht en gehelen wandel eerbaar is, en niets doet dan wat wel schikt of voegt. Zie 1 Tim. 2:9. verwijsteksten
b 2 Tim. 2:24. verwijsteksten
 
3 Niet 10genegen tot den wijn, geen smijter, geen vuilgewinzoeker, maar 11bescheiden, geen vechter, niet geldgierig;
10 Of: zittende bij den wijn, dat is, zich niet begevende tot veel wijn, gelijk hij hierna spreekt, vers 8. verwijsteksten
11 Dat is, die anderen kan wijken en in redelijkheid verdragen, gelijk het Griekse woord medebrengt.
 
4 Die zijn eigen 12huis wel regeert, zijn kinderen in onderdanigheid houdende met alle 13stemmigheid;
12 Dat is, huisgezin, namelijk vrouw, kinderen, dienstboden. Of: zijn huis wel voorstaat.
13 Of: zedigheid, deftigheid, gestadigheid, eerbaarheid. Zie 1 Tim. 2:2. verwijsteksten
 
5 (Want zo iemand zijn eigen huis niet weet te regeren, hoe zal hij voor de gemeente Gods zorg dragen?)
6 Geen 14nieuweling, opdat hij niet 15opgeblazen worde 16en in het oordeel des duivels valle.
14 Gr. neophytos, hetwelk betekent nieuw geplant, dat is, die onlangs tot het geloof of tot de gemeente zich heeft begeven.
15 Namelijk door opinie van grote wijsheid, die hij alrede zou menen te hebben, wanneer hij zo haast tot het leerambt zou zijn bevorderd.
16 Dat is, in zulk oordeel waarin de duivel gevallen is, wanneer hij zich over zijn wijsheid, nu eerst geschapen zijnde, tegen God heeft willen verheffen. Anderen nemen hier het Griekse woord diabolos voor een lasteraar, gelijk het eigenlijk betekent en genomen wordt in ditzelfde hoofdstuk vers 11 en 2 Tim. 3:3, en verklaren het aldus: opdat hij zichzelven verheffende, niet valle in het oordeel of de beschuldiging van den lasteraar, tot kleinering en ergernis van Christus’ gemeente, gelijk in het volgende vers ook wordt gesproken. verwijsteksten
 
7 En hij moet ook een goede getuigenis hebben van degenen 17die buiten zijn, opdat hij niet valle in 18smaadheid en 19in den strik des duivels.
17 Dat is, nog vreemd zijn van de gemeente, gelijk 1 Kor. 5:12. verwijsteksten
18 Of: verachting, namelijk bij degenen waaronder hij tevoren lichtvaardiglijk of onrechtvaardiglijk verkeerd mocht hebben, zo hij met een volgend goed leven, nu gelovig geworden zijnde, hetzelve een tijdlang niet heeft gebeterd en bedekt.
19 Of: strik des lasteraars, gelijk vers 6, waardoor sommigen verstaan enige kleinmoedigheid, die hem daarover zou mogen overkomen, als een strik over zijn ziel; anderen, zulke versmaadheid waardoor hij als met een strik van den duivel zou belet zijn de gemeente in deze zijn beroeping behoorlijk te stichten. verwijsteksten
 
8 cDe 20diakenen insgelijks moeten 21eerbaar zijn, niet 22tweetongig, niet die zich tot veel wijn begeven, geen vuilgewinzoekers;
c Hand. 6:3. verwijsteksten
20 Van de instelling en het bijzondere ambt der diakenen in het bezorgen der armen zie Hand. 6:1, 2, enz. verwijsteksten
21 Of: stemmig, gelijk hiervoor vers 4. verwijsteksten
22 Gr. tweewoordig, dat is, ijdel en ongestadig van woorden.
 
9 d23Houdende 24de verborgenheid des geloofs in 25een reine consciëntie.
d 1 Tim. 1:19. verwijsteksten
23 Gr. Hebbende, dat is, behoudende of bewarende.
24 Dat is, de leer of de belijdenis van de leer des Evangelies, die doorgaans een verborgenheid wordt genaamd, omdat dezelve den mens niet uit de natuur, maar door Gods openbaring bekend is gemaakt. Zie 1 Kor. 2:6, 7. verwijsteksten
25 Dat is, goede of oprechte consciëntie, waarvan zie 1 Tim. 1:19. Want al was het ambt der diakenen niet in de vergaderingen openlijk te leren, zo bracht nochtans hun dienst mede, dat zij met vele soorten van mensen verkeerden, die zij ook moesten onderrichten en troosten, en somwijlen ook wederspreken, gelijk een voorbeeld is in Stefanus, Handelingen 7. Dat Filippus den Moorman onderricht en gedoopt heeft, is door extraordinaire beroeping geschied, als hij nu tot een evangelist was gesteld. Zie Hand. 8:29; 21:8. verwijsteksten
 
10 En dat dezen ook 26eerst beproefd worden, en dat zij daarna dienen, zo zij 27onbestraffelijk zijn.
26 Dit nemen sommigen alzo, alsof er nog enige lagere trap in deze bediening ware geweest, die zij onderdiakenen noemen, waarin zij eerst voor een tijd moesten worden beproefd; doch dat is niet nodig, dewijl dit woord bekwamelijk kan genomen worden van de beproeving van zulke personen aan de regels hier voorgesteld, die door de regeerders der gemeente geschiedt.
27 Gr. onbeschuldiglijk; namelijk in hun handel en wandel geoordeeld en bevonden worden.
 
11 28De vrouwen insgelijks moeten eerbaar zijn, geen lasteraarsters, 29wakker, 30getrouw in alles.
28 Dit moet zowel tot de vrouwen der opzieners als der diakenen gepast worden. Want van de weduwen die diaconessen waren, zal 1 Tim. 5:9 en vervolgens gehandeld worden. verwijsteksten
29 Of: nuchter. Zie vers 2. verwijsteksten
30 Dit schijnt de apostel hier in de huisvrouwen der opzieners en diakenen te vereisen, niet alleen omdat zij haar mannen moeten getrouw zijn, maar omdat haar ook somtijds enige dingen de regering der kerk en de bewaring en uitdeling der aalmoezen aangaande, bekend worden, waarin getrouwheid van node is.
 
12 Dat de diakenen éner vrouwe mannen zijn, die hun kinderen en hun eigen huizen wel regeren.
13 eWant die wel gediend hebben, verkrijgen zichzelven een goeden 31opgang en 32veel vrijmoedigheid in het geloof, hetwelk is in Christus Jezus.
e Matth. 25:21. verwijsteksten
31 Of: trap; waardoor verstaan wordt óf een goede achting en aanzien in Gods gemeente, óf ook een toegang tot meerdere en hogere diensten, namelijk van het ouderlingschap, of van het leerambt, gelijk ook bij de ouden veel gebruikelijk is geweest.
32 Namelijk zo in hun geloof, omdat het met een goede consciëntie vergezelschapt is; alsook in hun doen en spreken voor Gods kerk, omdat zij trouwelijk daarin handelen. Hetwelk de apostel hier schijnt te stellen tegen de lasteringen en strikken des satans, waarvan hij vss. 6, 7 heeft gesproken. verwijsteksten
 
14 Deze dingen schrijf ik u, hopende zeer haast tot u te komen;
15 Maar zo ik vertoef, opdat gij moogt weten hoe men f33in het huis Gods moet verkeren, hetwelk is de gemeente des levenden Gods, 34een pilaar en vastigheid der waarheid.
f 2 Tim. 2:20. verwijsteksten
33 Alzo wordt de gemeente genaamd, omdat God met Zijn Geest en Woord daarin woont. Zie 1 Kor. 3:16. Hebr. 3:4, 5, 6. verwijsteksten
34 Alzo wordt de gemeente Gods genaamd, omdat God in Zijn gemeente de waarheid bevestigt, en door haar aan anderen openlijk bekendmaakt, gelijk de overheid haar plakkaten en wetten aan pilaren of andere vastigheden pleegt aan te slaan en te hechten om allen bekend te worden. Hier wordt dienvolgens verklaard het ambt en de schuldige plicht der gemeente te zijn, dezelve waarheid te verbreiden en tegen alle dwalingen te bevestigen. Wanneer zij dit niet doet, zo valt zij lichtelijk in scheuringen en dolingen. Zie Mal. 2:5, enz. Gelijk Paulus ook dezelve gemeente van Efeze, waar Timotheüs toen was, als blijkt 1 Tim. 1:3, hiertegen waarschuwt, Hand. 20:28, enz., en Christus Zelf Openb. 2:1, enz. Anderen voegen deze woorden bij het volgende vers. verwijsteksten
 
16 En buiten allen twijfel, 35de verborgenheid der godzaligheid is groot: g36God is 37geopenbaard 38in het vlees, is 39gerechtvaardigd 40in den Geest, is gezien 41van de engelen, his gepredikt onder de heidenen, is geloofd 42in de wereld, iis 43opgenomen in heerlijkheid.
35 Alzo noemt de apostel de leer des Evangelies, gelijk hiervoor, vers 9, de verborgenheid des geloofs, waarvan hij een korte samenvatting in de volgende woorden voorstelt. verwijsteksten
g Joh. 1:14. verwijsteksten
36 Dat is, de eeuwige Zone Gods, gelijk dit woord God ook voor God den Zoon genomen wordt, Joh. 1:1. Hand. 20:28. Rom. 9:5. 1 Joh. 5:20, en elders meer. verwijsteksten
37 Dat is, is Mens geworden, en heeft door woorden en werken Zijn Godheid bekendgemaakt. Zie Luk. 24:19. Joh. 1:14. verwijsteksten
38 Dat is, in de menselijke natuur, die van Hem in enigheid des Persoons is aangenomen, gelijk Joh. 1:14. Rom. 1:3. Hebr. 2:14. verwijsteksten
39 Voor onschuldig en rechtvaardig erkend, gelijk Matth. 11:19. Luk. 7:29. Rom. 3:4. verwijsteksten
40 Of: door den Geest. Hetwelk te verstaan is van de Goddelijke natuur van Christus, door welke Hij Zichzelven uit de doden heeft verwekt, en dienvolgens ook bewezen rechtvaardig en onschuldig te zijn, hoewel Hij van de Joden en heidenen voor schuldig was veroordeeld. Enigen nemen het voor de gaven des Heiligen Geestes, die Hij na Zijn verrijzenis op Zijn discipelen en andere gelovigen heeft uitgestort. Maar dit komt met Paulus’ doel niet overeen, alzo deze gaven des Heiligen Geestes eerst na Christus’ verheerlijking zijn gegeven, waarvan hij in het laatste lid spreekt; het eerste wordt ook met dergelijke wijze van spreken bevestigd, Rom. 1:4. 1 Petr. 3:18. verwijsteksten
41 Namelijk als Zijn dienaars en boden, zo in Zijn geboorte, Luk. 2:13, als in Zijn verzoeking, Matth. 4:11, en in Zijn lijden, Luk. 22:43, en in Zijn opstanding en hemelvaart, Luk. 24:4. Hand. 1:10. verwijsteksten
h Ef. 3:5, 6. verwijsteksten
42 Dat is, onder alle volken der wereld, zowel heidenen als Joden, Rom. 10:18. Kol. 1:6. verwijsteksten
i Mark. 16:19. Luk. 9:51. Hand. 1:2. verwijsteksten
43 Namelijk ter rechterhand Zijns Vaders, vanwaar Hij de gaven Zijns Geestes in Zijn gemeente heeft uitgestort, en door krachten en wonderheden Zijn heerlijkheid heeft betoond, Mark. 16:19, 20. Hand. 1:2, 8; 2:33, enz. verwijsteksten

Einde 1 Timotheüs 3