Statenvertaling.nl

sample header image

Kolossenzen 4 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Kolossenzen 4

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

1 De apostel vermaant de heren tot billijkheid jegens hun dienstknechten. 2 En een ieder tot aanhouden in het gebed. 3 En bijzonderlijk voor hem, opdat hij door zijn banden in het werk des Evangelies niet zou worden verhinderd. 5 Vermaant hen wijselijk te wandelen en te spreken onder degenen die buiten zijn. 7 Betuigt dat hij hun Tychikus en Onesimus zendt om hen te vertroosten en van al zijn zaken te onderrichten. 10 Groet hen vanwege Aristarchus en verscheidene anderen, welker ijver voor hen hij prijst. 15 Beveelt dat zij de broederen in Laodicea zullen groeten en hun dezen brief ook laten lezen. 17 En Archippus zeggen dat hij zijn dienst vervulle. 18 En besluit alzo dezen brief met zijn groet.
 
1 GIJa heren, doet uw dienstknechten 1recht en gelijk, wetende dat ook gij een Heere hebt in de hemelen.a Ef. 6:9. verwijsteksten
1 Gr. het recht en de gelijkheid. Door het eerste woord kan bekwamelijk verstaan worden hetgeen de heren volgens de wetten des lands schuldig zijn te doen aan hun dienstknechten; door het andere, hetgeen de billijkheid en christelijke mededogendheid daarbij nog vereist.
 
Opwekking tot gebed en wijsheid
2 b2Houdt sterk aan in het gebed, en 3waakt in hetzelve met dankzegging;b Luk. 18:1. Rom. 12:12. Ef. 6:18. 1 Thess. 5:17. verwijsteksten
2 Of: Zijt gedurig. Want het Griekse woord betekent beide, namelijk met ijver en gedurigheid in den gebede aanhouden. Zie Luk. 18:1. Ef. 6:18. verwijsteksten
3 Dat is, zijt zorgvuldig en aandachtig, opdat niet alleen de mond, maar ook het hart en verstand wakker zij in het bidden. Zie Mark. 13:33, enz. Openb. 3:2, enz. verwijsteksten
3 Biddende meteen ook voor ons, dat God ons 4de deur des Woords opene, com te spreken 5de verborgenheid van Christus, om welke ik ook 6gebonden ben,4 Dat is, goede gelegenheid en vrijmoedigheid verlene om het woord des Evangelies te mogen verbreiden, gelijk 1 Kor. 16:9. 2 Kor. 2:12. verwijsteksten
c Ef. 6:19. 2 Thess. 3:1. verwijsteksten
5 Dat is, het Evangelie, of de leer van Christus. Waarom hetzelve een verborgenheid genaamd wordt, zie Ef. 1:9. Kol. 2:2. verwijsteksten
6 Dat is, gevangen. Zie van de wijze dezer gevangenis Hand. 28:16. verwijsteksten
4 Opdat ik dezelve moge openbaren, gelijk 7ik moet spreken.7 Namelijk uit kracht mijner beroeping, Rom. 1:14. 1 Kor. 9:16. verwijsteksten
5 dWandelt 8met wijsheid bij degenen 9die buiten zijn, eden bekwamen tijd 10uitkopende.d Ef. 5:15. verwijsteksten
8 Gr. in wijsheid, dat is, wijselijk, voorzichtiglijk, dat is, alzo dat gij uzelven zonder nood in geen gevaar brengt, en dat gij hun zonden, afgoderijen of valse leringen niet toegeeft, maar hen bij elke gelegenheid zoekt te winnen.
9 Dat is, nog vreemd zijn van het geloof, of de gemeente Gods, die het huis Gods is. Zie dergelijke 1 Kor. 5:12, 13. verwijsteksten
e Ef. 5:16. verwijsteksten
10 Van deze wijze van spreken zie de aant. op Ef. 5:16. verwijsteksten
6 fUw woord zij allen tijd in aangenaamheid, 11met zout besprengd, opdat gij moogt weten hoe gij 12een iegelijk moet antwoorden.f Mark. 9:50. verwijsteksten
11 Gr. gekonfijt, dat is, alzo toebereid tot aangenaamheid dergenen waarbij gij verkeert, dat intussen alle vuile, verdervende en onstichtelijke redenen daaruit zijn geweerd, gelijk door het zout de spijze smakelijk wordt gemaakt, en uit dezelve alle verderving wordt gehouden. Zie 1 Kor. 15:33. Ef. 4:29. verwijsteksten
12 Namelijk hetzij dezelve buiten of binnen de gemeente zij; hetzij om rekenschap te geven van uw geloof, 1 Petr. 3:15, hetzij om elkander te vertroosten of te vermanen, 1 Thess. 5:11. verwijsteksten
 
Groeten en zegenbede
7 13Al mijn zaken zal u bekendmaken gTýchikus, de geliefde broeder en getrouwe dienaar en mededienstknecht in den Heere,13 Of: De dingen die mij aangaan, namelijk van mijn gelegenheid in deze gevangenis, en wat ik hier doe.
g Hand. 20:4. Ef. 6:21. 2 Tim. 4:12. verwijsteksten
8 Denwelken ik tot hetzelve einde tot u gezonden heb, opdat hij 14uw zaken wete en uw harten 15vertrooste;14 Dat is, den staat waarin uw gemeente is.
15 Namelijk zo met zijn gaven, alsook door het verhaal van de vrijheid die ik hier heb om het Evangelie te verbreiden in mijn banden, en den voortgang van hetzelve. Zie Hand. 28:30. Filipp. 1:12. verwijsteksten
9 Met hOnésimus, den getrouwen en geliefden broeder, dewelke 16uit de uwen is. Zij zullen u alles bekendmaken wat hier is.h Filem. vs. 10. verwijsteksten
16 Dat is, niet alleen uit uw stads- en landslieden, maar ook een bedienaar uwer gemeente, gelijk dergelijke wijze van spreken hierna vers 12 te zien is. verwijsteksten
10 17U groet i18Aristárchus, mijn medegevangene, en k19Markus, 20de neef van Bárnabas, aangaande welken gij bevelen ontvangen hebt; zo hij tot u komt, 21ontvangt hem;17 Groeten is eigenlijk iemand vrede, geluk en zaligheid toewensen. Zie Luk. 10:5. verwijsteksten
i Hand. 27:2. verwijsteksten
18 Deze is een vermaard discipel geweest, geboren uit Macedonië, een gedurige metgezel van Paulus, die hem ook tot Rome toe in zijn banden was gevolgd. Zie Hand. 19:29; 20:4; 27:2. verwijsteksten
k Hand. 15:37. 2 Tim. 4:11. verwijsteksten
19 Die ook Johannes genaamd wordt, wiens moeder Maria een zeer godzalige vrouw was, in wier huis de vergaderingen der apostelen en der andere gelovigen veeltijds gehouden werden, Hand. 12:12, die wel met Barnabas van Paulus is gescheiden, Hand. 15:38, maar evenwel in den dienst des Evangelies volstandig gebleven, en weder tot Paulus is gekeerd, gelijk hier blijkt en 2 Tim. 4:11, hoewel hij daarna zich bij Petrus heeft begeven, 1 Petr. 5:13, in wiens gezelschap hij zijn Evangelie heeft beschreven, gelijk enige oude leraars getuigen. verwijsteksten
20 Dat is, broeders- of zusterszoon.
21 Namelijk met alle eer en vriendelijkheid; hetwelk Paulus daarbij doet om hem zijn aanzien bij deze gemeenten te vermeerderen.
11 En Jezus, gezegd 22Justus, 23welke uit de besnijdenis zijn; 24dezen alleen zijn mijn medearbeiders 25in het Koninkrijk Gods, die mij een vertroosting geweest zijn.22 Van dezen zie Hand. 18:7. verwijsteksten
23 Dat is, uit de Joden.
24 Namelijk uit de Joden; want uit de Grieken waren er veel meer, gelijk uit deze groetenis zelve blijkt, maar uit de Joden waren er velen die Paulus wederstonden, Hand. 28:24, enz. verwijsteksten
25 Dat is, in den dienst des Evangelies, waardoor het Rijk Gods, zo der genade als der heerlijkheid, van de profeten beloofd onder den Messias, wordt bevorderd. Zie Matth. 4:23. Mark. 4:11. verwijsteksten
12 U groet lÉpafras, die 26uit de uwen is, een dienstknecht van Christus, allen tijd 27strijdende voor u in de gebeden, opdat gij staan moogt 28volmaakt en 29volkomen in al den wil Gods.l Kol. 1:7. Filem. vs. 23. verwijsteksten
26 Gelijk hiervoor vers 9. verwijsteksten
27 Dat is, met groten ijver en gedurigheid aanhoudende.
28 Dat is, volmaaktelijk onderwezen; dit wordt gesteld tegen degenen die nog kinderen of nieuwelingen waren in de leer, gelijk 1 Kor. 2:6; 14:20. Filipp. 3:12. verwijsteksten
29 Gr. vervuld.
13 Want ik geef hem getuigenis, dat hij groten ijver heeft over u en degenen die in 30Laodicéa zijn en degenen die in Hiërápolis zijn.30 Deze twee vermaarde steden waren niet ver van hen gelegen, gelijk aangetekend is Kol. 1:2. verwijsteksten
14 U groet m31Lukas, 32de medicijnmeester, de geliefde, en n33Démas.m 2 Tim. 4:11. verwijsteksten
31 Deze is de evangelist Lukas, die zijn Evangelie door den Heiligen Geest heeft beschreven, en een gedurige metgezel van Paulus in zijn reizen ook tot Rome toe in zijn gevangenis is geweest. Zie Hand. 27:1; 28:14. verwijsteksten
32 Namelijk van beroep of professie, gelijk Mattheüs een tollenaar genaamd wordt ook na zijn bekering en beroeping tot het apostelschap, Matth. 10:3. verwijsteksten
n 2 Tim. 4:10. verwijsteksten
33 Deze is wel een medearbeider van Paulus in zijn gevangenis voor een tijd geweest, Filem. vs. 24, maar heeft hem daarna schandelijk verlaten, 2 Tim. 4:10. verwijsteksten
15 Groet de broederen die in Laodicéa zijn, en Nymfas, en de gemeente 34die in zijn huis is.34 Dit kan verstaan worden óf van de gemeente die in het huis van dezen man haar vergadering hield, óf ook van zijn huisgezin, dat als een kleine gemeente in zijn huis was, en in zeer christelijke orde van hem werd gehouden, gelijk van het huis van Aquila en Priscilla gezegd wordt, Rom. 16:5. 1 Kor. 16:19. verwijsteksten
16 En wanneer deze zendbrief van u zal gelezen zijn, maakt dat hij ook 35in de gemeente der Laodicenzen gelezen wordt, en dat ook gij dien leest die 36uit Laodicéa geschreven is.35 Dat wil hij niet alleen omdat dit een vermaarde gemeente in dat landschap was, maar ook omdat sommigen dezelfde dwalingen aldaar ook zochten in te voeren waarvoor Paulus in de eerste twee hoofdstukken van dezen zendbrief de Kolossenzen heeft gewaarschuwd.
36 De apostel spreekt hier niet van een brief dien hij aan de Laodicenzen zou geschreven hebben, gelijk sommigen gemeend hebben en een brief hebben verzonnen, die in sommige Latijnse en ook Nederlandse Testamenten wordt gevonden, doch altijd voor apocrief gehouden; maar van een brief die uit Laodicea geschreven is, waardoor sommigen verstaan den eersten zendbrief van Paulus aan Timotheüs, omdat in het onderschrift staat dat dezelve van Laodicea geschreven zou zijn, doch bij merkelijken misslag dergenen die deze onderschriften bij de brieven van Paulus hebben gesteld, alzo het blijkt Kol. 2:1, dat de gemeenten van Kolosse en Laodicea het aangezicht van Paulus nooit gezien hadden; maar het is waarschijnlijkst dat Paulus spreekt van een brief dien hij uit Laodicea had ontvangen, óf van de gemeente zelve, óf van enige apostolische mannen aldaar, in welken brief van deze dwalingen, of van de auteurs derzelve, nadere verklaring werd gedaan, die den Kolossenzen ook tot nadere waarschuwing en onderrichting mocht dienen, wanneer dezelve met dezen brief van Paulus zou worden vergeleken. verwijsteksten
17 En zegt tot 37Archippus: Zie op de bediening die gij aangenomen hebt 38in den Heere, dat gij die 39vervult.37 Deze schijnt de mededienaar van Epafras in deze gemeente geweest te zijn, die na het vertrek van Epafras in zijn ijver en dienst was verslapt, waarom hem de apostel deze vermaning wil hebben gedaan.
38 Dat is, door den Heere, of: van Zijnentwege; want het is ook de Heere Zelf, Die arbeiders in Zijn oogst uitzendt, al is het dat zij merendeels door de gemeenten beroepen worden. Zie Matth. 9:38. Hand. 20:28. verwijsteksten
39 Dat is, ten volle of behoorlijk bedient, niet tevreden zijnde met den titel alleen, maar het werk van dien getrouwelijk uitvoerende. Zie dergelijke 2 Tim. 4:5. verwijsteksten
18 oDe groetenis 40met mijn hand, van Paulus. pGedenkt mijn banden. 41De genade zij met u. 42Amen.

Aan de Kolossenzen geschreven van Rome en gezonden door Tychikus en Onesimus.
o 2 Thess. 3:17. verwijsteksten
40 Hierdoor verstaat hij de woorden van den volgende groet van genade, dien hij met zijn eigen hand onder al zijn brieven placht te schrijven, hoewel hij de hand van anderen in het uitschrijven der brieven dikmaals gebruikte, gelijk hij zelf betuigt 2 Thess. 3:17. Zie voorts de aant. op 1 Kor. 16:21. verwijsteksten
p Hebr. 13:3. verwijsteksten
41 Dat is, de bijzondere gunst Gods in Christus jegens ons, met al de weldaden die daaruit vloeien.
42 Zie van dit woord de aantt. op Matth. 6:13; 28:20. verwijsteksten

Einde Kolossenzen 4