Statenvertaling.nl

sample header image

Deuteronomium 9 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Deuteronomium 9

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Getrouwe waarschuwingen aan Israël, dat zij hun vijanden overwonnen hebbende en in het beloofde land gebracht zijnde, geenszins moesten denken dat God zulks om hun gerechtigheid gedaan had, maar om de boosheid der inwoners te straffen en Zijn genadige verbondsbeloften aan Israël te volbrengen, vs. 1, enz. Hetwelk Mozes bewijst met een lang verhaal van Israëls wederspannigheid en gruwelijke zonden, begaan aan Horeb, 7. Te Tabera, Massa, Kibroth-Taäva, 22. Alsook te Kades-Barnea, 23. Waarbij Mozes verhaalt hoezeer hij om hunner zonden wil is ontsteld geweest, en wat voorbiddingen hij heeft moeten doen om Gods toorn te stillen, 25.
 
Waarschuwing tegen eigengerechtigheid
1 HOOR, Israël, gij zult 1heden over de Jordaan gaan, dat gij inkomt om 2volken te erven die groter en sterker zijn dan gij; steden die groot en tot 3in den hemel gesterkt zijn;
1 Dat is, weldra, binnen korten tijd.
2 Dat is, landen der volken die, enz. Want die volken moesten zij uitroeien naar Gods bevel.
3 Zie Deut. 1 op vers 28. verwijsteksten
 
2 Een groot en lang volk, kinderen der 4Enakieten, die gij kent en van welke gij agehoord hebt: 5Wie zou bestaan voor het aangezicht der kinderen van Enak?
4 Als Deut. 1:28; 2:10, 11. verwijsteksten
a Num. 13:32, 33. verwijsteksten
5 Een gewoon spreekwoord ten tijde als deze reuzen floreerden.
 
3 Zo zult gij heden weten, dat de HEERE uw God Degene is Die voor uw aangezicht doorgaat, een b6verterend Vuur: Die zal hen verdelgen en Die zal hen voor uw aangezicht nederwerpen; en gij zult hen uit de bezitting verdrijven en zult hen haastelijk tenietdoen, gelijk als de HEERE tot u gesproken heeft.
b Deut. 4:24. Hebr. 12:29. verwijsteksten
6 Zie Deut. 4 op vers 24. verwijsteksten
 
4 Wanneer hen nu de HEERE uw God voor uw aangezicht zal hebben uitgestoten, zo 7spreek niet in uw hart, zeggende: De HEERE heeft mij om mijn gerechtigheid ingebracht om dit land te erven. Want om de goddeloosheid dezer volken verdrijft hen de HEERE voor uw aangezicht uit de bezitting.
7 Zie Deut. 7 op vers 17. verwijsteksten
 
5 Niet om 8uw gerechtigheid, noch om de oprechtheid uws harten komt gij henen in om hun land te erven; maar om de goddeloosheid dezer volken verdrijft hen de HEERE uw God voor uw aangezicht uit de bezitting, en om het woord te bevestigen, dat de HEERE uw God uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, cgezworen heeft.
8 Want gij, wil de HEERE zeggen, hebt geen gerechtigheid bij uzelven, maar het tegendeel. Zie vss. 6, 7, enz. Een gelijke manier van spreken gebruikt de apostel Tit. 3:5 en elders dikwijls in het verhaal van de oorzaken der zaligheid, dat is, onzer verlossing en bezitting van het hemels Kanaän, als hij zegt: Niet uit de werken, niet uit de rechtvaardige werken, die wij zouden gedaan hebben, enz. verwijsteksten
c Gen. 12:7; 13:15; 15:7; 17:8; 26:4; 28:13. verwijsteksten
 
6 Weet dan dat u de HEERE uw God niet om uw gerechtigheid ditzelve goede land geeft om dat te erven; want gij zijt een 9hardnekkig volk.
9 Zie Ex. 32:9. verwijsteksten
 
7 Gedenk, vergeet niet, dat gij den HEERE uw God in de woestijn dzeer vertoornd hebt; van dien dag af dat gij uit Egypteland uitgegaan zijt, totdat gij kwaamt aan deze plaats, zijt gijlieden wederspannig geweest tegen den HEERE.
d Ex. 14:11; 16:2; 17:2. Num. 11:4. verwijsteksten
 
8 10eWant aan Horeb vertoorndet gij den HEERE zeer, dat Hij Zich tegen u vertoornde om u te verdelgen.
10 Dit volgende verhaal dient tot bewijs van het 5de en 6de vers, waar Mozes zeide dat God hen niet om hun gerechtigheid in het land Kanaän brengen zou.
e Ex. 32:4. Ps. 106:19. verwijsteksten
 
9 Als ik op den berg geklommen was, om te ontvangen de stenen tafelen, de tafelen des 11verbonds dat de HEERE met ulieden 12gemaakt had, toen fbleef ik veertig dagen en veertig nachten op den berg, 13at geen brood en dronk geen water.
11 Dat is, op dewelke de tien geboden geschreven waren, die het verbond van de wet Gods vervatten; alzo vers 10, enz. verwijsteksten
12 Zie Gen. 15 op vers 18. verwijsteksten
f Ex. 24:18; 34:28. verwijsteksten
13 Dat is, ik nuttigde noch spijze noch drank. Alzo vers 18. 1 Kon. 13:8, 9, 16. 2 Kon. 6:22. verwijsteksten
 
10 En de HEERE gaf mij de twee stenen tafelen, gmet 14Gods vinger beschreven; en 15op dezelve naar al de woorden die de HEERE op den berg uit het midden des vuurs 16ten dage der verzameling met ulieden gesproken had.
g Ex. 31:18. verwijsteksten
14 Dat is, met Zijn vinger. Zie de geestelijke beduiding hiervan 2 Kor. 3:3, 7 en vgl. Jer. 31:33. verwijsteksten
15 Te weten, was geschreven.
16 Als Israël onder aan den voet van den berg stond om des HEEREN geboden aan te horen.
 
11 Zo geschiedde het ten einde van veertig dagen en veertig nachten, als mij de HEERE de twee stenen tafelen, de tafelen des verbonds, gaf,
12 Dat de HEERE tot mij zeide: Sta op, ga haastelijk af vanhier, want uw volk dat gij uit Egypte hebt uitgevoerd, heeft 17het verdorven; zij zijn haastelijk afgeweken van den 18weg dien Ik hun geboden had; zij hebben zich een gegoten beeld gemaakt.
17 Of: zich verdorven. Zie Ex. 32:7. verwijsteksten
18 Zie Gen. 18 op vers 19. verwijsteksten
 
13 Voorts sprak de HEERE tot mij, zeggende: Ik heb dit volk aangemerkt, en zie, het is een hhardnekkig volk.
h Ex. 32:9; 33:3; 34:9. Deut. 10:16; 31:27. 2 Kon. 17:14. verwijsteksten
 
14 i19Laat van Mij af, dat Ik hen verdelge en hun naam van onder den hemel uitdoe; en Ik zal u tot een machtiger en meerder volk maken dan dit is.
i Ex. 32:10. Ps. 106:23. verwijsteksten
19 Of de HEERE zeide: Val Mij niet meer lastig met uw voorbidden voor dit hardnekkig volk. Zie Mozes’ voorbede Ex. 32:11, 12, enz.; 34:9 en onder, vers 26, enz. verwijsteksten
 
15 Toen keerde ik mij en ging van den berg af; de berg nu brandde van vuur, en de twee tafelen des verbonds waren op beide mijn handen.
16 En ik zag toe, en zie, gij hadt aan den HEERE uw God gezondigd, gij hadt u een gegoten kalf gemaakt; gij waart haastelijk afgeweken van den weg dien u de HEERE geboden had.
17 Toen vatte ik de twee tafelen en wierp ze heen uit beide mijn handen, en brak ze voor uw ogen.
18 En ik wierp mij neder voor het aangezicht des HEEREN 20als in het eerst, veertig dagen en veertig nachten; ik at geen brood en dronk geen water, om al uw zonde die gij hadt gezondigd, doende 21wat kwaad is in des HEEREN ogen, om Hem tot toorn te verwekken.
20 Ik deed wederom als ik tevoren gedaan had.
21 Dat is, wat Hem mishaagt.
 
19 Want ik vreesde vanwege den toorn en de grimmigheid waarmede de HEERE zeer op ulieden vertoornd was om u te verdelgen; doch de HEERE verhoorde mij ook op datmaal.
20 Ook vertoornde Zich de HEERE zeer tegen Aäron om hem te verdelgen; doch ik bad ook terzelfder tijd voor Aäron.
21 Maar 22uw zonde, het kalf dat gij hadt gemaakt, knam ik en verbrandde het met vuur en stampte het, malende het wel, totdat het verdund werd tot stof; en 23zijn stof wierp ik in de beek die van den berg afvliet.
22 Dat is, als de volgende woorden uitwijzen, het gegoten kalf waarmede gij de gruwelijke zonde der afgoderij bedreven hadt. Vgl. Jes. 27:9. Hos. 10:8. Amos 8:14. verwijsteksten
k Ex. 32:20. verwijsteksten
23 Om dezen gruwel op het hoogste te verfoeien en alle gedachtenis daarvan in de diepte te versmoren. Zie hiervan breder Ex. 32 op vers 20 en vgl. 2 Kon. 23 op vers 12. verwijsteksten
 
22 Ook vertoorndet gij den HEERE zeer te l24Tabéra en te m25Massa en te n26Kibrôth-Táäva.
l Num. 11:1. verwijsteksten
24 Dat is, brand; waarom deze plaats alzo genaamd is, zie Num. 11:2, 3. verwijsteksten
m Ex. 17:7. verwijsteksten
25 Dat is, verzoeking. Zie Ex. 17:7. verwijsteksten
n Num. 11:4, 34. verwijsteksten
26 Dat is, lustgraven. Zie Num. 11:34. verwijsteksten
 
23 Voorts als de HEERE ulieden zond uit Kades-Barnéa, zeggende: oGaat op en erft dat land dat Ik u gegeven heb, zo waart gij den 27mond des HEEREN uws Gods wederspannig, en 28geloofdet Hem niet en waart Zijn stem niet gehoorzaam.
o Num. 13:3; 14:1. verwijsteksten
27 Dat is, het bevel.
28 Zie Deut. 1 op vers 32. verwijsteksten
 
24 Wederspannig zijt gij geweest tegen den HEERE, van den dag af dat ik u 29gekend heb.
29 Dat is, met u omgegaan en volgens mijn beroeping met u te doen gehad heb.
 
25 En ik wierp mij neder voor des HEEREN aangezicht, die veertig dagen en veertig nachten in dewelke ik mij nederwierp, dewijl de HEERE gezegd had dat Hij u verdelgen zou.
26 En ik bad tot den HEERE en zeide: pHeere HEERE, verderf Uw volk en Uw erfdeel niet, dat Gij door Uw 30grootheid verlost hebt, dat Gij uit Egypte door een sterke hand hebt uitgevoerd.
p Ex. 32:11. Num. 14:13. verwijsteksten
30 Dat is, majesteit of grote mogendheid. Zie Deut. 11:2. verwijsteksten
 
27 Gedenk 31aan Uw knechten, Abraham, Izak en Jakob; zie niet op de hardigheid dezes volks, noch op zijn goddeloosheid noch op zijn zonde,
31 Dat is, aan het verbond dat Gij met hen gemaakt hebt.
 
28 32Opdat het land vanwaar Gij ons hebt uitgevoerd, qniet zegge: Omdat hen de HEERE niet kon brengen in het land waarvan Hij hun gesproken had, en 33omdat Hij hen haatte, heeft Hij hen uitgevoerd, om hen te doden in de woestijn.
32 Hebr. Opdat zij niet zeggen, het land vanwaar, enz.; dat is, opdat de inwoners des lands vanwaar, enz., niet zeggen, namelijk de Egyptenaars; als Ex. 32:12. verwijsteksten
q Ex. 32:12. Num. 14:16. verwijsteksten
33 Vgl. Deut. 1:27. verwijsteksten
 
29 Zij zijn toch Uw volk en Uw erfdeel, dat Gij door Uw grote kracht en door Uw uitgestrekten arm hebt uitgevoerd.

Einde Deuteronomium 9