Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).
| 1 DIE door plettering verwond of uitgesneden is aan de mannelijkheid, zal in de vergadering des HEEREN niet komen. |
| 2 Geen bastaard zal in de vergadering des HEEREN komen; zelfs zijn tiende geslacht zal in de vergadering des HEEREN niet komen. |
| 3 Geen Ammoniet noch Moabiet zal in de vergadering des HEEREN komen; zelfs hun tiende geslacht zal in de vergadering des HEEREN niet komen tot in eeuwigheid; |
| 4 Ter oorzake dat zij ulieden op den weg niet tegengekomen zijn met brood en met water, als gij uit Egypte uittoogt; en omdat hij tegen u gehuurd heeft Bíleam, den zoon van Beor, van Pethor uit Mesopotámië, om u te vloeken. |
| 5 Doch de HEERE uw God heeft naar Bíleam niet willen horen, maar de HEERE uw God heeft u den vloek in een zegen veranderd, omdat de HEERE uw God u liefhad. |
| 6 Gij zult hun vrede en hun best niet zoeken, al uw dagen in eeuwigheid. |
| 7 Den Edomiet zult gij voor geen gruwel houden, want hij is uw broeder; den Egyptenaar zult gij voor geen gruwel houden, want gij zijt een vreemdeling geweest in zijn land. |
| 8 Aangaande de kinderen die hun zullen geboren worden in het derde geslacht, elk van die zal in de vergadering des HEEREN komen. |
| 9 Wanneer het leger uittrekt tegen uw vijanden, zo zult gij u wachten voor alle kwade zaak. |
| 10 Wanneer iemand onder u is die niet rein is, door enig toeval des nachts, die zal tot buiten het leger uitgaan; hij zal tot binnen het leger niet komen. |
| 11 Maar het zal geschieden, dat hij zich tegen het naken van den avond met water zal baden; en als de zon ondergegaan is, zal hij tot binnen het leger komen. |
| 12 Gij zult ook een plaats hebben buiten het leger, en daarheen zult gij uitgaan naar buiten. |
| 13 En gij zult een schopje hebben nevens uw gereedschap; en het zal geschieden als gij buiten gezeten hebt, dan zult gij daarmede graven en u omkeren, en bedekken wat van u uitgegaan is. |
| 14 Want de HEERE uw God wandelt in het midden van uw leger, om u te verlossen en om uw vijanden voor uw aangezicht te geven; daarom zal uw leger heilig zijn, opdat Hij niets schandelijks onder u zie en achterwaarts van u afkere. |
| 15 Gij zult een knecht aan zijn heer niet overleveren, die van zijn heer tot u ontkomen zal zijn. |
| 16 Hij zal bij u blijven in het midden van u, in de plaats die hij zal verkiezen, in een van uw poorten waar het goed voor hem is; gij zult hem niet verdrukken. |
| 17 Er zal geen hoer zijn onder de dochteren Israëls; en er zal geen schandjongen zijn onder de zonen Israëls. |
| 18 Gij zult geen hoerenloon noch hondenprijs in het huis des HEEREN uws Gods brengen tot enige gelofte; want ook die beide zijn den HEERE uw God een gruwel. |
| 19 Gij zult aan uw broeder niet woekeren met woeker van geld, met woeker van spijze, met woeker van enig ding waarmede men woekert. |
| 20 Aan den vreemde zult gij woekeren, maar aan uw broeder zult gij niet woekeren; opdat u de HEERE uw God zegene in alles waaraan gij uw hand slaat, in het land waar gij naartoe gaat om dat te erven. |
| 21 Wanneer gij den HEERE uw God een gelofte zult beloofd hebben, gij zult niet vertrekken die te betalen; want de HEERE uw God zal ze zekerlijk van u eisen, en zonde zou in u zijn. |
| 22 Maar als gij nalaat te beloven, zo zal het geen zonde in u zijn. |
| 23 Wat uit uw lippen gaat, zult gij houden en doen; gelijk als gij den HEERE uw God een vrijwillig offer beloofd hebt, dat gij met uw mond gesproken hebt. |
| 24 Wanneer gij gaan zult in uws naasten wijngaard, zo zult gij druiven eten naar uw lust tot uw verzadiging; maar in uw vat zult gij niets doen. |
| 25 Wanneer gij zult gaan in uws naasten staande koren, zo zult gij de aren met uw hand afplukken; maar de sikkel zult gij aan uws naasten staande koren niet bewegen. |