Statenvertaling.nl

sample header image

Deuteronomium 23 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Deuteronomium 23

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Wie in de vergadering des HEEREN ganselijk niet mochten komen en wie daarentegen enigszins, vs. 1, enz. Hoe en waarom het veldleger rein moest gehouden worden, 9. Hoe men handelen zou met een knecht die zijn heer ontvlucht was, 15. Van hoeren en schandjongens, 17. Van woeker, 19. Van geloften, 21. Van het plukken der druiven en aren, 24.
 
Wie niet in de vergadering des HEEREN mogen komen
1 DIE door plettering verwond of uitgesneden is aan de mannelijkheid, zal 1in de vergadering des HEEREN niet komen.
1 Dat is, naar het meeste gevoelen, zal geen stem hebben in publieke vergaderingen, noch plaats in den raad der regenten, rechters of officieren des volks, welke vergadering ook een vergadering Gods genoemd wordt, Ps. 82:1. Alzo werden ook tot het priesterambt gene toegelaten die enig gebrek aan het lichaam hadden, Lev. 21:17, enz. De reden van deze wet kan zijn: eensdeels omdat zodanigen gemeenlijk kleinhartig zijn, anderdeels omdat het tot verwijt en kleinachting van het ambt zou mogen strekken. Van de bijeenkomsten der gemeente tot den publieken godsdienst kan men dit niet verstaan, omdat daarin ook de vreemdelingen zelfs (mits besneden zijnde) toegelaten werden, Ex. 12:48. Lev. 22:18. Num. 9:14; 15:15. Daarentegen in de vergadering van dewelke hier en in het volgende gesproken wordt, mochten de Ammonieten en Moabieten ganselijk niet komen; als volgt vers 3. verwijsteksten
 
2 2Geen bastaard zal in de vergadering des HEEREN komen; zelfs zijn tiende geslacht zal in de vergadering des HEEREN niet komen.
2 Gelijk Jefta was, Richt. 11:1, 2, die in den nood, buiten orde, daartoe gebruikt en van God gezegend is. verwijsteksten
 
3 Geen aAmmoniet noch Moabiet zal in de vergadering des HEEREN komen; zelfs hun tiende geslacht zal in de vergadering des HEEREN niet komen tot in eeuwigheid;
a Neh. 13:1. verwijsteksten
 
4 Ter oorzake dat zij ulieden op den weg niet tegengekomen zijn 3met brood en met water, als gij uit Egypte uittoogt; en omdat 4hij tegen u gehuurd heeft bBíleam, den zoon van Beor, van Pethor uit 5Mesopotámië, om u te vloeken.
3 Zie Deut. 2:28. verwijsteksten
4 Namelijk de Moabiet, Num. 22:3, 4, 5, enz. verwijsteksten
b Num. 22:3, 4, 5, enz. verwijsteksten
5 Hebr. Aram Naharajim, dat is, Syrië der twee rivieren. Zie Gen. 24 op vers 10. verwijsteksten
 
5 Doch de HEERE uw God heeft naar Bíleam niet willen horen, maar de HEERE uw God heeft u den vloek in een zegen veranderd, omdat de HEERE uw God u liefhad.
6 Gij zult hun 6vrede en hun best niet zoeken, al uw dagen in eeuwigheid.
6 Dat is, voorspoed, welstand.
 
7 Den 7Edomiet zult gij voor geen gruwel houden, want hij is 8uw broeder; den Egyptenaar zult gij voor geen gruwel houden, want gij zijt een vreemdeling geweest in zijn land.
7 Doch uitgezonderd de Amalekieten. Zie Deut. 25 op vers 17. verwijsteksten
8 Een nakomeling van Ezau, die de broeder van uw voorvader Jakob was.
 
8 Aangaande de kinderen die hun zullen geboren worden in het derde geslacht, elk van die zal in de vergadering des HEEREN 9komen.
9 Dat is, mogen komen.
 
Reinheid van het veldleger
9 Wanneer het leger uittrekt tegen uw vijanden, zo zult gij u wachten voor alle kwade zaak.
10 Wanneer iemand onder u is die niet rein is, door enig 10toeval des nachts, die zal tot buiten het leger uitgaan; hij zal tot binnen het leger niet komen.
10 Zie Lev. 15:4, 16, 17. verwijsteksten
 
11 Maar het zal geschieden, dat hij zich tegen het naken van den avond met water zal baden; en als de zon ondergegaan is, zal hij tot binnen het leger komen.
12 Gij zult ook een 11plaats hebben buiten het leger, en daarheen zult gij uitgaan naar buiten.
11 Hebr. hand, welk woord ook genomen wordt voor ruimte, zijde, plaats, omvang, enz. Zie Spr. 8:3. Jes. 57:8 met de aant. verwijsteksten
 
13 En gij zult een schopje hebben 12nevens uw gereedschap; en het zal geschieden als gij buiten 13gezeten hebt, dan zult gij daarmede graven en u omkeren, en bedekken wat van u uitgegaan is.
12 Of: op uw wapenen.
13 Dat is, het werk der natuur gedaan hebt.
 
14 Want de HEERE uw God 14wandelt in het midden van uw leger, om u te verlossen en om uw vijanden 15voor uw aangezicht te geven; daarom zal uw leger heilig zijn, opdat 16Hij 17niets schandelijks onder u zie en achterwaarts van u afkere.
14 Zie Lev. 26 op vers 12. verwijsteksten
15 Zie Deut. 1 op vers 8. verwijsteksten
16 Namelijk de HEERE.
17 Hebr. geen naaktheid of schandelijkheid van enig ding, dat is, niets oneerlijks, onreins, dat de eerbaarheid niet toelaat bloot te laten liggen.
 
Verschillende voorschriften
15 Gij zult een knecht aan zijn heer niet overleveren, die van 18zijn heer tot u ontkomen zal zijn.
18 Die hem tiranniglijk behandelde.
 
16 Hij zal bij u 19blijven in het midden van u, in de plaats die hij zal verkiezen, in een van uw 20poorten waar het goed voor hem is; gij zult hem niet verdrukken.
19 Nadat gij kennis van zaken genomen en bevonden zult hebben, dat hij van zijn heer om genoegzame redenen weggegaan is; tenware dan dat gij hem met zijn heer mocht verzoenen en alzo hem wederzenden. Sommigen verstaan dit alleen van de knechten der omliggende volken, die ze met onmenselijke wreedheid naar hun lust behandelden.
20 Dat is, steden of woonplaatsen; waar het hem best passen of schikken zal.
 
17 Er zal geen hoer zijn onder de dochteren Israëls; en er zal geen 21schandjongen zijn onder de zonen Israëls.
21 Dat is, die zich van manspersonen laat ontreinigen. Zie Gen. 19:5. Lev. 18:22. 1 Kon. 14:24; 22:47. 2 Kon. 23:7. Rom. 1:27. verwijsteksten
 
18 Gij zult geen hoerenloon noch 22hondenprijs in het huis des HEEREN uws Gods brengen tot enige gelofte; want ook die beide zijn den HEERE uw God een gruwel.
22 Dat is, geld hetwelk met de gruwelijke zonde der onkuisheid in het voorgaande vers vermeld, verdiend is. Vgl. 2 Sam. 3 op vers 8. Openb. 22:15. Sommigen verstaan dit eigenlijk van den prijs waarmede een hond, als een onrein dier, verkocht is. verwijsteksten
 
19 Gij zult aan uw broeder niet c23woekeren met woeker van geld, met woeker van spijze, met woeker van enig ding waarmede men woekert.
c Ex. 22:25. Lev. 25:36. Neh. 5:2, enz. Luk. 6:34, 35. verwijsteksten
23 Zie Lev. 25 op vers 36. verwijsteksten
 
20 Aan den vreemde 24zult gij woekeren, maar aan uw broeder zult gij niet woekeren; opdat u de HEERE uw God zegene 25in alles waaraan gij uw hand slaat, in het land waar gij naartoe gaat om dat te erven.
24 Dat is, zult gij mogen woekeren. Omdat zij niet als de arme Israëlieten door armoede, maar om hun koophandel en nering met de Joden handelden.
25 Hebr. in allen uitslag of aanslag uwer hand.
 
21 Wanneer gij den HEERE uw God deen gelofte zult beloofd hebben, gij zult niet vertrekken die te betalen; want de HEERE uw God zal ze 26zekerlijk van u eisen, en 27zonde zou in u zijn.
d Num. 30:2. verwijsteksten
26 Hebr. eisende eisen.
27 Dat is, het zou u tot zonde gerekend en gestraft worden. Alzo Deut. 15:9. verwijsteksten
 
22 Maar als gij nalaat te beloven, zo zal het geen zonde in u zijn.
23 28Wat uit uw lippen gaat, zult gij houden en doen; gelijk als gij den HEERE uw God een vrijwillig offer beloofd hebt, dat gij met uw mond gesproken hebt.
28 Hebr. Den uitgang uwer lippen.
 
24 Wanneer gij gaan zult in uws naasten wijngaard, zo zult gij druiven 29eten 30naar uw lust tot uw verzadiging; maar in uw vat zult gij niets doen.
29 Dat is, mogen eten, alzo ook in het volgende vers.
30 Hebr. naar uw ziel, dat is, naar uw lust, als boven dikwijls.
 
25 Wanneer gij zult gaan in uws naasten estaande koren, zo zult gij de 31aren met uw hand afplukken; maar de sikkel zult gij aan uws naasten staande koren niet 32bewegen.
e Matth. 12:1. verwijsteksten
31 Zie een voorbeeld in Christus’ apostelen, Matth. 12:1. verwijsteksten
32 Of: herwaarts en derwaarts gaan laten, slaan.

Einde Deuteronomium 23