Statenvertaling.nl

sample header image

2 Korinthe 4 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

2 Korinthe 4

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

1 De apostel betuigt dat hij het Evangelie van Christus oprechtelijk en duidelijk voorstelt voor de consciënties aller mensen. 3 En zo hetzelve voor iemand bedekt is, dat het is bedekt voor degenen die verloren gaan, en welker zinnen de satan heeft verblind. 5 Dat deze kracht evenwel niet van de dienaars, maar van Christus is, en van God, Die de harten verlicht. 8 Dat ook deze kracht zich wonderlijk in de apostelen van Christus zelven openbaart, in het overwinnen van allerlei verdrukkingen en zwarigheden, die hun dagelijks overkomen. 13 En stelt daarna verscheidene redenen van vertroostingen, met welke zij zichzelven en anderen versterken, genomen van het voorbeeld van David. 14 Van de zalige opstanding. 15 Van de dankbaarheid voor zulke verlossingen. 16 Van de vernieuwing van den inwendigen mens. 17 En eindelijk van de grootte der eeuwige heerlijkheid, die hierop zal volgen.
 
1 DAAROM, dewijl wij 1deze bediening hebben, naar de barmhartigheid die ons geschied is, zo 2vertragen wij niet;
1 Namelijk niet der letter, noch des doods, maar des geestes en levens, waarvan 2 Kor. 3:6, enz., gesproken is. verwijsteksten
2 Of: bezwijken, of: blijven niet in gebreke; namelijk niettegenstaande al de zwarigheden die ons in deze bediening overkomen, gelijk blijkt uit vers 10. Zie van dit woord ook Luk. 18:1. verwijsteksten
 
2 Maar wij hebben 3verworpen 4de bedekselen der schande, aniet wandelende in arglistigheid, noch het Woord Gods vervalsende, maar door openbaring der waarheid onszelven b5aangenaam makende 6bij alle consciënties der mensen, in de tegenwoordigheid Gods.
3 Gr. opgezegd, of: afgezegd.
4 Of: de bedekte schandelijkheden; waardoor hij verstaat de uitvluchten, oppronkingen en bedriegerijen der valse apostelen, die hun predikingen naar de menselijke wijsheid wilden voegen, of naar de genegenheden der mensen, om die te behagen en huns zelfs gemak en eer intussen met zulke bemantelingen te bevorderen, gelijk de volgende woorden verklaren.
a 2 Kor. 2:17. verwijsteksten
b 2 Kor. 6:4. verwijsteksten
5 Gr. recommanderende, namelijk dat wij daarin eenvoudiglijk handelen.
6 Namelijk die oprechtelijk en met verstand oordelen.
 
3 Doch indien ook ons Evangelie 7bedekt is, zo is het bedekt in degenen cdie verloren gaan;
7 Dat is, duister en vreemd schijnende is.
c 2 Kor. 2:15. 2 Thess. 2:10. verwijsteksten
 
4 In dewelke 8de god dezer eeuw dde zinnen verblind heeft, namelijk der ongelovigen, opdat hen niet 9bestrale de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus, eDie 10het Beeld Gods is.
8 Dat is, de satan, die door een rechtvaardig oordeel Gods over de ongelovige mensen zulke heerschappij verkrijgt, alsof hij een god van hen ware, en dien zij als hun god dienen. Zie Joh. 12:31. Ef. 2:2; 6:12. verwijsteksten
d Jes. 6:10. Joh. 12:40. verwijsteksten
9 Of: schijne, lichte.
e Joh. 14:9. Filipp. 2:6. Kol. 1:15. Hebr. 1:3. verwijsteksten
10 Namelijk niet alleen ten aanzien van Zijn Goddelijke natuur, zijnde het eeuwige Woord en de Wijsheid des Vaders, maar ook ten aanzien dat Hij is God geopenbaard in het vlees, door Welken Gods heerlijkheid, rechtvaardigheid, genade, wijsheid en macht ons in het Evangelie als in een spiegel wordt uitgedrukt. Zie Kol. 1:15. Hebr. 1:3. verwijsteksten
 
5 Want wij prediken niet onszelven, maar Christus Jezus, den Heere; en onszelven, dat wij uw dienaren zijn om Jezus’ wil.
6 Want God, fDie 11gezegd heeft dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene gDie 12in onze harten 13geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods 14in het aangezicht van Jezus Christus.
f Gen. 1:3. verwijsteksten
11 Dat is, bevolen heeft, namelijk in het begin der schepping, wanneer de duisternis de aarde bedekte, Gen. 1:3. verwijsteksten
g 2 Petr. 1:19. verwijsteksten
12 Namelijk die ook duister en onwetend van nature waren. Hij spreekt hier inzonderheid van de apostelen, door welke dit licht daarna moest verbreid worden onder alle volken.
13 Namelijk door Zijn Heiligen Geest.
14 Dat is, de heerlijkheid Gods, die in het aanschijn van Mozes blonk en van hem werd bedekt, schijnt nu veel heerlijker in het aanschijn van Christus, en wordt van ons niet bedekt, maar ongedekt voorgesteld voor allen, om dezelve daardoor te verlichten.
 
De schat in aarden vaten
7 Maar wij hebben dezen 15schat hin 16aarden vaten, opdat de uitnemendheid 17der kracht 18zij iGodes en niet uit ons;
15 Namelijk van de kennis der heerlijkheid Gods in het aanschijn van Christus.
h 2 Kor. 5:1. verwijsteksten
16 Dat is, wij zijn zwakke, verachte en tere instrumenten in het midden van alle vervolgingen.
17 Namelijk van dit woord des Evangelies.
18 Dat is, Gode alleen toegeschreven mag worden, gelijk die alleen uit God is en niet uit ons. Zie 2 Kor. 3:5, 6. verwijsteksten
i 1 Kor. 2:5. verwijsteksten
 
8 Als die in alles verdrukt worden, doch niet 19benauwd; twijfelmoedig, doch niet mismoedig;
19 Namelijk alzo dat er geen uitkomst is. Anderszins wordt deze benauwing ook van de gelovigen gezegd, Rom. 8:35. 2 Kor. 6:4. verwijsteksten
 
9 Vervolgd, doch niet daarin verlaten; nedergeworpen, doch niet verdorven;
10 kAltijd 20de doding van den Heere Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook 21het leven van Jezus in ons lichaam zou geopenbaard worden.
k Rom. 8:17. Gal. 6:17. Filipp. 3:10. 2 Tim. 2:11, 12. 1 Petr. 4:13. verwijsteksten
20 Dat is, het gevaar des doods om Christus’ wil. Of: de vervolgingen en benauwdheden tot den dood om Christus’ wil en naar het voorbeeld van Christus, en die Christus ook rekent Zichzelven te geschieden, Hand. 9:4, gelijk in het volgende vers wordt verklaard. verwijsteksten
21 Dat is, de levendmakende kracht van Christus en van Zijn Geest, die zich in onze bediening alhier openbaart en hiernamaals tot onze verlossing ten volle zal openbaren; gelijk ook het volgende vers verklaart. Zie Rom. 8:10, 11. verwijsteksten
 
11 lWant wij die leven, worden altijd in den dood overgegeven om Jezus’ wil, mopdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vlees zou geopenbaard worden.
l Ps. 44:23. Matth. 5:11. Rom. 8:36. 1 Kor. 4:9. verwijsteksten
m 1 Kor. 15:49. Kol. 3:4. verwijsteksten
 
12 Zo dan, 22de dood werkt wel in ons, maar 23het leven in ulieden.
22 Dat is, het gevaar des doods hangt ons gedurig over het hoofd, en werkt in ons door de kracht van Christus tot meerderen ijver tot naarstige uitvoering van onze bediening.
23 Dat is, maar gij wordt door onzen dienst en al onze verdrukkingen en doodsgevaren in het leven des Geestes meer en meer versterkt; zodat zelfs al deze benauwdheden die ons overvallen, u ten goede komen en tot het leven gedijen.
 
13 Dewijl wij nu 24denzelfden Geest des geloofs hebben, gelijk er geschreven is: n25Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken; zo geloven wij ook, daarom 26spreken wij ook;
24 Dat is, hetzelfde geloof door denzelfden Geest, Dien alle gelovigen, zo van het Oude als van het Nieuwe Testament, deelachtig zijn, 1 Petr. 1:11. verwijsteksten
n Ps. 116:10. verwijsteksten
25 Dit spreekt David Ps. 116:10, wanneer hij in vele zwarigheden zijnde, zijn vertrouwen van zijn verlossing heeft betuigd, of wanneer hij in vele zwarigheden zijnde, het betrouwen dat hij op God ook in het toekomende had, voor een iegelijk heeft beleden. verwijsteksten
26 Dat is, belijden en prediken voor een ieder hetgeen wij geloven.
 
14 oWetende dat Hij Die den Heere Jezus opgewekt heeft, ook ons door Jezus zal opwekken 27en met ulieden daar zal stellen.
o Rom. 8:11. 1 Kor. 6:14. verwijsteksten
27 Namelijk ten uitersten dage, wanneer Christus zal verschijnen op Zijn rechterstoel, Ef. 5:27. verwijsteksten
 
15 Want 28al deze dingen zijn om uwentwil, popdat 29de vermenigvuldigde genade door de dankzegging van velen overvloedig worde ter heerlijkheid Gods.
28 Namelijk die ik verhaald heb van de gevaren des doods over ons, en van de wonderlijke verlossingen die God daarop geeft.
p 2 Kor. 1:11. verwijsteksten
29 Namelijk die Hij bewijst in onze wonderbaarlijke verlossingen tot uw vertroosting en stichting, en tot verbreiding van Gods eer, door uw dankzeggingen voor ons.
 
Voor den aardsen tabernakel een eeuwig huis in de hemelen
16 Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze 30uitwendige mens verdorven wordt, zo wordt nochtans 31de inwendige vernieuwd van dag tot dag.
30 Gr. de mens buiten, dat is, ons lichaam, met onze lichamelijke sterkte, gezondheid en uitwendigen welstand.
31 Gr. de mens binnen, dat is, de ziel door Gods Geest vernieuwd zijnde, wordt dagelijks in het midden van deze zwarigheden meer en meer vernieuwd en gesterkt.
 
17 qWant onze 32lichte verdrukking, 33die zeer haast voorbijgaat, 34werkt ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid;
q Ps. 30:6. Matth. 5:12. Rom. 8:18. 1 Joh. 3:2. verwijsteksten
32 Gr. het lichte of de lichtigheid onzer verdrukking. Dit zegt de apostel niet omdat de verdrukking in zichzelve licht is, maar omdat de Heere ze, door de versterking en troost Zijns Geestes, ons licht maakt. Zie Rom. 5:3; 8:37. verwijsteksten
33 Namelijk gelijk ons leven niet lang is. Want na dit leven worden alle tranen van onze ogen gewassen, Openb. 7:16, 17. verwijsteksten
34 Dat is, brengt voort, niet uit enige verdienste, maar uit enkel genade, om Christus’ wil, Rom. 8:17, 18. Gr. een eeuwig gewicht der heerlijkheid, naar uitnemendheid tot uitnemendheid. verwijsteksten
 
18 Dewijl wij niet 35aanmerken de dingen 36die men ziet, maar de dingen 37die men niet ziet; want de dingen die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen die men niet ziet, zijn eeuwig.
35 Namelijk als op een doel waarnaar wij trachten, gelijk het Griekse woord eigenlijk medebrengt.
36 Dat is, de wereldse eer of oneer, gemakken en ongemakken dezes levens, die wij dagelijks voor onze ogen zien.
37 Namelijk door de ogen des lichaams, dat is, de geestelijke en hemelse heerlijkheid en vreugd die beloofd is, en die wij geloven en hopen, waarvan hij breder handelt in het volgende hoofdstuk. Zie Hebr. 11:1. verwijsteksten

Einde 2 Korinthe 4