Statenvertaling.nl

sample header image

1 Korinthe 5 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

1 Korinthe 5

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

1 De apostel komt verder en bewijst uit de gebreken, die in hun gemeente nog waren, dat de Korinthiërs meer oorzaak hadden van zich te vernederen dan van te roemen en zich te verheffen, en vooreerst vanwege het dulden van bloedschande onder zich. 2 Vermaant hen ernstiglijk, dat zij dien die zulks beging, uit het midden van hen zouden weren en aan den satan overgeven. 6 Brengt daartoe verscheidene redenen voort, inzonderheid genomen bij gelijkenis van een zuurdesem, welke in het houden van het pascha in het Oude Testament moest uitgezuiverd worden. 9 Onderricht hen daarna breder tegen hoedanige mensen deze kerkelijke tucht moet worden geoefend. 11 Namelijk tegen degenen die broeders genaamd worden en dergelijke ergernissen gaven. 12 Latende degenen die buiten de gemeente waren, Gods oordeel bevolen.
 
De tucht niet veronachtzamen
1 MEN hoort 1ganselijk dat er hoererij onder u is, en zodanige hoererij die ook onder de heidenen 2niet genaamd wordt, alzo dat er een a3zijns vaders huisvrouw heeft.
1 Dat is, niet als een onzeker gerucht, maar als een gewisse zaak.
2 Namelijk zonder afschuw of verfoeiing. Want hoewel hier en daar in de Griekse, Romeinse en andere historiën zulke voorbeelden gevonden zijn, zo worden die nochtans van dezelve als onbehoorlijk en onwettig altijd veroordeeld.
a Lev. 18:8. Deut. 27:20. verwijsteksten
3 Dat is, zijn stiefmoeder, gelijk die ook alzo in Gods Woord genoemd wordt, Lev. 18:8. verwijsteksten
 
2 En zijt gij nog opgeblazen, en hebt niet veelmeer 4leed gedragen, opdat hij 5uit het midden van u weggedaan worde, die deze daad begaan heeft?
4 Namelijk gelijk men doet wanneer daar oorzaak is van gemenen rouw. Want hoewel zulke zonden zonden zijn van bijzondere personen, zo gaan zij nochtans de gehele gemeente aan, omdat Gods Naam daarom wordt gelasterd en Zijn toorn daardoor over de gehele gemeente ontstoken, als zij naar behoren niet worden gestraft.
5 Dat is, door den christelijken ban uit uw vergadering geworpen, gelijk hierna vss. 7, 11 verklaard wordt. verwijsteksten
 
3 bDoch ik, als wel met het lichaam afwezend, maar tegenwoordig zijnde 6met den geest, heb alrede, alsof ik tegenwoordig ware, dengene die dat alzo bedreven heeft, besloten,
b Kol. 2:5. verwijsteksten
6 Dat is, met mijn gedachten, wil en kracht des geestes. Zie dergelijk 2 Kon. 5:26. Kol. 2:5. verwijsteksten
 
4 7In den Naam onzes Heeren Jezus Christus, als gijlieden en mijn geest tezamen vergaderd zullen zijn, 8met de kracht van onzen Heere Jezus Christus,
7 Dat is, volgens het bevel en den last van Christus, en met aanroeping van Zijn Naam, Matth. 18:15. verwijsteksten
8 Dat is, de krachtige werking van Christus in de harten dergenen onder welke en tegen welke deze straf wettiglijk wordt gebruikt. Zie Matth. 18:18, 19, 20. verwijsteksten
 
5 cDenzulke 9over te geven aan den satan 10tot verderf des vleses, opdat 11de geest behouden moge worden in den dag van den Heere Jezus.
c 1 Tim. 1:20. verwijsteksten
9 Dat is, uit uw gemeenschap te bannen, of, gelijk Christus spreekt Matth. 18:17, te houden als een heiden en tollenaar. Want buiten de gemeente van Christus heeft de satan zijn rijk. Zie 2 Tim. 2:25, 26. verwijsteksten
10 Dat is, tot doding en vernietiging van den ouden mens, dat is, van de verdorven natuur, die doorgaans vlees wordt genaamd. Zie Rom. 8:13. Gal. 5:24. verwijsteksten
11 Dat is, de nieuwe mens, die door deze vleselijke begeerten en zonden gelijk dood en begraven scheen, wederom verwekt worde en de overhand verkrijge, totdat hij in den dag der toekomst van Christus in ons geheel en alleen zal heersen.
 
6 12Uw roem is niet goed. dWeet gij niet dat 13een weinig zuurdesem het gehele deeg zuur maakt?
12 Namelijk waarmede gij roemt alsof gij en uw gemeente geheel volmaakt waart.
d Gal. 5:9. verwijsteksten
13 Gr. een kleine zuurdesem. Met deze gelijkenis verklaart de apostel, dat een ergerlijk mens als hij niet gestraft wordt in de gemeente, anderen lichtelijk tot navolging trekt.
 
7 14Zuivert dan den ouden zuurdesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt. Want ook 15ons ePascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.
14 Dit kan óf in het bijzonder verstaan worden van de uitzuivering of uitwerping van dezen ergerlijken mens, opdat de gehele gemeente mocht zijn buiten opspraak en gevaar van verdere besmetting, alzo zij alrede door den Geest Gods van den zuurdesem der natuurlijke verdorvenheid grotendeels waren bevrijd; óf in het gemeen voor een algemene vermaning bij gelegenheid van de voorgaande gelijkenis, dat namelijk elk in het bijzonder den ouden zuurdesem der zonde uit zich meer en meer zou uitzuiveren, gelijk zij alrede van de heerschappij derzelve verlost waren. Zie Ef. 4:22. Kol. 3:5, 9, 10. verwijsteksten
15 Of: ons Pascha is voor ons geofferd, dat is, het Pascha Dat voor ons tot verzoening onzer zonden is geofferd. Christus wordt hier genaamd het Pascha, door een oneigenlijke manier van spreken, die van de sacramenten dikwijls gebruikt wordt (gelijk het brood in het Avondmaal genaamd wordt het lichaam van Christus, en de gemeenschap des lichaams van Christus), omdat het paaslam een teken en beeld van Christus en Zijn offerande was. Zie Joh. 19:36. verwijsteksten
e Jes. 53:7. Joh. 1:29. 1 Kor. 15:3. verwijsteksten
 
8 16Zo dan, laat ons ffeesthouden, niet 17in den gouden zuurdesem, noch 18in den zuurdesem der kwaadheid en der boosheid, maar 19in de ongezuurde broden der oprechtheid en der waarheid.
16 Hetgeen de Israëlieten na het slachten van het uiterlijke pascha in het voorbeeld moesten doen op de voorbereiding van pascha met het uitzuiveren van allen zuurdesem, en met zeven dagen lang zich van gezuurde broden te onthouden, volgens Gods bevel, Ex. 12:15, dat gebiedt de apostel den Christenen in de betekende zaak al hun leven lang te doen; namelijk heiliglijk en rechtvaardiglijk te wandelen voor God en de mensen, en derhalve ook alle ergernissen uit zich te weren, nadat zij door de offerande en besprenging van het bloed van Christus met God verzoend zijn. verwijsteksten
f Ex. 12:3, 15. verwijsteksten
17 Dat is, in de besmetting van de aangeboren natuurlijke verdorvenheid.
g Deut. 16:3. verwijsteksten
18 Dat is, noch in andere moedwillige zonden en boosheden, die de natuurlijke mensen nog dagelijks daarbij hopen.
19 Dat is, in een zuiveren en onbesmetten wandel.
 
9 Ik heb u geschreven 20in den brief, hdat gij u niet zoudt 21vermengen met de hoereerders;
20 Dit verstaan sommigen van een anderen brief, dien de apostel voor dezen aan de gemeente van Korinthe zou geschreven hebben, omdat de woorden die volgen, met zovele letters hiervoor niet uitgedrukt staan; doch alzo de zin van deze woorden hiervoor in het tweede en zevende vers verhaald is, zo kan dit bekwamelijk van dezen zelfden brief van Paulus verstaan worden.
h Deut. 7:2. Matth. 18:17. 2 Kor. 6:14. Ef. 5:11. 2 Thess. 3:14. verwijsteksten
21 Dat is, tot de gemeenschap uwer gemeente toelaten, en met hen als broeders gemeenzaamlijk verkeren. Zie vers 11. verwijsteksten
 
10 22Doch niet geheel met de hoereerders dezer wereld, of met de gierigaards, of met de rovers, of met de afgodendienaars; want anders zoudt gij moeten 23uit de wereld gaan.
22 Dat is, dit versta ik niet in het gemeen van al zulke ergerlijke mensen, die onder u of bij u wonen.
23 Namelijk alzo de wereld vol is van zulke mensen, waarmede gij dagelijks te doen hebt, welker voetstappen gij niet moet volgen, maar die gij moet zoeken voor Christus te gewinnen, Matth. 5:16. Ef. 5:11. En hoewel dit op alle eeuwen past, zo paste het nochtans allermeest op die eeuw, in welke het heidendom de overhand had, die allen afgodendienaars waren, waar deze andere zonden gemeenlijk op volgen. verwijsteksten
 
11 24Maar nu heb ik u geschreven, dat gij u niet zult vermengen, namelijk indien iemand, 25een broeder genaamd zijnde, een hoereerder is, of een gierigaard, of 26een afgodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een rover; idat gij met zodanig een ook niet 27zult eten.
24 Dat is, heb nodig geacht u te schrijven, opdat gij mij wel verstaat.
25 Dat is, voor een lidmaat der gemeente gehouden en gekend wordt, gelijk de Christenen doorgaans in de Handelingen der Apostelen en brieven van dezelve broeders genaamd worden, gelijk ook Christus van deze kerkelijke tucht alzo spreekt, Matth. 18:15. verwijsteksten
26 Dat de Christenen alsdan zich ook somwijlen in afgoderij misgingen, blijkt 1 Kor. 10:20. Openb. 2:14, 20. verwijsteksten
i Num. 12:14. Matth. 18:17. 2 Thess. 3:14. 2 Joh. vs. 10. verwijsteksten
27 Dat is, zult geen gemeenzame en openbare onderlinge vriendschap met zulken onderhouden, opdat zij zich mogen schamen. Zie 2 Thess. 3:14. 2 Joh. vs. 10. Anderszins verbiedt de apostel niet, dat van man en vrouw, ouders en kinderen en dergelijke, de burgerlijke gemeenschap (waar de wet der natuur en zeden de mensen aan verbindt) zelfs met zodanigen onderhouden wordt; alzo de kerkelijke tucht dezulken maar ontbloot van de gemeenschap die Christenen als Christenen, zo in het geestelijke als in het wereldlijke, eigen hebben; niet waarmede zij als mensen of burgers in het gemeen aan elkander verbonden zijn. verwijsteksten
 
12 Want wat heb ik ook 28die buiten zijn te oordelen? Oordeelt gijlieden niet 29die binnen zijn?
28 Dat is, nog vreemd van de gemeente van Christus, en van het geloof, Ef. 2:2. verwijsteksten
29 Dat is, die voor leden van de gemeente gehouden worden, die hij vers 11 broeders noemt. verwijsteksten
 
13 Maar die buiten zijn 30oordeelt God. kEn doet gij dezen boze uit ulieden weg.
30 Dat is, behoudt die tot Zijn eigen oordeel, om die te straffen of bekeren. Waarmede hij toont dat, al is het dat zulken buiten de tucht van de kerk zijn, zij daarom van Gods oordeel niet vrij zijn. Zie dergelijke wijze van spreken 1 Kor. 11:32. verwijsteksten
k Deut. 13:5. verwijsteksten

Einde 1 Korinthe 5