Statenvertaling.nl

sample header image

Romeinen 5 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Romeinen 5

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

1 Paulus leert voorts wat vruchten in ons voortkomen door de rechtvaardigmaking des geloofs, namelijk vrede met God, lijdzaamheid, hoop en verzekerdheid van Gods liefde. 5 Verklaart daarna de fundamenten van deze hoop en verzekerdheid, namelijk de getuigenis des Heiligen Geestes in onze harten, en de bedenking dat God Christus voor ons in den dood heeft overgegeven toen wij nog vijanden waren. 9 Besluit daaruit dat wij dan ook verzekerd moeten zijn van onze volharding, en in God daarvan mogen roemen. 12 Maakt daarna een tegenstelling tussen Adam en Christus; en verklaart dat gelijk door de overtreding van Adam de zonde en de dood over alle mensen is gekomen, alzo ook door Christus’ gehoorzaamheid de rechtvaardigheid en het leven over velen zal komen. 20 Eindelijk verklaart hij waartoe het geven van de wet heeft gediend.
 
De vruchten der rechtvaardiging
1 WIJa dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben 1vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus;
a Jes. 32:17. Joh. 16:33. Ef. 2:13. verwijsteksten
1 Dat is, vriendschap Gods, waar wij tevoren Zijn vijanden waren, vss. 8, 10, en de verzekerdheid daarvan in ons gemoed, waardoor wij in God worden gerustgesteld, Joh. 16:33. Rom. 14:17. verwijsteksten
 
2 bDoor Welken wij ook de 2toeleiding hebben door het geloof 3tot deze genade, in welke wij cstaan, en droemen 4in de hoop 5der heerlijkheid Gods.
b Joh. 10:9; 14:6. Ef. 2:18; 3:12. Hebr. 10:19. verwijsteksten
2 Of: toegang tot deze genade, waardoor te kennen gegeven wordt dat wij tot deze genade vanzelf niet zijn gegaan, maar dat wij van Christus door Zijn Geest daartoe zijn geleid, Ef. 2:8. Hebr. 8:10. verwijsteksten
3 Dat is, tot dezen staat der vriendschap en vrede met God. Waaruit ook voortkomt dat wij met vrijmoedigheid tot Hem gaan, en Hem durven aanroepen als een Vader, Ef. 2:18; 3:12. Hebr. 4:16. verwijsteksten
c 1 Kor. 15:1. verwijsteksten
d Hebr. 3:6. verwijsteksten
4 Of: op de hoop, dat is, lijdzame verwachting door Christus.
5 Namelijk die namaals in ons zal geopenbaard worden, Rom. 8:18. verwijsteksten
 
3 En niet alleenlijk dit, emaar 6wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende dat de verdrukking 7lijdzaamheid werkt,
e Jak. 1:3. verwijsteksten
6 Dat is, wij verheugen ons zelfs daarin, en trotseren dezelve om de verzekerdheid die wij hebben van de goede uitkomst van die, Rom. 8:34, enz. verwijsteksten
7 Niet dat de verdrukking dat doet door haar natuur, maar omdat Christus de gelovigen door Zijn Geest daartegen sterkt, Joh. 16:33. Rom. 8:37. verwijsteksten
 
4 En de lijdzaamheid 8bevinding, en de bevinding 9hoop;
8 Of: ervaring, of: beproeving, namelijk van Christus’ hulp en trouw in het volbrengen van Zijn belofte, waarmede Hij ons heeft beloofd in zulke zwarigheid bij te staan, Joh. 14:17, 18. 2 Kor. 1:5, 6. verwijsteksten
9 Namelijk dat ook de vervulling van alle andere beloften, en inzonderheid van de eeuwige zaligheid, daarop volgen zal, gelijk wij de vervulling van deze belofte hierin bevinden en gevoelen.
 
5 En de hoop 10beschaamt niet, omdat 11de liefde Gods in onze harten 12uitgestort is door den Heiligen Geest, 13Die ons is gegeven.
10 Dat is, mist en bedriegt niet. Want als wij iets verwachten, of tot roemens toe hopen, dat ons daarna mist, zo worden wij daarover bij onszelven bedroefd en bij anderen beschaamd.
11 Namelijk waarmede Hij ons in Christus Jezus liefheeft, gelijk uitgedrukt wordt vers 8, hetwelk ons in den tijd van verdrukking meest troost en versterkt, Rom. 8:38, 39. verwijsteksten
12 Dat is, overvloediglijk betuigd, Rom. 8:16. verwijsteksten
13 Namelijk tot een Vertrooster in ons gemoed, en een Onderpand van onze erve, Joh. 14:16, 17. 2 Kor. 1:22. Ef. 1:13. En dit is het eerste fundament, waarom de hoop niet beschaamt, omdat de Heilige Geest hierin niet kan liegen. verwijsteksten
 
6 fWant 14Christus, als wij nog 15krachteloos waren, is 16te zijner tijd voor 17de goddelozen gestorven.
f Ef. 2:1. Kol. 2:13. Hebr. 9:15. 1 Petr. 3:18. verwijsteksten
14 Dit is het andere fundament onzer hoop, de verzekerdheid der liefde van Christus jegens ons, Die ons met God verzoend heeft toen wij nog vreemd van Hem waren, veelmeer dan ons behouden zal, nadat wij nu Zijn vrienden door het geloof geworden zijn.
15 Of: onmachtig, namelijk om onszelven te verlossen, als overwonnen door de zonde gelijk door een dodelijke ziekte.
16 Of: te rechter of bekwamer tijd, dat is, in den tijd van God bestemd, Gal. 4:4. verwijsteksten
17 Dat is, die in zichzelven zondaars waren, en door hun zonden Gods toorn meer en meer over zich verwekten.
 
7 Want nauwelijks zal iemand voor een rechtvaardige sterven; want voor 18den goede zal 19mogelijk iemand ook 20bestaan te sterven;
18 Of: nuttige, dat is, die hem of anderen dienstig en nuttig is.
19 Dit zegt de apostel, omdat, inzonderheid in de Romeinse historiën, hoewel zeer weinigen, nochtans enigen worden gevonden, die zich in den dood hebben begeven om hun vrienden en medeburgers te verlossen van zwarigheid; maar niemand van die is voor zijn vijanden gestorven, gelijk Christus gedaan heeft.
20 Gr. durven.
 
8 Maar God 21bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus gvoor ons gestorven is als wij 22nog zondaars waren.
21 Of: recommandeert, aanprijst.
g Hebr. 9:15. 1 Petr. 3:18. verwijsteksten
22 Dat is, als de zonde over ons nog haar heerschappij had, Joh. 9:31. Rom. 6:17, 19, 20. verwijsteksten
 
9 Veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd 23door Zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden 24van den toorn.
23 Gr. in Zijn bloed, dat is, door Zijn gehoorzaamheid tot den dood des kruises, Filipp. 2:8, welke is de bewegende oorzaak waarom ons God rechtvaardigt en waarop het geloof steunt, Rom. 3:25. verwijsteksten
24 Dat is, van de straf des toekomenden oordeels, 1 Thess. 1:10, hetwelk ook de dag des toorns genaamd wordt, Rom. 2:5. verwijsteksten
 
10 Want indien wij 25vijanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood Zijns Zoons, veel meer zullen wij verzoend zijnde, behouden worden 26door Zijn leven.
25 Namelijk om de zonde die in ons was, welke God haat, en vijandschap is tegen God, Rom. 8:7. Anderszins heeft hij gezegd dat God ons liefgehad heeft, toen wij nog zondaars waren, vers 8. Namelijk ten aanzien dat wij van Hem uitverkoren en aan Christus om te verlossen gegeven waren, Joh. 17:2, 6. Rom. 9:13. verwijsteksten
26 Gr. in Zijn leven, dat is, door Hem Die nu leeft en zit ter rechterhand Gods, aldaar voor ons bidt, en alle dingen Zich heeft onderworpen, Rom. 8:34. Ef. 1:20, 21, 22, enz. Hebr. 9:24. verwijsteksten
 
11 En niet alleenlijk dit, maar 27wij roemen ook in God door onzen Heere Jezus Christus, door Welken wij nu de verzoening gekregen hebben.
27 Namelijk hiervan, dat wij nu verzoend zijnde, ook zullen behouden worden van den toekomenden toorn, vss. 9, 10, en dat God onze God is en eeuwiglijk zal blijven. verwijsteksten
 
Adam en Christus
12 28Daarom, gelijk hdoor 29één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde ide dood, en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, 30in welken allen 31gezondigd hebben.
28 In de volgende verzen verklaart de apostel hoe wij door Christus gerechtvaardigd zijn, met een tegenstelling van Adam en zijn ongehoorzaamheid, door welke de dood doorgedrongen is over alle mensen, vss. 12, 13, 14, en daarna hoe Christus’ gehoorzaamheid ons daarentegen tot rechtvaardigheid strekt, vss. 15, 16, 17, 18, 19, door Gods toerekening. En dat het daarom niet ongerijmd is, dat wij allen door de gehoorzaamheid van één Mens gerechtvaardigd worden, alzo wij allen door de ongehoorzaamheid van één mens tot zondaars gesteld zijn. verwijsteksten
h Gen. 3:6. 1 Kor. 15:21. verwijsteksten
29 Namelijk Adam, 1 Kor. 15:21, waaronder ook Eva begrepen is, alzo deze twee één vlees waren, en een gemene stam van het gehele menselijke geslacht, Ef. 5:31. 1 Tim. 2:14. verwijsteksten
i Gen. 2:17. Rom. 6:23. verwijsteksten
30 Namelijk énen mens, gelijk dit Griekse woordje epi voor in ook elders wordt genomen, Mark. 2:4. Hebr. 9:17, enz., en dit woordje in van Paulus ook over deze zaak gebruikt wordt, 1 Kor. 15:22. Of: voor zoveel, of: omdat zij allen gezondigd hebben, en dat brengt ook noodzakelijk denzelfden zin mede, want alle mensen die sterven, hebben in zichzelven geen dadelijke zonden begaan, gelijk blijkt in de onmondige kinderen, van welke velen sterven in hun onmondigheid, en derhalve moeten gezondigd hebben in dezen énen mens, in wiens lendenen zij waren; gelijk Levi gezegd wordt tienden gegeven te hebben, zijnde in de lendenen van Abraham, Hebr. 7:9. Zie hiervan breder verklaring in de volgende verzen en Job 14:4. Ps. 51:7. Joh. 3:5, 6. Ef. 2:3, enz. verwijsteksten
31 Namelijk alzo is ook door één Mens Jezus Christus de gerechtigheid en het leven over alle gelovigen gekomen. Gelijk Paulus besluit vss. 18, 19. verwijsteksten
 
13 Want 32tot de wet 33was de zonde in de wereld; maar de zonde wordt 34niet toegerekend 35als er geen wet is.
32 Namelijk van Mozes gegeven.
33 Dat is, was ook in de wereld, gelijk uit den dood blijkt, vers 14, die de bezoldiging der zonde is, Rom. 6:23. verwijsteksten
34 Dat is, niet voor zonde gehouden of gerekend.
35 Waaruit de apostel besluiten wil, dat er dan een andere wet is geweest, door welker overtreding alle mensen ook in dien tijd zondaars geweest zijn; en dat niet alleen de wet der natuur, die de onmondige kinderen niet hebben overtreden, maar de wet die God aan den eersten mens had gegeven, wiens overtreding aan allen, ook zelfs aan de onmondige kinderen, is toegerekend, gelijk het volgende vers medebrengt.
 
14 Maar 36de dood heeft geheerst van Adam tot Mozes toe, ook over degenen 37die niet gezondigd hadden in de gelijkheid der overtreding van Adam, welke 38een voorbeeld is 39Desgenen Die komen zou.
36 Namelijk niet alleen de geestelijke en eeuwige dood, maar ook de lichamelijke, van welken hij in dit vers inzonderheid spreekt, omdat die voor allen klaarblijkelijk was, Rom. 8:10. 1 Kor. 15:22. verwijsteksten
37 Dat is, de onmondige kinderen, die nog geen dadelijke zonden tegen de wet Gods hebben begaan, gelijk Adam en alle volwassenen na hem gedaan hebben, en die evenwel sterven. Waaruit dan blijkt dat zij met de erfzonde besmet zijn.
38 Dat is, een gelijk voorbeeld, namelijk dat gelijk Adam degenen die van hem natuurlijkerwijze geboren zijn, in hem en door hem tot zondaars gesteld heeft, alzo ook Christus allen die door Hem op bovennatuurlijke wijze herboren worden, in Hem en door Hem tot rechtvaardigen stelt, gelijk de volgende verklaring bewijst.
39 Dat is, van Christus, het beloofde Zaad, Dat den satan den kop zou vertreden, Gen. 3:15, op welke belofte de apostel hier schijnt te zien. Want aldaar wordt de tweede Adam beloofd, zo haast de eerste was gevallen. verwijsteksten
 
15 Doch niet gelijk 40de misdaad, alzo is ook 41de genadegift. Want indien door de misdaad van één 42velen gestorven zijn, zo is veel meer 43de genade Gods en 44de gave door de genade, die daar is van één Mens, Jezus Christus, 45overvloedig geweest 46over velen.
40 Of: val, afval; dat is, de zonde van Adam, die in dit hoofdstuk meermaals met dit woord genaamd wordt.
41 Dat is, de weldaad die ons door Christus is verkregen en wordt geschonken.
42 Dat is, niet alleen hij zelf, maar vele anderen, namelijk allen die van hem naar de natuur gekomen zijn.
43 Dat is, de barmhartigheid en onverdiende gunst Gods.
44 Dat is, de gerechtigheid van Christus, die ons van God uit genade door het geloof wordt toegerekend.
45 Dat is, krachtiger en menigvuldiger. Een gelijkenis genomen van het water dat het vuur door zijn kracht of vloed uitblust, dat alzo ook de kracht en overvloed van Christus’ gerechtigheid de zonde en schuld uitblust.
46 Dat is, allen die Hem door het geloof worden ingelijfd.
 
16 En niet gelijk de schuld was door 47den énen die gezondigd heeft, alzo is de gift. Want 48de schuld is wel uit één misdaad tot 49verdoemenis, maar de genadegift is uit 50vele misdaden tot rechtvaardigmaking.
47 Namelijk Adam, als tevoren.
48 Of: oordeel, dat is, schuld, gelijk 1 Tim. 5:12. Namelijk waardoor wij om de zonde voor Gods oordeel den tijdelijken en eeuwigen dood schuldig zijn, gelijk uit het volgende blijkt. verwijsteksten
49 Namelijk voor degenen die door het geloof in Christus van dezen verdoemelijken staat niet verlost worden.
50 Namelijk dergenen die deze algemene zonde met vele bijzondere zonden hebben verzwaard, gelijk alle mensen doen die tot hun jaren gekomen zijn.
 
17 Want indien door de misdaad van één de dood geheerst heeft door 51dien énen, veel meer zullen degenen die den overvloed der genade en der gave der rechtvaardigheid 52ontvangen, 53in het leven heersen door dien Enen, namelijk Jezus Christus.
51 Namelijk eersten Adam, als tevoren.
52 Of: aannemen, namelijk door het ware geloof, Joh. 1:12. verwijsteksten
53 Dat is, dit geestelijke leven deelachtig zijnde, de overhand hebben over de zonde en schuld derzelve, Gal. 2:19, 20. Ef. 2:5, 6, en hierna het eeuwige leven deelachtig worden, gelijk vers 21 nader verklaard wordt. verwijsteksten
 
18 Zo dan, gelijk door één misdaad de schuld gekomen is over alle mensen 54tot verdoemenis, alzo ook door 55één rechtvaardigheid komt de genade 56over alle mensen tot rechtvaardigmaking des levens.
54 Dat is, hen in zulken staat gebracht waarin zij voor God verdoemelijk zijn, Rom. 3:19. Ef. 2:1, 3. verwijsteksten
55 Gr. dikaioma. Alzo noemt hij de gehoorzaamheid van Christus, omdat zij de kracht heeft om ook anderen te rechtvaardigen, gelijk het Griekse woord hier medebrengt; en wordt gesteld tegen de overtreding van Adam, in welke ook de kracht was om anderen tot zondaars te maken, vers 19. verwijsteksten
56 Namelijk die in Hem geloven; of: die deze gave aannemen, vers 17. verwijsteksten
 
19 57Want gelijk door de ongehoorzaamheid van dien énen mens velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van Eén velen tot rechtvaardigen gesteld worden.
57 Hier besluit de apostel de gelijkenis van Adam en van Christus; namelijk dat gelijk de ongehoorzaamheid van Adam ons toegerekend wordt tot schuld der verdoemenis, alzo Christus’ gehoorzaamheid ons toegerekend wordt tot ontslag van die schuld. Het is wel waar dat gelijk wij door Adams eerste misdaad niet alleen schuldig zijn geworden aan dezelve, en aan de straf van dien, maar ook onze natuur daardoor verdorven is geworden, dat alzo wij door Christus’ gehoorzaamheid niet alleen van de straf verlost zijn, maar ook door de kracht derzelve van Zijn Geest in ons gemoed vernieuwd en geheiligd worden; doch daarvan heeft de apostel tot nog toe niet gesproken, maar begint daarvan te spreken in het volgende. En deze vernieuwing is in dit leven ook geheel onvolmaakt, gelijk hij met zijn eigen voorbeeld zal bewijzen in het zevende hoofdstuk, zodat wij daardoor voor God niet kunnen rechtvaardig gesteld worden.
 
20 k58Maar de wet is 59bovendien ingekomen, opdat de misdaad 60te meerder worde; len waar de zonde meerder geworden is, daar is 61de genade veel meer overvloedig geweest;
k Joh. 15:22. Rom. 4:15; 7:8. Gal. 3:19. verwijsteksten
58 Hier beantwoordt de apostel deze tegenwerping: Indien wij door de gerechtigheid van Christus alleen tot rechtvaardigen gesteld worden, waartoe is dan de wet den Israëlieten door Mozes gegeven? En verklaart dat de wet niet is gegeven om gerechtvaardigd te worden door haar, maar opdat de zonde, en de straf die wij vanwege de zonde schuldig zijn, te beter zou bekend worden; en dat alzo de genade Gods in Christus, die ons niettegenstaande de zwaarte onzer zonden rechtvaardigt, te meerder zou geacht worden, en wij te vlijtiger onze toevlucht tot dezelve zouden nemen. Zie Gal. 3:19. verwijsteksten
59 Namelijk boven de schuld die wij van nature onderworpen waren; of: boven de belofte, die alrede aan Abraham gedaan was, waarvan in het voorgaande hoofdstuk en Gal. 3:17 gesproken wordt. verwijsteksten
60 Dat is, te klaarblijkelijker, en ook te sterker, niet door de schuld van de wet, maar van onze verdorven natuur, die altijd strijd voert tegen hetgeen haar verboden is, Rom. 7:5, 8. verwijsteksten
l Luk. 7:47. verwijsteksten
61 Zie de aantt. op het 15de vers.
 
21 Opdat gelijk de zonde 62geheerst heeft 63tot den dood, alzo ook 64de genade zou heersen 65door rechtvaardigheid 66tot het eeuwige leven, door Jezus Christus, onzen Heere.
62 Dat is, de overhand over ons gehad heeft, of ons aan zijn macht heeft onderworpen.
63 Gr. in den dood, namelijk den tijdelijken en eeuwigen dood, gelijk blijkt uit de volgende tegenstelling.
64 Namelijk Gods over ons.
65 Namelijk die ons van Hem door het geloof is geschonken.
66 Namelijk hetwelk hier in ons begint, en namaals ten volle over ons zal geopenbaard worden, Joh. 11:25, 26. Kol. 3:3, 4. verwijsteksten

Einde Romeinen 5