Statenvertaling.nl

sample header image

Handelingen 7 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Handelingen 7

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

1 Stefanus zich voor den Raad verantwoordende, verhaalt hoe God Abraham uit Chaldea geleid, met hem en zijn zaad een verbond gemaakt, en hun het land Kanaän beloofd had. 9 Dat Jozef in Egypte verkocht, en aldaar tot een vorst gesteld is. 11 En dat Jakob om den duren tijd met zijn geslacht daar getrokken en gestorven is. 17 Hoe zijn nakomelingen daar vermenigvuldigd en wredelijk behandeld zijn. 20 Hoe Mozes geboren, weggeworpen, en van de dochter van Farao opgenomen en opgevoed is in alle wijsheid der Egyptenaars. 23 Dat hij zijn broeders bezoekt, en slaat den Egyptenaar die een van dezelve verongelijkte. 27 Hetwelk hem verweten wordt. 29 En daarom vliedt hij naar Midian. 30 Waar hem God in een brandenden doornbos verschijnt, en naar Egypte zendt om het volk te verlossen. 37 Die van Christus profeteert, 38 En de wet ontvangt. 39 Hoe het gulden kalf gemaakt werd, en daarmede afgoderij bedreven, alsook met Moloch. 44 Hoe de tabernakel opgericht en onder hen geweest is tot de tijden van Salomo, die den tempel heeft gebouwd. 51 Verwijt hun verder dat zij in hardnekkigheid en wreedheid hun vaders gelijk zijn. 54 Waarover zij verbitterd worden tegen hem, en hem stenigen; maar hij den hemel open ziende, beveelt Christus zijn ziel, bidt voor hen, en ontslaapt.
 
De rede van Stéfanus
1 EN de hogepriester zeide: Zijn dan 1deze dingen alzo?
1 Namelijk waarvan gij beschuldigd wordt.
 
2 En hij zeide: Gij mannen 2broeders en vaders, hoort toe. De God der heerlijkheid verscheen 3onzen vader Abraham, nog zijnde in 4Mesopotámië, 5eer hij woonde in 6Haran,
2 Zo noemt hij hen omdat zij van één geslacht waren; die van gelijken ouderdom onder hen waren, noemende broeders, en die ouder of in enig ambt waren, vaders.
3 Dat is, van welken wij Joden afkomstig zijn, en waarover wij altijd roemen, Joh. 8:39. verwijsteksten
4 Zo wordt in het Grieks genaamd het land dat midden ligt tussen de rivieren Tigris en Eufraat; in het Hebreeuws genaamd Aram Naharaïm, dat is, Syrië tussen de rivieren, Gen. 24:10, tot hetwelk ook gerekend werd het land van Babylonië, waarvan Chaldea een deel was, Gen. 11:31. Zie ook Plinius, boek 6, hfdst. 9; 26. verwijsteksten
5 Namelijk als hij nog woonde in Ur, een stad van Chaldea, Gen. 11:31; 15:7. verwijsteksten
6 Dit was een stad van Mesopotamië, over de rivier Eufraat, Gen. 11:31; 28:10; 29:4. Joz. 24:2, anders genaamd Carrhae, alwaar eertijds de Romeinse veldoverste M. Crassus van de Parthen is verslagen. verwijsteksten
 
3 En zeide tot hem: aGa uit uw land en uit uw maagschap, en kom 7in een land dat Ik u wijzen zal.
a Gen. 12:1. verwijsteksten
7 Dit was het land Kanaän, hetwelk God hem in het eerst niet noemde, om zijn geloof en gehoorzaamheid te beter te beproeven en tevoorschijn te brengen, Gen. 12:1. verwijsteksten
 
4 Toen ging hij uit het land der Chaldeeën, en woonde in Haran. En vandaar, nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem over in dit land, waar gij nu in woont.
5 En Hij gaf hem geen erfdeel in hetzelve, ook 8niet een voetstap, b9en beloofde dat Hij hem hetzelve tot een bezitting geven zou, en aan zijn 10zaad na hem, als hij nog geen kind had.
8 Dat is, niet zoveel eigens dat hij zijn voet daarop kon stellen. Zie Deut. 2:5. Daarna heeft hij daarin een akker met een spelonk gekocht, en dat niet om daar te wonen, maar om zijn doden daarin te begraven, Gen. 23:9. verwijsteksten
b Gen. 12:7; 13:15. verwijsteksten
9 Dat is, hoewel Hij hem beloofd had. Of: maar Hij beloofde.
10 Dat is, nakomelingen.
 
6 En God sprak alzo, cdat zijn zaad 11vreemdeling zijn zou 12in een vreemd land, en dat 13zij het zouden 14dienstbaar maken en kwalijk behandelen d15vierhonderd jaren.
c Gen. 15:13. verwijsteksten
11 Gr. paroikos, dat is, een inwoner of bijwoner, die niet in zijn eigen, maar in eens anders huis of land woont.
12 Namelijk het land van Egypte.
13 Namelijk de Egyptenaars.
14 Door deze dienstbaarheid wordt ook verstaan al hun ballingschap en vreemdelingschap, en niet alleen die harde dienstbaarheid die de Israëlieten in Egypte eerst onderworpen zijn geweest na den dood van Jozef, Ex. 1:6, 10, 11, want die heeft geen vierhonderd jaren geduurd. verwijsteksten
d Gen. 15:16. Ex. 12:40. Gal. 3:17. verwijsteksten
15 Die gerekend moeten worden van den tijd dat Abraham naar deze belofte zaad heeft gekregen en Izak hem geboren is, of als Izak gespeend werd, Gen. 21:2, 8. Doch wat aangaat de vierhonderd en dertig jaren waarvan gesproken wordt Ex. 12:40 en Gal. 3:17, zie de aantt. daarvan op dezelve plaatsen, Gen. 12:1, tussen welken tijd en het spenen van Izak dertig jaren zijn. Zie Gen. 15:13, op welke plaats Stefanus hier ziet. verwijsteksten
 
7 16En het volk dat zij dienen zullen, zal Ik 17oordelen, sprak God; en edaarna zullen zij uitgaan, fen zij zullen Mij dienen in deze plaats.
16 Of: Maar.
17 Dat is, straffen naar Mijn rechtvaardig oordeel, 1 Kor. 11:31. Hebr. 13:4, hetwelk ook voornamelijk geschied is als Farao met zijn ganse heir in de Rode Zee verdronken is. verwijsteksten
e Gen. 15:16. verwijsteksten
f Ex. 3:12. verwijsteksten
 
8 En Hij gaf 18hem 19het verbond gder besnijdenis; 20en alzo hgewon hij Izak, en besneed hem op den achtsten dag; en Izak igewon Jakob, en Jakob kde twaalf patriarchen.
18 Namelijk Abraham.
19 Dat is, de besnijdenis, die een teken en zegel des verbonds was. Zie Gen. 17:10. Rom. 4:11. verwijsteksten
g Gen. 17:10. verwijsteksten
20 Of: en deze.
h Gen. 21:2. verwijsteksten
i Gen. 25:24. verwijsteksten
k Gen. 29:32; 30:5; 35:23. verwijsteksten
 
9 En de patriarchen lnijdig zijnde, mverkochten Jozef om naar Egypte gebracht te worden; en God 21was met hem,
l Gen. 37:4. verwijsteksten
m Gen. 37:28. Ps. 105:17. verwijsteksten
21 Namelijk met Zijn bijzondere gunst, genade en zegening.
 
10 En verloste hem uit al zijn verdrukkingen, en gaf hem 22genade en wijsheid voor Farao, den koning van Egypte; en hij nstelde hem tot een 23overste over Egypte en zijn gehele huis.
22 Dat is, aangenaamheid, dat hem Farao gunstig was.
n Gen. 41:40. verwijsteksten
23 Gr. voorganger.
 
11 oEn er kwam een hongersnood over het gehele land van Egypte en Kanaän, en grote benauwdheid; en onze vaders vonden 24geen spijze.
o Gen. 41:54. Ps. 105:16. verwijsteksten
24 Namelijk voor hen en voor hun vee. Of: niet om hen te verzadigen.
 
12 pMaar als Jakob hoorde dat in Egypte koren was, zond hij 25onze vaders de eerste maal uit.
p Gen. 42:1. verwijsteksten
25 Dat is, zijn zonen, van welke wij afkomstig zijn.
 
13 qEn in de tweede 26reize werd Jozef aan zijn broederen bekend, en het geslacht van Jozef werd aan Farao openbaar.
q Gen. 45:4. verwijsteksten
26 Dat is, wederkomst in Egypte.
 
14 En Jozef zond heen en ontbood zijn vader Jakob, en al zijn 27geslacht, bestaande in 28vijf en zeventig zielen.
27 Of: maagschap.
28 In den Hebreeuwsen tekst, Gen. 46:27. Ex. 1:5. Deut. 10:22, wordt maar van zeventig zielen vermeld; maar in de Griekse overzetting staat, Gen. 46:27. Ex. 1:5, van vijf en zeventig, welke overzetting sommigen menen dat Lukas hier heeft gevolgd. Zie dergelijk Luk. 3:36. Anderen menen dat Stefanus boven de zeventig nog zou gerekend hebben de vier huisvrouwen van Jakob, en de twee zonen van Juda in Kanaän gestorven, zonder Jakob zelven mede te rekenen. verwijsteksten
 
15 rEn Jakob kwam af in Egypte, en sstierf, hij zelf en onze vaders.
r Gen. 46:5. verwijsteksten
s Gen. 49:33. verwijsteksten
 
16 tEn 29zij werden overgebracht 30naar Sichem, en gelegd in het graf vhetwelk 31Abraham gekocht had voor 32een som geld van de zonen van Hemor, 33den vader van Sichem.
t Gen. 50:13. Ex. 13:19. Joz. 24:32. verwijsteksten
29 Dat is, hun gebeente.
30 Dit was een stad in het land van Samaria, Gen. 33:19, anders ook Sichar genaamd, Joh. 4:5, bij welke de beenderen van Jozef begraven zijn, in dat stuk veld hetwelk Jakob kocht van de kinderen van Hemor, den vader van Sichem, Joz. 24:32, en het is gelofelijk dat enige beenderen der andere voorvaders ook daar gebracht zijn. verwijsteksten
v Gen. 23:16. verwijsteksten
31 Gen. 33:19. Joz. 24:32 wordt uitdrukkelijk gezegd, dat Jakob van de kinderen van Hemor, den vader van Sichem, een stuk land gekocht heeft; waarom sommigen menen dat het woord Jakob uit het voorgaande vers moet herhaald worden, en dat het woord Abraham eertijds in den tekst niet heeft gestaan. Doch anderen menen dat het woord Abraham in den tekst wel mag behouden worden, alzo ook Abraham te Hebron een spelonk gekocht heeft van Efron, den zoon van Zohar, tot begraving zijner doden, Gen. 23:16, in welke ook Jakob heeft willen begraven zijn, Gen. 49:29, 30, en alwaar ook schijnt dat de gebeenten van enige andere voorvaders van Sichem overgebracht zijn. En dezen zetten den tekst hier aldus over: benevens hetgeen, dat is, benevens het graf, dat van deze zonen van Hemor, den vader van Sichem, namelijk door Jakob gekocht was, Gen. 33:19. verwijsteksten
32 Gr. voor prijs van zilver.
33 Zie Gen. 33:19. verwijsteksten
 
17 Maar als nu 34de tijd der belofte, die God aan Abraham gezworen had, genaakte, xwies het volk en vermenigvuldigde in Egypte,
34 Namelijk aan Abraham gedaan, dat zijn nakomelingen uit het vreemde land en de dienstbaarheid verlost zouden worden, vers 7, of van de vermenigvuldiging zijns zaads, Gen. 22:16, 17. verwijsteksten
x Ex. 1:7. Ps. 105:24. verwijsteksten
 
18 Totdat een ander koning opstond, 35die Jozef niet gekend had.
35 Namelijk hoeveel goeds hij aan Egypte gedaan had; en daarom den Hebreeën niet gunstig was.
 
19 Deze 36gebruikte listigheid tegen ons geslacht en handelde kwalijk met onze vaderen, zodat zij hun jonge kinderen moesten wegwerpen, opdat zij niet zouden 37voorttelen;
36 Dat is, onderdrukte hen met listen. Door den zwaren arbeid hen ten onder houdende en zijn profijt doende; en hun mannelijke kinderen dodende, opdat zij niet meer zouden vermenigvuldigen. Zie Ex. 1:10. verwijsteksten
37 Of: in het leven blijven.
 
20 yIn welken tijd Mozes werd geboren, en was 38uitnemend schoon; welke drie maanden opgevoed werd in het huis zijns vaders.
y Ex. 2:2; 6:19. Num. 26:59. 1 Kron. 23:13. Hebr. 11:23. verwijsteksten
38 Gr. Gode schoon, dat is, Goddelijk of uitnemend, Ex. 2:2. Alzo wordt Nineve genaamd een stad Gode groot, dat is, uitnemend groot. God had hem die grote schoonheid gegeven om daardoor de dochter van Farao te bewegen hem bij het leven te behouden en voor haar zoon aan te nemen, Ex. 2:10. verwijsteksten
 
21 En als hij weggeworpen was, nam hem de dochter van Farao op, en voedde hem voor zichzelve op 39tot een zoon.
39 Dat is, hem tot een zoon aangenomen of geadopteerd hebbende, Hebr. 11:24. verwijsteksten
 
22 En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaars, en was machtig in woorden en in werken.
23 zAls hem nu de tijd van 40veertig jaren vervuld was, kwam hem in zijn hart 41zijn broeders, de kinderen Israëls, te bezoeken.
z Ex. 2:11. verwijsteksten
40 Namelijk die hij in het hof van Farao geleefd had.
41 Dat is, die van zijn volk en geslacht waren.
 
24 aEn ziende 42een die onrecht leed, beschermde hij hem en wreekte dengene dien overlast geschiedde, en versloeg den Egyptenaar.
a Ex. 2:11. verwijsteksten
42 Namelijk Israëliet.
 
25 En hij meende dat zijn broeders zouden 43verstaan, dat God 44door zijn hand hun 45verlossing geven zou; maar zij hebben het 46niet verstaan.
43 Namelijk uit deze zijn daad.
44 Dat is, door zijn dienst. Hebr.
45 Gr. behoudenis, namelijk uit de slavernij van Egypte.
46 Namelijk uit onachtzaamheid of halsstarrigheid, welk gebrek altijd bij dit volk geweest is. Zie vers 35. verwijsteksten
 
26 bEn den volgenden dag werd hij van hen gezien, daar zij vochten, en hij 47drong hen tot vrede, zeggende: Mannen, gij zijt broeders; waarom doet gij elkander ongelijk?
b Ex. 2:13. verwijsteksten
47 Namelijk met ernstige vermaningen.
 
27 En die zijn naaste ongelijk deed, verstiet hem, zeggende: cWie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld?
c vers 35. Ex. 2:14. Matth. 21:23. Hand. 4:7. verwijsteksten
 
28 Wilt gij mij ook ombrengen, gelijkerwijs gij gisteren den Egyptenaar omgebracht hebt?
29 En Mozes vluchtte 48op dat woord, en werd een vreemdeling in het land Midian, waar hij twee zonen gewon.
48 Gr. in dat woord, dat is, zo haast dat gesproken was; omdat hij daaruit verstond dat zijn daad niet verborgen was, gelijk hij gemeend had.
 
30 dEn als 49veertig jaren vervuld waren, verscheen hem 50de Engel des Heeren in de woestijn van den berg Sinaï 51in een vlammig vuur van het doornbos.
d Ex. 3:2. verwijsteksten
49 Namelijk die hij na de vlucht uit Egypte in Midian doorgebracht had; zodat hij nu tachtig jaren oud was. Zie vers 23. verwijsteksten
50 Namelijk de eeuwige Zone Gods, de Heere Zelf, gelijk men ziet in de twee volgende verzen en Ex. 3:4, 5; 23:21. 1 Kor. 10:9. verwijsteksten
51 Gr. in een vlam vuurs.
 
31 Mozes nu dat ziende, verwonderde zich over het gezicht; en als hij derwaarts ging om dat 52te bezien, zo geschiedde een stem des Heeren tot hem,
52 Of: te bemerken.
 
32 Zeggende: eIk ben de God uwer vaderen, de God Abrahams en de God Izaks en de God Jakobs. En Mozes werd zeer bevende, en durfde 53het niet 54bezien.
e Ex. 3:6. Matth. 22:32. Hebr. 11:16. verwijsteksten
53 Of: Hem, namelijk den Engel.
54 Of: bemerken.
 
33 En de Heere zeide tot hem: fOntbind 55de schoenen van uw voeten; want de plaats in welke gij staat, is 56heilig land.
f Joz. 5:15. verwijsteksten
55 Het Griekse woord betekent zolen die onder aan de voeten met banden aangebonden werden.
56 Namelijk om de Goddelijke verschijning die daar geschiedde.
 
34 Ik heb 57merkelijk gezien de mishandeling van Mijn volk dat in Egypte is, en Ik heb hun zuchten gehoord, en ben 58nedergekomen om hen daaruit te verlossen; en nu, kom herwaarts, Ik zal u naar Egypte zenden.
57 Gr. ziende gezien. Hebr. Dat is, wel terdege gezien, en ernstiglijk daarop gelet, hoe Mijn volk in Egypte mishandeld wordt.
58 Namelijk van den hemel; hetwelk verstaan moet worden menselijkerwijze gesproken, dat God nu bereid was om Zijn volk te verlossen en hun vijanden te straffen. Want anderszins vervult God hemel en aarde, Jer. 23:24. verwijsteksten
 
35 Dezen Mozes, welken zij verloochend hadden, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld? dezen, zeg ik, heeft God tot een overste en verlosser gezonden 59door de hand des Engels, Die hem verschenen was in het doornbos.
59 Dat is, door de bestiering. Hebr.
 
36 gDeze heeft hen uitgeleid, doende wonderen en tekenen in het land van Egypte, en in de Rode Zee, hen in de woestijn, veertig jaren.
g Exodus 7; 8; 9; 10; 11; 13; 14. verwijsteksten
h Ex. 16:1. Deut. 1:3. verwijsteksten
 
37 Deze is de Mozes die tot de kinderen Israëls gezegd heeft: iDe Heere uw God zal u 60een Profeet verwekken uit uw broederen, gelijk mij; kDien zult gij horen.
i Deut. 18:15, 18. Joh. 1:46. Hand. 3:22. verwijsteksten
60 Namelijk den Christus of Messias. Hier toont Stefanus dat hij tegen Mozes niet leert als hij Jezus Christus predikt, dewijl Mozes zelf van Hem geprofeteerd heeft.
k Matth. 17:5. verwijsteksten
 
38 lDeze is het die in de 61vergadering des volks in de woestijn was mmet 62den Engel, Die tot hem sprak op den berg Sinaï, en met onze vaderen; welke de 63levende 64woorden ontving, om ons die te geven;
l Ex. 19:3. verwijsteksten
61 Of: gemeente. Dit is de vergadering des volks geweest die beschreven wordt Exodus 19 en in enige volgende hoofdstukken. verwijsteksten
m Gal. 3:19. verwijsteksten
62 Namelijk de Zone Gods, vers 30. verwijsteksten
63 Dat is, den weg ten leven aanwijzende.
64 Dat is, uitspraken of aanspraken Gods, waarmede Hij Zijn wil verklaarde.
 
39 Denwelken onze vaders niet wilden gehoorzaam zijn, 65maar verwierpen hem, en keerden met hun harten weder 66naar Egypte,
65 Namelijk Mozes, en God door Mozes hun Zijn levende woorden voorhoudende.
66 Namelijk verlangende weder naar dat land, of naar de bijgelovigheden van Egypte.
 
40 Zeggende tot Aäron: nMaak ons goden die voor ons heen gaan; want wat dezen Mozes aangaat, die ons uit het land van Egypte geleid heeft, wij weten niet wat hem geschied is.
n Ex. 32:1. verwijsteksten
 
41 En zij maakten een kalf in die dagen, en brachten offerande 67tot den afgod, en 68verheugden zich in de 69werken hunner handen.
67 Of: tot het beeld, waarmede zij afgoderij bedreven, namelijk tot het kalf.
68 Namelijk met eten, drinken en spelen, Ex. 32:6. 1 Kor. 10:7. verwijsteksten
69 Dat is, in het gulden kalf, dat zij zelven met hun eigen handen gemaakt hadden. Zo worden de afgoden dikwijls genaamd, om hun nietigheid en der afgodendienaren dwaasheid aan te wijzen, Ps. 115:4. verwijsteksten
 
42 En God 70keerde Zich en 71gaf hen over, dat zij 72het heir des hemels dienden, gelijk geschreven is 73in het boek der Profeten: 74oHebt gij ook slachtoffers en offeranden Mij opgeofferd, veertig jaren in de woestijn, gij huis Israëls?
70 Dat is, werd toornig over hen, daar Hij tevoren hun gunstig was geweest en weldeed. Of: keerde Zich van hen af.
71 Namelijk als een rechtvaardig Rechter aan hun begeerlijkheden en in een verkeerden zin, Rom. 1:24, 28. verwijsteksten
72 Dat is, de zon, maan en andere gesternten. Zie Deut. 17:3. 2 Kon. 17:16. Jes. 40:26. Jer. 19:13. verwijsteksten
73 Namelijk der kleine profeten, die in een boek tezamen bijeengesteld waren. Dit staat bij den profeet Amos, Amos 5:25. verwijsteksten
74 Met dit vragen wil Hij zeggen, dat zij Hem niet hebben geofferd naar behoren, noch met een oprecht hart, Amos 5:21. verwijsteksten
o Amos 5:25. verwijsteksten
 
43 pJa, gij hebt 75opgenomen den tabernakel van 76Moloch, en 77het gesternte van uw god 78Remfan, de 79afbeeldingen die gij gemaakt hebt om die te aanbidden; en Ik zal u overvoeren op gene zijde van 80Babylonië.
p Amos 5:26, 27. verwijsteksten
75 Namelijk op uw schouders, om die om te dragen.
76 Deze Moloch was een afgod der Ammonieten, Lev. 18:21. 1 Kon. 11:7. Jer. 32:35. Deze naam komt van het Hebreeuwse woord melech, dat is, koning, gelijk ook Milcom, 1 Kon. 11:5. verwijsteksten
77 Zie hiervan Amos 5:26, en dergelijke ook Jer. 7:18; 44:25. verwijsteksten
78 In den Hebreeuwsen tekst staat Kijun, waardoor sommigen verstaan den afgod Hercules, omdat de Egyptenaars, welker afgoderij de Israëlieten veel volgden, denzelven Kon noemden; anderen den afgod Saturnus, die van de Egyptenaars ook Refan genaamd werd, welk woord, doch veranderd in Raifan, in de Griekse overzetting voor Kijun gesteld is, die hier van Lukas gevolgd wordt, alzo dezelve in den grond met den Hebreeuwsen tekst overeenkomt. Maar in de Griekse overzetting die Stefanus volgt, staat Raifan, hetwelk daarna in Remfan veranderd is. De Hebreeën noemen een reus refa, waarvan sommigen menen dit woord gekomen te zijn, en dat de afgod Hercules, die in de gedaante van een reus geëerd placht te worden, daarmede betekend wordt.
79 Gr. uitdrukselen.
80 In het Hebreeuws staat Damascus, gelijk ook in de Griekse overzetting. Doch Stefanus heeft meer op den zin dan op de woorden gezien, alzo de historie leert, dat zij overgevoerd zijn niet alleen aan gene zijde van Damascus, maar ook verder aan gene zijde van Babylonië, in Perzië en Medenland. Zie 2 Kon. 17:6 en Josephus, Oudheden, boek 9, hfdst. 14. verwijsteksten
 
44 De tabernakel 81der getuigenis was onder onze vaderen in de woestijn, gelijk geordineerd had Hij Die tot Mozes zeide, dat hij denzelven maken zou qnaar de afbeelding die hij gezien had;
81 Alzo genaamd omdat de tafelen der wet, die de getuigenis des Heeren genaamd wordt, daarin bewaard werden, en God daaruit getuigenis en antwoord gaf van Zijn wil, Ex. 25:22. 2 Kon. 11:12. 2 Kron. 23:11, en was anders genaamd des bescheids, of: der samenkomst, omdat het volk, als zij vergaderen zouden, daar bescheiden werd om bijeen te komen. Zie Ex. 40:2, vergeleken met Ex. 33:7. verwijsteksten
q Ex. 25:40. Hebr. 8:5. verwijsteksten
 
45 rWelken ook onze vaders 82ontvangen hebbende, met 83Jozua gebracht hebben 84in het land dat de heidenen bezaten, die God verdreven heeft 85van het aangezicht onzer vaderen, tot de dagen van David toe;
r Joz. 3:14. verwijsteksten
82 Namelijk als van hand tot hand van hun voorouders.
83 Gr. Jezus. Dat is, Jozua, den zoon van Nun. Waaruit men ziet dat de namen Jozua en Jezus enerlei namen zijn. Zie ook Hebr. 4:8. verwijsteksten
84 Gr. in de bezitting der heidenen, of: als zij het bezit der heidenen innamen.
85 Dat is, voor hen heen; of alzo dat zij het aangezicht onzer vaderen niet konden verdragen, Ex. 23:28. Joz. 24:12. Ps. 44:4. verwijsteksten
 
46 sDewelke voor God 86genade gevonden heeft, en tbegeerd heeft 87te vinden een woonstede voor den God Jakobs.
s 1 Sam. 16:1. Ps. 89:21. Hand. 13:22. verwijsteksten
86 Zie Luk. 1:30. verwijsteksten
t 2 Sam. 7:2. 1 Kron. 17:1. Ps. 132:5. verwijsteksten
87 Dat is, te verkrijgen of te bouwen.
 
47 vEn Sálomo bouwde Hem 88een huis.
v 1 Kon. 6:1. 1 Kron. 17:12. verwijsteksten
88 Dat is, een vast en bestendig gebouw, een tempel, om niet langer in een hut of tabernakel, maar in een vast huis te wonen, Ps. 132:3, 4, 5. verwijsteksten
 
48 xMaar de Allerhoogste 89woont niet in tempelen met handen gemaakt; gelijk de profeet zegt:
x 1 Kon. 8:27. Hand. 17:24. verwijsteksten
89 Namelijk alsof Hij daarin gesloten, of daaraan gebonden is; gelijk de Joden zich inbeeldden, Jer. 7:4. verwijsteksten
 
49 yDe hemel is Mij een troon, en de aarde een voetbank Mijner voeten; hoedanig huis zult gij Mij bouwen, zegt de Heere, of welke is de plaats Mijner rust?
y 2 Kron. 6:33. Jes. 66:1. Matth. 5:34; 23:22. verwijsteksten
 
50 zHeeft niet Mijn hand al deze dingen gemaakt?
z Gen. 1:4. verwijsteksten
 
51 aGij hardnekkigen en 90onbesnedenen van hart en oren, gij 91wederstaat altijd den Heiligen Geest; 92gelijk uw vaders, alzo ook gij.
a Neh. 9:16, 17. Jer. 6:10. verwijsteksten
90 Dat is, hoewel gij uiterlijk besneden zijt naar het vlees, zo hebt gij nochtans niet de inwendige besnijdenis des harten, die zonder handen geschiedt, Deut. 10:16; 30:6. Jer. 4:4, zonder welke de uiterlijke niet nut is, Rom. 2:28. verwijsteksten
91 Gr. altijd valt gij tegen den Heiligen Geest, namelijk Die u door Zijn Woord overtuigt, dat de leer van Christus de rechte zaligmakende leer is, en evenwel staat gij dezelve altijd tegen.
92 Zie Ps. 78:8. verwijsteksten
 
52 Wien van de profeten hebben uw vaders niet vervolgd? En zij hebben gedood degenen die tevoren verkondigd hebben de komst 93des Rechtvaardigen, van Welken gijlieden nu 94verraders en 95moorders geworden zijt;
93 Namelijk van Jezus Christus. Zie Jes. 53:11. Hand. 3:14. 1 Joh. 2:1. verwijsteksten
94 Namelijk door Judas.
95 Namelijk door de Romeinse soldaten, Hem, daar Hij onschuldig was, ter dood veroordeeld hebbende.
 
53 bGij, die de wet ontvangen hebt 96door bestellingen der engelen, en hebt ze 97niet gehouden.
b Ex. 19:3; 24:3. Joh. 7:19. Gal. 3:19. Hebr. 2:2. verwijsteksten
96 Of: ordinantiën, dat is, beschikkingen en dienst. Zie Gal. 3:19. verwijsteksten
97 Gr. bewaard.
 
Stéfanus gestenigd
54 Als zij nu dit hoorden, 98berstten hun harten en zij knersten de tanden tegen hem.
98 Gr. werden doorzaagd in hun harten, namelijk van spijt en toorn. Zie Hand. 5:33. verwijsteksten
 
55 Maar hij, vol zijnde des Heiligen Geestes, en de ogen houdende naar den hemel, zag 99de heerlijkheid Gods, en Jezus, 100staande 1ter rechterhand Gods.
99 Dat is, den heerlijken God; of: een Goddelijke heerlijkheid, Luk. 2:9. Namelijk zover dezelve met mensenogen kan gezien worden. verwijsteksten
100 Dat is, zijnde, 1 Petr. 3:22. Anders wordt Hij ook gezegd te zitten ter rechterhand Gods, Mark. 16:19. verwijsteksten
1 Daardoor wordt verstaan de hoogste heerlijkheid en macht.
 
56 En hij zeide: Zie, ik zie de hemelen 2geopend, en 3den Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods.
2 Zie dergelijke Matth. 3:16. verwijsteksten
3 Dat is, Jezus Christus.
 
57 Maar zij roepende met grote stem, stopten hun oren, en vielen eendrachtelijk op hem aan,
58 4cEn wierpen hem ter stad uit, en stenigden hem. dEn de 5getuigen legden hun 6klederen af aan de voeten van een jongeling, genaamd 7Saulus.
4 Willende daarin de wet volgen, Lev. 24:14. verwijsteksten
c 1 Kon. 21:13. Luk. 4:29. verwijsteksten
d Hand. 22:20. verwijsteksten
5 Die naar de wet het stenigen moesten beginnen, Deut. 17:7. verwijsteksten
6 Namelijk hun opperklederen of mantels, opdat zij te beter met stenen zouden kunnen werpen.
7 Wiens bekering beschreven wordt in het volgende negende hoofdstuk.
 
59 En zij stenigden Stéfanus, aanroepende en zeggende: eHeere Jezus, ontvang mijn 8geest.
e Ps. 31:6. Luk. 23:46. verwijsteksten
8 Dat is, ziel. Zie dergelijke Luk. 23:46. verwijsteksten
 
60 En vallende op de knieën, riep hij 9met grote stem: fHeere, 10reken hun deze zonde niet toe. En als hij dat gezegd had, 11ontsliep hij.
9 Zie dergelijke Matth. 27:50. verwijsteksten
f Matth. 5:44. Luk. 23:34. 1 Kor. 4:12. verwijsteksten
10 Gr. stel hun deze zonde niet, dat is, wil die niet staande of blijvende houden, om hen daarover te straffen naar verdienste. Zie dergelijke Luk. 23:34. verwijsteksten
11 Dat is, is gestorven; want de dood der gelovigen wordt een slaap genaamd om de zalige opstanding uit de doden, waardoor zij als uit een slaap wederom zullen opgewekt worden ten eeuwigen leven. Zie Matth. 9:24. Joh. 11:11. 1 Kor. 15:6, 18, 20. 1 Thess. 4:13. verwijsteksten

Einde Handelingen 7