Statenvertaling.nl

sample header image

Handelingen 13 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Handelingen 13

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

1 Barnabas en Saulus worden uit de leraars van Antiochië van den Heiligen Geest gezonden tot de heidenen. 4 Welke reizen door Seleucië naar Cyprus, prediken te Salamis en Pafos. 7 Alwaar de stadhouder Sergius Paulus hen begeert te horen. 8 Barjezus, de tovenaar, dit zoekende te beletten, wordt van Paulus met blindheid geslagen. 12 En de stadhouder bekeerd. 13 Vandaar reizen zij naar Perge. 14 En voorts naar Antiochië in Pisidië. 15 Alwaar Paulus in de synagoge predikende, verhaalt de weldaden Gods, den Israëlieten bewezen tot op David. 23 En bewijst dat de belofte van Davids zaad gedaan, vervuld is in Jezus Christus, Die te Jeruzalem is gekruist en van de doden opgewekt. 33 Gelijk van David was voorzegd. 38 En dat door Hem gerechtvaardigd worden allen die in Hem geloven. 40 En dat Hij straft die Hem ongehoorzaam zijn. 42 Enigen van de Joden geloven, en anderen wederspreken. 46 Waarom zij zich tot de heidenen keren, van welke geloven die ten eeuwigen leven verordineerd waren. 50 De Joden verwekken vervolging tegen Paulus en Barnabas, die het stof van hun voeten schudden en wijken naar Ikonium.
 
Uitzending van Bárnabas en Saulus
1 EN er waren ate Antiochíë in de gemeente die daar was, enige 1profeten en leraars, namelijk Bárnabas, en Simeon genaamd Niger, en Lucius van Cyréne, en Mánahen, die met 2Herodes, den viervorst, opgevoed was, en Saulus.
a Hand. 14:26. verwijsteksten
1 Sommigen nemen deze twee woorden voor één zaak, anderen onderscheiden die alzo, dat profeten geweest zijn die door ingeven des Heiligen Geestes extraordinaire gaven hadden om toekomende dingen te voorzeggen en de Heilige Schrift te verklaren; maar leraars, die gewone beroeping en gaven hadden, om de gemeente in den gehelen godsdienst te onderwijzen en regeren. Zie 1 Kor. 14:1. Ef. 4:11. verwijsteksten
2 Namelijk Herodes Antipas, die Johannes den Doper heeft gedood, Matth. 14:1. Mark. 6:14. Luk. 3:19, en Christus bespot en weder tot Pilatus gezonden heeft, Luk. 23:11. Waaruit blijkt dat deze Manahen een man van aanzien, ook naar de wereld, geweest is. verwijsteksten
 
2 En als zij den Heere 3dienden en vastten, 4zeide de Heilige Geest: b5Zondert Mij af beide Bárnabas en Saulus tot het werk waartoe Ik hen cgeroepen heb.
3 Het Griekse woord leitourgein, dat hier gebruikt wordt, betekent meest allerlei publieken dienst doen, en wordt toegeschreven aan de overheden, Rom. 13:6, en aan de engelen, Hebr. 1:14. Hier wordt daaronder verstaan de publieke dienst van predicatie of profetering, met de publieke gebeden, en de bediening der sacramenten, met hetgeen daaraan kleeft. verwijsteksten
4 Namelijk door de voorzeide profeten.
b Hand. 9:15; 22:21. Rom. 1:1. Gal. 1:15; 2:8. Ef. 3:8. 1 Tim. 2:7. 2 Tim. 1:11. verwijsteksten
5 Namelijk van den dienst dezer gemeente, waar andere leraars genoeg zijn, om hen te zenden naar de heidenen, waartoe Ik hen van het begin verordineerd heb, Hand. 26:16, enz. verwijsteksten
c Matth. 9:38. Rom. 10:15. Hebr. 5:4. verwijsteksten
 
3 dToen vastten en baden zij, en hun ede handen 6opgelegd hebbende, lieten zij hen gaan.
d Hand. 6:6; 8:15; 19:6. verwijsteksten
e Hand. 14:26. verwijsteksten
6 Niet om hen daarmede tot apostelen te verkiezen, waartoe zij al tevoren van God verkoren waren, vers 1. Hand. 9:15, maar om hen in deze zending tot de heidenen met gebeden en oplegging der handen te versterken. verwijsteksten
 
Op Cyprus. Elymas, de tovenaar
4 Dezen dan, uitgezonden zijnde van den Heiligen Geest, kwamen af tot 7Seleucië, en vandaar scheepten zij af naar Cyprus.
7 Dit was een stad van Syrië, nabij Antiochië, gebouwd van den koning Seleucus, vanwaar men lichtelijk naar Cyprus kon overvaren.
 
5 En gekomen zijnde te 8Sálamis, verkondigden zij het Woord Gods in de synagogen der Joden; en zij hadden ook fJohannes tot een dienaar.
8 Dit was een stad van Cyprus, aan het oosten van het eiland tegenover Syrië, nu genaamd Famagusta.
f Hand. 12:25. verwijsteksten
 
6 En als zij het eiland doorgegaan waren tot 9Pafos toe, vonden zij geen zekeren tovenaar, een valsen profeet, een Jood, wiens naam was 10Barjézus;
9 Dit was mede een stad van Cyprus, aan het westen van hetzelve eiland.
g Hand. 8:9; 19:13. verwijsteksten
10 Dat is, een zoon van Jezus.
 
7 Welke was bij den 11stadhouder Sergius Paulus, een verstandigen man. Deze, Bárnabas en Saulus tot zich geroepen hebbende, zocht zeer het Woord Gods te horen.
11 Gr. anthypatos, dat is, die daar gesteld was om met burgemeesterlijke macht het eiland vanwege het Romeinse rijk te regeren.
 
8 hMaar Elymas, de tovenaar (want alzo wordt zijn naam overgezet), wederstond hen, zoekende den stadhouder van het geloof af te keren.
h Ex. 7:11. 2 Tim. 3:8. verwijsteksten
 
9 Doch Saulus (12die ook Paulus genaamd is), vervuld met den Heiligen Geest, en de ogen op hem houdende, zeide:
12 Tot nog toe is hij Saulus genaamd, en voortaan wordt hij, zo van Lukas, als van zichzelven, in het opschrift zijner brieven Paulus genaamd. Degene nu die bij de Hebreeën en Syriërs Saulus genaamd was, die werd van de Romeinen en Grieken Paulus genaamd; zodat hij Saulus is genaamd geweest zolang hij onder de Joden, Syriërs en Arabieren verkeerd heeft, maar daarna, als hij door Gods bijzondere roeping voornamelijk tot de heidenen, dat is, tot de Romeinen en Grieken, is gezonden, heeft hij van dien tijd aan altijd den naam Paulus behouden, om bij hen te aangenamer te zijn, die hem van het huisgezin van Sergius Paulus, als bij hen gewoonlijk, schijnt eerst te zijn gegeven.
 
10 13O gij kind des duivels, vol van alle bedrog en van alle arglistigheid, vijand van alle gerechtigheid, zult gij niet ophouden 14te verkeren de rechte wegen des Heeren?
13 Gr. zoon; dat is, die den duivel, als een kind zijn vader, volgt en gehoorzaamt, Joh. 8:44. verwijsteksten
14 Of: om te keren, en als op te graven, en te beletten dat men daarop kan gaan. Of: te verdraaien, krom te maken.
 
11 En nu, zie, 15de hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijn en de zon niet zien voor een tijd. En van stonden aan viel op hem 16donkerheid en duisternis, en rondom gaande zocht hij, die hem met de hand mochten leiden.
15 Dat is, de straffende hand of kracht des Heeren.
16 Dat is, blindheid; want den blinde is alles donker en duister.
 
12 Als de stadhouder zag hetgeen geschied was, toen geloofde hij, verslagen zijnde over de leer des Heeren.
 
In Pisídisch Antiochíë
13 En 17Paulus en die met hem waren, van Pafos afgevaren zijnde, kwamen te Perge, een stad in 18Pamfylië. iMaar 19Johannes van hen scheidende, 20keerde weder naar Jeruzalem.
17 Gr. die omtrent Paulus waren, door welke manier van spreken verstaan wordt óf de persoon zelf, Joh. 11:19, óf die van zijn gezelschap, Luk. 22:49, óf beide, Hand. 21:8, gelijk het hier ook genomen wordt, als blijkt uit vers 16. verwijsteksten
18 Dit was een landschap in het vasteland van Klein-Azië, palende aan Cilicië.
i Hand. 15:38. verwijsteksten
19 Toegenaamd Markus, Hand. 12:12, 25. verwijsteksten
20 Dit schijnt van hem geschied te zijn uit menselijke zwakheid en verveling van reizen, of begeerte om zijn moeder en vrienden, Hand. 12:12, te Jeruzalem te bezoeken; hetwelk van Paulus evenwel kwalijk genomen is, Hand. 15:38. verwijsteksten
 
14 En zij van Perge het land doorgaande, kwamen te Antiochíë, een stad 21in Pisídië; en gegaan zijnde in de synagoge op den dag des sabbats, zaten zij neder.
21 Dit was een deel van Pamfylië, waarin dit Antiochië lag, alzo toegenaamd om hetzelve te onderscheiden van het andere Antiochië, in Syrië, waarvan zij uitgevaren waren, vss. 1, 4. verwijsteksten
 
15 En na 22het lezen der Wet en der Profeten zonden 23de oversten der synagoge tot hen, zeggende: Mannen broeders, indien er enig woord van 24vertroosting tot het volk in u is, zo spreekt.
22 Namelijk naar de loffelijke gewoonte der Joden in alle synagogen op alle sabbatten gebruikelijk. Zie vers 27. Hand. 15:21. verwijsteksten
23 Dezen waren enige priesters en ouderlingen des volks, die den kerkenraad uitmaakten in alle synagogen. Zie Mark. 5:22. verwijsteksten
24 Of: vermaning.
 
16 En Paulus stond op en kwenkte met de hand en zeide: Gij Israëlitische mannen en gij die God vreest, hoort toe.
k Hand. 12:17; 19:33; 21:40. verwijsteksten
 
17 De God van dit volk Israël heeft onze vaderen luitverkoren, en het volk 25verhoogd, als zij vreemdelingen waren in het land van Egypte, en heeft hen 26met een hogen arm daaruit geleid;
l Ex. 1:1. verwijsteksten
25 Namelijk inzonderheid toen Hij al de wonderen deed in Egypte, en al de plagen over Farao en zijn volk zond, om hen te verlossen.
26 Dat is, met uitnemende kracht, Ex. 13:16. Jes. 63:12. verwijsteksten
 
18 mEn heeft omtrent den tijd van veertig jaren 27hun zeden verdragen in de woestijn;
m Ex. 16:35. Num. 14:34. Ps. 95:10. verwijsteksten
27 Dat is, hun wederspannigheid, verzoekingen en murmureringen, Ps. 95:8, 9. Hebr. 3:8, 9. verwijsteksten
 
19 En zeven volken uitgeroeid hebbende in het land Kanaän, heeft hun n28door het lot het land derzelve uitgedeeld.
n Joz. 14:2. verwijsteksten
28 Of: tot een erfdeel gegeven.
 
20 En daarna, omtrent 29vierhonderd en vijftig jaren, gaf Hij hun orichters, tot op Samuël, den profeet.
29 Deze vierhonderd en vijftig jaren tellen sommigen van de geboorte van Izak tot op de richters, tussen welken tijd vierhonderd en zeven en veertig jaren verlopen zijn; en voegen het woord daarna met het begin van vers 17, alsof hij zeide: Na de verkiezing van onze vaders, enz. Anderen achten dat dit woord daarna moet gevoegd worden met het einde van vers 17, dat is, beginnende van den uitgang der kinderen Israëls uit Egypte tot den dood van Samuël, welke tijd bijna vierhonderd en veertig jaren begrijpt, gelijk te zien is 1 Kon. 6:1, en dat Paulus om een rond getal te noemen daarom gezegd heeft omtrent vierhonderd en vijftig jaren, gelijk dat in alle talen gebruikelijk is, wanneer het weinig minder of meer is. verwijsteksten
o Richt. 2:16; 3:9. verwijsteksten
 
21 pEn van toen aan begeerden zij een koning; en God gaf hun qSaul, den zoon van Kis, een man uit den stam van Benjamin, 30veertig jaren.
p 1 Sam. 8:5. Hos. 13:11. verwijsteksten
q 1 Sam. 9:15; 10:1. verwijsteksten
30 Namelijk hierin begrepen zijnde de jaren die Samuël vóór en met Saul geregeerd had.
 
22 En dezen afgezet hebbende, verwekte Hij hun rDavid tot een koning; denwelken Hij ook getuigenis gaf, en zeide: sIk heb gevonden David, den zoon van Isaï, een man naar Mijn hart, die al Mijn wil zal doen.
r 1 Sam. 16:12. verwijsteksten
s 1 Sam. 13:14. Ps. 89:21. Hand. 7:45. verwijsteksten
 
23 Van het zaad dezes heeft God Israël, 31naar de belofte, verwekt den Zaligmaker Jezus,
31 Namelijk aan David gedaan, 2 Sam. 7:12, 13. Ps. 89:21; 132:11. Jes. 11:1. Hand. 2:30. Rom. 1:3. 2 Tim. 2:8. verwijsteksten
 
24 tAls Johannes eerst al den volke Israëls 32voor Zijn aankomst gepredikt had den doop der bekering.
t Matth. 3:1. Mark. 1:2. Luk. 3:2. Joh. 3:23. verwijsteksten
32 Gr. voor het aangezicht Zijner komst, dat is, voor het aanschijn van Jezus, Die nu gekomen was.
 
25 Doch als Johannes den loop 33vervulde, zeide hij: Wie meent gijlieden dat ik ben? vIk ben de Christus niet; maar zie, Hij komt na mij, xWien ik niet waardig ben de schoenen Zijner voeten te ontbinden.
33 Dat is, nog bezig was om zijn loop te vervullen, Joh. 1:19. verwijsteksten
v Joh. 1:20. verwijsteksten
x Matth. 3:11. verwijsteksten
 
26 Mannen broeders, 34kinderen van het geslacht Abrahams, en die onder u God vrezen, y35tot u is het woord dezer zaligheid gezonden.
34 Gr. zonen.
y vers 46. Matth. 10:6. Hand. 3:26. verwijsteksten
35 Namelijk eerst en vooral, vers 46. verwijsteksten
 
27 Want die te Jeruzalem wonen, en hun oversten, zDezen niet kennende, hebben ook 36de stemmen der profeten, die op elken sabbatdag gelezen worden, Hem veroordelende, vervuld;
z Joh. 16:3. Hand. 3:17. 1 Kor. 2:8. 1 Tim. 1:13. verwijsteksten
36 Dat is, de voorzegging der profeten dat Hij lijden moest en alzo ingaan in Zijn heerlijkheid, Luk. 24:25, 26. verwijsteksten
 
28 aEn geen 37oorzaak des doods vindende, hebben zij van Pilatus begeerd dat Hij zou gedood worden.
a Matth. 27:20. Mark. 15:11. Luk. 23:18. Joh. 19:6. verwijsteksten
37 Of: schuld des doods.
 
29 En als zij alles volbracht hadden wat van Hem geschreven was, namen zij Hem af van 38het hout en legden Hem in het graf.
38 Namelijk des kruises, Hand. 5:30; 10:39. 1 Petr. 2:24. verwijsteksten
 
30 bMaar God heeft Hem uit de doden opgewekt;
b Matth. 28:6. Mark. 16:6. Luk. 24:6. verwijsteksten
 
31 cWelke gezien is geweest, 39vele dagen lang, van degenen 40die met Hem opgekomen waren van Galiléa tot Jeruzalem, die Zijn getuigen zijn bij het volk.
c Mark. 16:14. Joh. 20:19; 21:1. Hand. 1:3. 1 Kor. 15:5. verwijsteksten
39 Namelijk veertig dagen na Zijn verrijzenis tot Zijn hemelvaart toe.
40 Namelijk van Zijn apostelen en andere discipelen tot vijfhonderd toe. Zie 1 Kor. 15:5, 6. verwijsteksten
 
32 En wij 41verkondigen u dde belofte die tot de vaderen geschied is, dat namelijk God dezelve vervuld heeft aan ons, hun kinderen, als Hij Jezus 42verwekt heeft;
41 Gr. evangeliseren.
d Gen. 3:15; 22:18; 26:4; 49:10. Deut. 18:15. 2 Sam. 7:12. Ps. 132:11. Jes. 4:2; 7:14; 9:5; 40:10. Jer. 23:5; 33:14. Ez. 34:23; 37:24. Dan. 9:24, 25. verwijsteksten
42 Dat is, in de wereld gezonden heeft, om het werk der verlossing te volbrengen, Hand. 3:22. verwijsteksten
 
33 Gelijk ook in den tweeden psalm geschreven staat: Gij zijt Mijn Zoon, 43heden heb Ik U gegenereerd.
43 Dit wordt verstaan van de eeuwige geboorte des Zoons uit den Vader, en van Deszelfs openbaring in de volheid des tijds. Waarvan zie nadere verklaring in de aantt. Hebr. 1:5 en 5:5. verwijsteksten
 
34 En dat Hij Hem uit de doden heeft opgewekt, alzo dat Hij niet meer zal 44tot verderving keren, heeft Hij aldus gezegd: eIk zal ulieden de weldadigheden 45Davids geven, die 46getrouw zijn.
44 Dat is, tot het graf, waar de lichamen plegen te verderven en te verrotten.
e Jes. 55:3. verwijsteksten
45 Dat is, die David beloofd zijn van het eeuwig Koninkrijk, dat God door dezen Zijn Zoon zou oprichten, waartoe Zijn opstanding uit de doden nodig was, Luk. 1:31, 32. verwijsteksten
46 Dat is, vast en onbeweeglijk.
 
35 Waarom hij ook in een anderen psalm zegt: fGij zult 47Uw Heilige niet overgeven om verderving te zien.
f Ps. 16:10. Hand. 2:27. verwijsteksten
47 Dat is, het lichaam Uws Heiligen, Dien Gij geheiligd hebt om te zijn een Verlosser Uws volks. Zie Hand. 2:27. verwijsteksten
 
36 gWant David, als hij in zijn tijd 48den raad Gods gediend had, is ontslapen, en is bij zijn vaderen gelegd, en heeft wel verderving gezien;
g 1 Kon. 2:10. Hand. 2:29. verwijsteksten
48 Dat is, de voorzienigheid Gods in het regeren van Zijn volk als profeet en koning.
 
37 Maar 49Hij Dien God opgewekt heeft, heeft geen verderving gezien.
49 Namelijk de Heilige, of Geheiligde, van Wien hij profeteert.
 
38 Zo zij u dan bekend, mannen broeders, hdat door 50Dezen u vergeving der zonden verkondigd wordt;
h Luk. 24:47. 1 Joh. 2:12. verwijsteksten
50 Namelijk Jezus, Dien Hij verwekt heeft tot een Zaligmaker, en uit de doden heeft opgewekt.
 
39 iEn dat van alles, waarvan gij niet kondet gerechtvaardigd worden 51door de wet van Mozes, door Dezen keen iegelijk die gelooft, gerechtvaardigd wordt.
i Rom. 3:28; 8:3. Gal. 2:16. Hebr. 7:19. verwijsteksten
51 Gr. in; gelijk ook in het volgende, dat is, noch door de wet der zeden, die wel de zonde en vervloeking aanwijst, maar niet hoe zij weggenomen worden, Rom. 8:3; noch door de wet der ceremoniën, die wel een schaduw voorstelde van de reiniging der zonden, doch de kracht zelve in zich niet had, maar alleen ons wees tot Dien Die het lichaam was van al deze schaduwen, Jezus Christus. Zie Hebr. 10:1, enz. verwijsteksten
k Rom. 10:4. verwijsteksten
 
40 Ziet dan toe, dat over ulieden niet kome hetgeen gezegd is 52in de Profeten:
52 Dat is, in het boek der kleine profeten, namelijk Hab. 1:5. Zie Hand. 7:42. Hoewel ook sommigen menen dat niet alleen deze plaats, maar ook Jes. 28:14 zou hier tezamen aangehaald worden, alwaar het woord verachters uitgedrukt wordt. verwijsteksten
 
41 lZiet, gij verachters, en verwondert u, en verdwijnt; want Ik werk een werk in uw dagen, een werk hetwelk gij niet zult geloven, zo het u iemand verhaalt.
l Jes. 28:14. Hab. 1:5. verwijsteksten
 
42 En 53als de Joden uitgegaan waren uit de synagoge, baden 54de heidenen dat 55tegen den naasten sabbat hun dezelfde woorden zouden gesproken worden.
53 Of: En als zij (namelijk Paulus en Barnabas) uitgegaan waren, uit de synagoge der Joden.
54 Namelijk Jodengenoten, of andere godsdienstige heidenen, die daar in de synagoge waren om de wet te horen. Zie vers 43. verwijsteksten
55 Of: op den tussensabbat, dat is, op de dagen tussen den sabbat; omdat het schijnt dat Paulus en Barnabas tussenbeide ook met vele heidenen gehandeld hebben, waaruit tegen den naasten sabbat deze toeloop des volks is gerezen, vers 44. verwijsteksten
 
43 En als de synagoge gescheiden was, volgden velen van de Joden en van de godsdienstige Jodengenoten Paulus en Bárnabas; welke tot hen spraken men hen vermaanden te blijven 56bij de genade Gods.
m Hand. 11:23; 14:22. verwijsteksten
56 Dat is, bij de leer der genade door Jezus Christus verworven, waarvan hij gesproken had vss. 38, 39, en dat tegen de leer der farizese Joden, die de rechtvaardigheid uit de wet dreven. verwijsteksten
 
44 En op den volgenden sabbat kwam bijna de gehele stad tezamen om het Woord Gods te horen.
45 Doch de Joden de scharen ziende, werden met nijdigheid vervuld, en wederspraken hetgeen van Paulus gezegd werd, wedersprekende en lasterende.
46 Maar Paulus en Bárnabas vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: nHet was nodig dat eerst tot u het Woord Gods gesproken zou worden; odoch nademaal gij hetzelve verstoot, en uzelven des eeuwigen levens 57niet waardig oordeelt, zie, wij keren ons tot de heidenen.
n vers 26. Matth. 10:6. Hand. 3:26. verwijsteksten
o Ex. 32:10. Jes. 55:5. Matth. 8:12; 21:43. Rom. 10:19. verwijsteksten
57 Dat is, onwaardig en hardnekkig verklaart en betoont te zijn.
 
47 Want alzo heeft ons de Heere geboden, zeggende: pIk heb u gesteld 58tot een licht der heidenen, opdat gij zoudt zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste der aarde.
p Jes. 42:6; 49:6. Luk. 2:32. verwijsteksten
58 Deze woorden worden Jes. 49:6 van Christus gezegd, en worden van de apostelen zeer wel op hun dienst gepast; want overmits de Joden Christus, Die hun van de apostelen verkondigd werd, verwierpen, zo volgde dan dat zij Christus voortaan den heidenen moesten voordragen, denwelken Hij ook van den Vader tot een Licht gesteld was. verwijsteksten
 
48 Als nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich en prezen het Woord des Heeren; en er geloofden zovelen als er 59geordineerd waren tot het eeuwige leven.
59 Dat is, van God verkoren, en van Hem tot het eeuwige leven beschikt waren, gelijk dit woord alom in de Heilige Schrift betekent. Dit wordt hier niet alleen van deze ene predicatie van Paulus, maar van den gedurigen voortgang en de gestadige vrucht des Evangelies gezegd, gelijk blijkt vers 49. Zie Rom. 8:29, 30; 9:23; 11:5, 6, 7, en elders. verwijsteksten
 
49 En het Woord des Heeren werd door het gehele land uitgebreid.
50 Maar de Joden maakten op de 60godsdienstige en eerlijke vrouwen en de voornaamsten van de stad, qen verwekten vervolging tegen Paulus en Bárnabas, en wierpen hen uit hun landpalen.
60 Dat is, die van aanzien waren, en den Joden en hun godsdienst toegedaan; door welke zij de voornaamste regeerders van de stad tegen de apostelen door een verkeerden ijver opmaakten.
q 2 Tim. 3:11. verwijsteksten
 
51 Doch zij 61schudden het stof van hun voeten af tegen dezelve, en kwamen te 62Ikónium.
61 Namelijk naar het bevel van Christus, Matth. 10:14. Mark. 6:11. Luk. 9:5. Hand. 18:6. verwijsteksten
62 Dit was een stad van Lycaonië, bij den berg Taurus, waarvan zie Hand. 14:6, 11. verwijsteksten
 
52 En de discipelen werden vervuld met blijdschap en met den Heiligen Geest.

Einde Handelingen 13