Statenvertaling.nl

sample header image

Johannes 2 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Johannes 2

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

1 Christus op de bruiloft te Kana verandert het water in wijn. 11 Hetwelk het beginsel is van Zijn wonderwerken. 12 Gaat naar Kapernaüm. 13 En vandaar naar Jeruzalem, op het feest van pasen. 14 Drijft de verkopers en wisselaars uit den tempel. 18 De Joden begeren een teken, welke Hij wijst op het breken en wederoprichten van den tempel Zijns lichaams. 23 Velen ziende Zijn wonderwerken, geloven in Hem. 24 Doch Hij betrouwt Zichzelven hun niet, omdat Hij hun hart kende.
 
De bruiloft te Kana
1 EN op den 1derden dag was er een bruiloft te Kana 2in Galiléa; en de moeder van Jezus was aldaar.
1 Namelijk na Zijn vertrek naar Galilea, waarvan Joh. 1:44 gesproken wordt. verwijsteksten
2 Dat is, gelegen in Galilea, omtrent drie uren gaans van Nazareth. Wordt alzo genaamd om te onderscheiden van een ander Kana, gelegen bij de palen van Fenicië, in den stam van Aser, Joz. 19:28. verwijsteksten
 
2 En Jezus was ook 3genood, en Zijn discipelen, tot de bruiloft.
3 Gr. geroepen.
 
3 En als er wijn ontbrak, zeide de moeder van Jezus tot Hem: Zij hebben geen wijn.
4 Jezus zeide tot haar: 4Vrouw, 5wat heb Ik met u te doen? Mijn 6ure is nog niet gekomen.
4 Zo noemt Christus Zijn moeder, niet uit kleinachting, maar om aan te wijzen dat haar moederlijke autoriteit in zaken Zijn ambt aangaande, niet moest gelden, maar alleen Zijn Goddelijke beroeping.
5 Gr. wat is Mij en u. Een Hebreeuwse manier van spreken, met zich brengende een bestraffing. Zie 2 Sam. 16:10; 19:22. verwijsteksten
6 Dat is, het is nog de bekwame tijd niet.
 
5 Zijn moeder zeide tot de dienaars: Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat.
6 En aldaar waren zes stenen watervaten gesteld, anaar 7de reiniging der Joden, elk houdende twee of drie 8metreten.
a Mark. 7:3. verwijsteksten
7 Dat is, naar de wijze van de reiniging der Joden, waarvan zie Matth. 15:2; 23:25. Mark. 7:4, 8. Luk. 11:39. verwijsteksten
8 Elke metreet hield, gelijk sommigen rekenen, omtrent honderd en twintig ponden nat; elk pond nu voor een halve pint gerekend zijnde, zou elke metreet houden omtrent vijftien stopen. Zodat de watervaten van twee metreten zouden houden omtrent dertig stopen, en van drie metreten vijf en veertig stopen.
 
7 Jezus zeide tot hen: Vult de watervaten met water. En zij vulden ze tot boven toe.
8 En Hij zeide tot hen: Schept nu en draagt het tot den 9hofmeester. En zij droegen het.
9 Gr. architriclinos, dat is, de overste van de eetzaal, die bij ons gemeenlijk schafmeester of hofmeester genaamd wordt.
 
9 Als nu de hofmeester het water dat wijn geworden was, geproefd had (en hij wist niet vanwaar de wijn was; maar de dienaren die het water geschept hadden, wisten het), zo riep de hofmeester den bruidegom,
10 En zeide tot hem: Alle 10man zet eerst den goeden wijn op, en wanneer men 11wel gedronken heeft, alsdan den minderen; maar gij hebt den goeden wijn tot nu toe bewaard.
10 Gr. mens.
11 Gr. als zij dronken geworden zijn, dat is, door den drank verheugd zijn geworden. Want dit woord betekent niet altijd hetgeen eigenlijk dronkenschap genaamd wordt, maar ook een milde nuttiging van den drank, zonder overdaad, tot verheuging. Zie Gen. 43:34. Hagg. 1:6. verwijsteksten
 
11 Dit 12beginsel der tekenen heeft Jezus gedaan te Kana in Galiléa, en heeft Zijn 13heerlijkheid geopenbaard; en Zijn discipelen 14geloofden in Hem.
12 Dat is, het eerste van al de wonderen die Hij ooit in het openbaar gedaan heeft; of: het eerste dat Hij in Galilea gedaan heeft, gelijk men kan afleiden uit Joh. 4:46, 54. verwijsteksten
13 Dat is, de kracht en majesteit Zijner Goddelijke natuur.
14 Dat is, werden daardoor in het geloof versterkt, dat Hij de Zone Gods en de ware Messias was. Want dat zij tevoren al geloofden, blijkt uit Joh. 1:41, 46, 50. verwijsteksten
 
12 Daarna ging Hij af naar Kapérnaüm, Hij en Zijn moeder en Zijn 15broeders en Zijn discipelen, en zij bleven aldaar niet vele dagen.
15 Dat is, Zijn bloedverwanten. Zie Matth. 12:46. verwijsteksten
 
De tempelreiniging
13 En het 16pascha der Joden was nabij, en Jezus ging op naar Jeruzalem.
16 Dit was het eerste pascha na Zijn doop, op welk Hij denzelven tempel nog eens reinigt omtrent Zijn laatste pascha. Zie Matth. 21:12. Luk. 19:45. verwijsteksten
 
14 bEn Hij vond in den tempel, 17die ossen en schapen en duiven verkochten, en de wisselaars daar zittende.
b Matth. 21:12. Mark. 11:15. Luk. 19:45. verwijsteksten
17 Zie hiervan Matth. 21:12. verwijsteksten
 
15 En een gesel van touwtjes gemaakt hebbende, 18dreef Hij hen allen uit den tempel, ook de schapen en de ossen; en 19het geld der wisselaars stortte Hij uit, en keerde de tafels om.
18 Gr. wierp Hij hen allen uit.
19 Het Griekse woord betekent kleingeld, waarmede het grote geld verwisseld wordt.
 
16 En Hij zeide tot degenen die de duiven verkochten: Neemt deze dingen vanhier weg; maakt niet het huis Mijns Vaders tot een huis van koophandel.
17 En Zijn discipelen werden indachtig dat er geschreven is: cDe ijver van Uw huis heeft Mij 20verslonden.
c Ps. 69:10. verwijsteksten
20 Gr. opgegeten.
 
18 De Joden antwoordden dan en zeiden tot Hem: dWat teken toont Gij ons, 21dat Gij deze dingen doet?
d Matth. 12:38; 16:1. Mark. 8:11. Luk. 11:29. Joh. 6:30. verwijsteksten
21 Of: waarom, dewijl.
 
19 Jezus antwoordde en zeide tot hen: e22Breekt dezen tempel, en in drie dagen zal Ik denzelven oprichten.
e Matth. 26:61; 27:40. Mark. 14:58; 15:29. verwijsteksten
22 Gr. Ontbindt, of: Ontdoet.
 
20 De Joden zeiden dan: 23Zes en veertig jaren is over dezen tempel gebouwd, en Gij, zult Gij dien in drie dagen oprichten?
23 Namelijk nadat de Joden uit de Babylonische gevangenis waren wedergekeerd. Waarvan zie Ezra 4; 5; 6, en Josephus, Oudheden, boek 11, hfdst. 1; 2; 3; 4. verwijsteksten
 
21 Maar Hij zeide dit van 24den tempel Zijns lichaams.
24 Dat is, van Zijn eigen lichaam of menselijke natuur, in welke de volheid der Godheid lichamelijk als in haar tempel woont, Kol. 2:9, en waarvan deze tempel te Jeruzalem een voorbeeld was. verwijsteksten
 
22 Daarom, als Hij opgestaan was van de doden, fwerden Zijn discipelen gedachtig dat Hij dit tot hen gezegd had; en zij geloofden de Schrift en het woord dat Jezus gesproken had.
f Luk. 24:8. verwijsteksten
 
23 En als Hij te Jeruzalem was op het pascha, in het feest, 25geloofden velen in Zijn Naam, ziende Zijn tekenen, die Hij deed.
25 Namelijk met een blote kennis en toestemming, zonder rechten grond en vertrouwen, gelijk blijkt uit het volgende vers.
 
24 Maar Jezus Zelf betrouwde hun Zichzelven niet, omdat Hij hen allen kende,
25 En omdat Hij niet van node had dat iemand getuigen zou van den mens; gwant Hij Zelf 26wist wat in den mens was.
g 1 Sam. 16:7. 1 Kron. 28:9. Ps. 7:10; 103:14. Jer. 11:20; 17:10; 20:12. Joh. 6:64. verwijsteksten
26 Namelijk als waarachtig God en Kenner der harten, Openb. 2:23. verwijsteksten

Einde Johannes 2