Statenvertaling.nl

sample header image

Lukas 7 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Lukas 7

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

1 Christus maakt gezond den knecht van een hoofdman te Kapernaüm, wiens geloof Hij prijst boven alle anderen. 11 Verwekt van de doden den zoon van een weduwe te Naïn. 18 Beantwoordt de vraag der discipelen van Johannes, en bewijst uit Zijn eigen leer en werken, dat Hij de Messias is. 24 Geeft van den persoon en het ambt van Johannes een heerlijke getuigenis. 29 Waarover het volk God prijst, maar de farizeeën verachten den raad Gods. 31 Verwijt den Joden, onder de gelijkenis van het doen der kinderen op de straten, hun onbekeerlijkheid. 36 Eet bij Simon den farizeeër, waar een zondares Zijn voeten met haar tranen natmaakt; waaraan zich Simon stoot, en Christus verantwoordt haar met de gelijkenis van twee schuldenaren.
 
De hoofdman te Kapérnaüm
1 NADAT Hij nu al Zijn woorden 1voleindigd had 2ten aanhoren des volks, aging Hij in te Kapérnaüm.
1 Gr. vervuld.
2 Gr. in het gehoor.
a Matth. 8:5. verwijsteksten
 
2 En een dienstknecht van een zekeren hoofdman over honderd, die hem zeer 3waard was, krank zijnde, lag op zijn sterven.
3 Gr. dierbaar, namelijk vanwege zijn getrouwe diensten.
 
3 En van Jezus gehoord hebbende, zond hij tot Hem de 4ouderlingen der Joden, Hem biddende dat Hij wilde komen en zijn dienstknecht 5gezond maken.
4 Deze ouderlingen waren de aanzienlijksten van het volk, die in dien tijd gebruikt werden in elke stad om het politiek bestel of de kerk te regeren. Zie Matth. 26:3. verwijsteksten
5 Gr. behouden, namelijk bij het leven.
 
4 Dezen nu tot Jezus gekomen zijnde, baden Hem 6ernstiglijk, zeggende: Hij is waardig 7dat Gij hem dat doet;
6 Gr. vlijtiglijk, naarstiglijk.
7 Of: dien Gij dat doen zult. Anders: dien men dat doen zou.
 
5 Want hij heeft 8ons volk lief, en heeft zelf ons de 9synagoge gebouwd.
8 Namelijk de Joden; waaruit blijkt dat hij een heiden was, als ook uit vers 9. verwijsteksten
9 Van de synagogen zie Matth. 4:23. verwijsteksten
 
6 En Jezus ging met hen. En als Hij nu niet ver van het huis was, zond de hoofdman over honderd tot Hem enige vrienden, en 10zeide tot Hem: Heere, neem de moeite niet; want ik ben niet waardig dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen.
10 Dat is, liet zeggen door deze zijn vrienden. Alzo kan ook verstaan worden hetgeen gezegd wordt bij Matth. 8:6, enz., dat hij zelf heeft gedaan hetgeen hij door zijn vrienden heeft laten doen. verwijsteksten
 
7 Daarom heb ik ook mijzelven niet waardig geacht om tot U te komen; maar 11zeg het met een woord, en mijn knecht zal genezen worden.
11 Dat is, gebied of beveel alleen met een woord, dat mijn knecht gezond worde. Zie Matth. 8:8. verwijsteksten
 
8 Want ik ben ook een mens 12onder de macht van anderen gesteld, hebbende krijgsknechten onder mij; en ik zeg tot dezen: Ga, en hij gaat; en tot den anderen: Kom, en hij komt; en tot mijn dienstknecht: Doe dat, en hij doet het.
12 Wat hij hiermede wil zeggen, zie de aant. op Matth. 8:9. verwijsteksten
 
9 En Jezus dit horende, verwonderde Zich over hem; en Zich omkerende, zeide tot de schare die Hem volgde: Ik zeg ulieden: Ik heb zo groot geloof zelfs 13in Israël niet gevonden.
13 Dat is, onder de Israëlieten.
 
10 En die gezonden waren, wedergekeerd zijnde in het huis, vonden den kranken dienstknecht gezond.
 
De jongeling te Naïn
11 En het geschiedde op den volgenden dag, dat Hij ging naar een stad, genaamd 14Naïn, en met Hem gingen velen van Zijn discipelen en een grote schare.
14 Dit was een stad in Galilea, gelegen aan den voet van den berg Hermon, bij de beek Kison, die in de Galilese Zee loopt.
 
12 En als Hij de 15poort der stad genaakte, ziedaar, een dode werd uitgedragen, die een eniggeboren zoon zijner moeder was, en zij was weduwe, en een grote schare van de stad was met haar.
15 Eertijds werden de doden, zo bij de Joden als andere volken, buiten de steden begraven, gelijk ook Christus in een hof buiten de stad begraven is geweest, Joh. 19:41, en gelijk nog op sommige plaatsen geschiedt. Zie ook Gen. 23:19; 50:13. verwijsteksten
 
13 En de Heere haar ziende, werd innerlijk met ontferming over haar bewogen, en zeide tot haar: 16Ween niet.
16 Daarmede wil Christus niet verbieden allerlei wenen over de doden, 1 Thess. 4:13, maar te kennen geven, dat Hij de oorzaak van haar wenen wilde wegnemen. verwijsteksten
 
14 En Hij ging toe en raakte 17de baar aan (de dragers nu stonden stil) en Hij zeide: Jongeling, Ik zeg u, bsta op.
17 Of: doodkist.
b Hand. 9:40. verwijsteksten
 
15 En de dode zat overeind en begon te spreken; en Hij gaf hem aan zijn moeder.
16 En vrees beving hen allen, en zij 18verheerlijkten God, zeggende: cEen groot profeet is onder ons opgestaan, en: dGod heeft Zijn volk 19bezocht.
18 Dat is, prezen, loofden.
c Luk. 24:19. Joh. 4:19; 6:14; 9:17. verwijsteksten
d Luk. 1:68. verwijsteksten
19 Namelijk ten goede, om hen te verlossen, Ex. 4:31. verwijsteksten
 
17 En dit 20gerucht van Hem ging uit in geheel Judéa en in al het omliggende land.
20 Gr. dit woord.
 
De vraag van Johannes den Doper
18 eEn de discipelen van Johannes boodschapten 21hem van al deze dingen.
e Matth. 11:2. verwijsteksten
21 Gr. En aan Johannes boodschapten zijn discipelen.
 
19 En Johannes zekere twee van zijn discipelen tot zich geroepen hebbende, zond hen tot Jezus, zeggende: Zijt Gij Degene 22Die komen zou, of verwachten wij een ander?
22 Dat is, de Messias. De oorzaak van deze vraag zie Matth. 11:3. verwijsteksten
 
20 En als de mannen tot Hem gekomen waren, zeiden zij: Johannes de Doper heeft ons tot U afgezonden, 23zeggende: Zijt Gij Die komen zou, of verwachten wij een ander?
23 Dat is, om U te laten zeggen en vragen.
 
21 En in dezelve ure genas Hij er velen van ziekten en 24kwalen en boze geesten; en velen blinden 25gaf Hij het gezicht.
24 Gr. gesels. Zie Mark. 3:10. verwijsteksten
25 Gr. schonk Hij genadiglijk het zien.
 
22 En Jezus antwoordende zeide tot hen: Gaat heen en boodschapt Johannes weder de dingen die gij gezien en gehoord hebt, namelijk fdat de blinden ziende worden, de kreupelen wandelen, de melaatsen gereinigd worden, de doven horen, de doden opgewekt worden, den armen het Evangelie verkondigd wordt;
f Jes. 29:18; 35:5; 61:1. verwijsteksten
 
23 En zalig is hij die 26aan Mij niet zal geërgerd worden.
26 Gr. in Mij. Zie Matth. 11:6. verwijsteksten
 
Jezus’ getuigenis over Johannes
24 gAls nu 27de boden van Johannes weggegaan waren, begon Hij tot de scharen, van Johannes te zeggen: Wat zijt gij uitgegaan in de woestijn te aanschouwen? Een riet dat van den wind ginds en weder bewogen wordt?
g Matth. 11:7. verwijsteksten
27 Of: gezondenen. Van deze gehele getuigenis van Christus van Johannes den Doper zie de aantt. Matth. 11:7, en vervolgens. verwijsteksten
 
25 Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een mens met zachte klederen bekleed? Zie, die in heerlijke kleding en wellust zijn, die zijn in de koninklijke hoven.
26 Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een profeet? Ja, Ik zeg u, ook veel meer dan een profeet.
27 Deze is het van welken geschreven is: hZie, Ik zend Mijn engel voor Uw aangezicht, die Uw weg voor U heen bereiden zal.
h Mal. 3:1. Mark. 1:2. verwijsteksten
 
28 Want Ik zeg ulieden: Onder die van vrouwen geboren zijn, is niemand meerder profeet dan Johannes de Doper; maar de 28minste in het Koninkrijk Gods is meerder dan hij.
28 Gr. de mindere.
 
29 En al het volk hem horende, en de tollenaars die met den doop van Johannes gedoopt waren, 29rechtvaardigden God.
29 Dat is, erkenden en prezen Zijn rechtvaardigheid, goedheid, trouw en waarheid, gelijk vers 35. verwijsteksten
 
30 Maar de farizeeën en de wetgeleerden hebben 30den raad Gods 31tegen zichzelven 32verworpen, van hem niet gedoopt zijnde.
30 Dat is, de middelen die God naar Zijn wijzen raad verordineerd heeft in het nieuwe verbond, om daardoor de mensen ter zaligheid te brengen. Zie Spr. 1:25, 30. Hand. 20:27. Hebr. 12:25. Anderszins blijft altijd vast de raad, dat is, het besluit Gods over de zaligheid Zijner uitverkorenen, Matth. 24:24. Rom. 8:28, 29. Hebr. 6:13, enz. verwijsteksten
31 Dat is, tot hun eigen schade en verderf.
32 Of: tenietgedaan. Of: krachteloos gemaakt; namelijk door het moedwillig verachten van de middelen die God tot zaligheid der mensen heeft geordineerd.
 
31 iEn de Heere zeide: Bij wien zal Ik dan de mensen van dit geslacht vergelijken, en wien zijn zij gelijk?
i Matth. 11:16. verwijsteksten
 
32 Zij zijn 33gelijk den kinderen die op de markt zitten en elkander toeroepen en zeggen: Wij hebben u op de fluit gespeeld en gij hebt niet gedanst; wij hebben u klaagliederen gezongen en gij hebt niet geweend.
33 De verklaring van deze gelijkenis zie in de aant. Matth. 11:16. verwijsteksten
 
33 kWant Johannes de Doper is gekomen, 34noch brood etende noch wijn drinkende, en gij zegt: Hij heeft den duivel.
k Matth. 3:4. Mark. 1:6. verwijsteksten
34 Dat is, geen gewone spijze en drank als andere mensen gebruikende. Want hij at sprinkhanen en wilden honing, Matth. 3:4. verwijsteksten
 
34 De Zoon des mensen is gekomen, etende en drinkende, en gij zegt: Ziedaar een Mens Die 35een vraat en wijnzuiper is, een vriend van tollenaren en zondaren.
35 Gr. eter en wijndrinker.
 
35 Doch de Wijsheid is 36gerechtvaardigd geworden van al Haar kinderen.
36 Zie Matth. 11:19. verwijsteksten
 
De zalving bij Simon den farizeeër
36 lEn een der farizeeën bad Hem dat Hij met hem ate; en ingegaan zijnde in des farizeeërs huis, zat Hij aan.
l Matth. 26:6. Mark. 14:3. Joh. 11:2; 12:3. verwijsteksten
 
37 En zie, een vrouw in de stad, welke 37een zondares was, verstaande dat Hij in des farizeeërs huis aanzat, bracht 38een albasten fles met zalf.
37 Dat is, een grote zondares, van een oneerlijk leven, en in de stad daarvoor bekend.
38 Zie dergelijk Matth. 26:7. Mark. 14:3. verwijsteksten
 
38 En staande achter aan Zijn voeten, 39wenende, begon zij Zijn 40voeten nat te maken met tranen, en zij droogde ze af met het haar van haar hoofd, en kuste Zijn voeten en zalfde ze met de zalf.
39 Namelijk bedroefd zijnde over haar zonden, gelijk Petrus Luk. 22:62. verwijsteksten
40 Dit zijn tekenen van haar boetvaardigheid en liefde tot Christus, spruitende uit het gevoelen van haar zonden en van de vergeving derzelve, als blijkt vers 47. verwijsteksten
 
39 En de farizeeër die Hem genood had, zulks ziende, sprak bij zichzelven, zeggende: mDeze, indien Hij een profeet was, zou wel weten wat en hoedanige vrouw deze is, die Hem aanraakt; want zij is een zondares.
m Luk. 15:2. verwijsteksten
 
40 En Jezus antwoordende zeide tot hem: Simon, Ik heb u wat te zeggen. En hij sprak: Meester, zeg het.
41 Jezus zeide: 41Een zeker 42schuldheer had twee schuldenaars; de een was schuldig vijfhonderd 43penningen, en de ander vijftig;
41 Wat het oogmerk van Christus in deze gelijkenis is, toont Hij Zelf, als Hij die toepast op deze vrouw, vers 47. verwijsteksten
42 Of: uitlener, bankhouder.
43 Gr. denarii. Zie de waarde daarvan Matth. 18:28. verwijsteksten
 
42 En als zij niet hadden om te betalen, schold hij het hun beiden kwijt. Zeg dan, wie van dezen zal hem meer liefhebben?
43 En Simon antwoordende zeide: Ik acht dat hij het is, dien hij het meeste kwijtgescholden heeft. En Hij zeide tot hem: Gij hebt recht geoordeeld.
44 En Hij Zich omkerende naar de vrouw, zeide tot Simon: Ziet gij deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen; 44water hebt gij niet tot Mijn voeten gegeven; maar deze heeft Mijn voeten met tranen natgemaakt en met het haar van haar hoofd afgedroogd.
44 Met deze drie betoningen van vriendschap ontvingen de ouden in die landen hun vreemde gasten en vrienden, gelijk te zien is Gen. 18:4; 19:2. Ex. 4:27; 18:7. Ps. 23:5. Pred. 9:8. Rom. 16:16, en elders. verwijsteksten
 
45 Gij hebt Mij geen kus gegeven; maar deze, 45van dat zij ingekomen is, heeft niet afgelaten Mijn voeten te kussen.
45 Anders: van dat Ik ingekomen ben.
 
46 Met olie hebt gij Mijn hoofd niet gezalfd; maar deze heeft Mijn voeten met zalf gezalfd.
47 Daarom zeg Ik u: Haar zonden zijn haar vergeven, die vele waren; 46want zij heeft veel liefgehad; maar dien weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief.
46 Hiermede wordt niet aangewezen, dat deze haar grote liefde de oorzaak was van de vergeving van haar zonden, maar dat dezelve een vrucht, bewijs en teken was, dat haar vele zonden vergeven waren; en dat zij daarom nu niet meer voor zulke zondares was te houden; gelijk blijkt uit de naastvolgende woorden en het gehele oogmerk van deze gelijkenis. Waaruit klaarlijk kan gezien worden, dat de vergeving der zonden gesteld wordt de oorzaak van de liefde, en niet de liefde de oorzaak van de vergeving der zonden; gelijk ook in vers 50 gezegd wordt, dat het geloof en niet de liefde haar behouden heeft. verwijsteksten
 
48 En Hij zeide tot haar: nUw zonden zijn u vergeven.
n Matth. 9:2. verwijsteksten
 
49 En die medeaanzaten, begonnen te zeggen 47bij zichzelven: oWie is Deze, Die ook de zonden vergeeft?
47 Of: onder elkander.
o Matth. 9:3. verwijsteksten
 
50 Maar Hij zeide tot de vrouw: Uw 48geloof heeft u behouden; ga heen in vrede.
48 Dat is, door uw geloof in Mij hebt gij deze weldaad der vergeving uwer zonden ontvangen, waardoor gij behouden wordt ter zaligheid. Zie Hand. 26:18. verwijsteksten

Einde Lukas 7