Statenvertaling.nl

sample header image

Lukas 22 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Lukas 22

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

1 De overpriesters en schriftgeleerden houden raad hoe zij Christus zullen doden. 3 Judas komt met hen overeen om Hem over te leveren. 7 Christus laat het pascha bereiden. 14 En eet hetzelve met Zijn twaalf apostelen. 19 Stelt daarna Zijn Avondmaal in. 21 Voorzegt de verraderij van Judas. 24 Vermaant Zijn discipelen zich te wachten voor eergierigheid en wereldse heerschappij. 28 Belovende hun de gemeenschap Zijns Koninkrijks. 31 Waarschuwt de apostelen, en voornamelijk Petrus, tegen de verzoeking des satans. 34 En voorzegt hem zijn val. 35 En allen anderen apostelen hun en Zijn aanstaande zwarigheden. 39 Bidt op den Olijfberg, en wordt in Zijn grote benauwdheid van een engel gesterkt. 45 Vermaant Zijn discipelen, die sliepen, tot waken en bidden. 47 Wordt van Judas met een kus verraden, en van de Joden gevangen. 50 Heelt het afgehouwen oor van een dienstknecht. 54 Wordt in des hogepriesters huis gebracht, waar Hem Petrus driemaal verloochent. 61 Waarover Christus hem aanziet, en hij beweent zijn val. 63 Christus wordt mishandeld, en voor den Joodsen Raad gesteld zijnde, bekent dat Hij de Zone Gods is.
 
Het besluit om Jezus te doden
1 ENa het 1feest der ongehevelde broden, genaamd pascha, was 2nabij.
a Ex. 12:15. Matth. 26:2. Mark. 14:1. verwijsteksten
1 Van dit feest zie Ex. 12:14, enz.; 23:14, enz. verwijsteksten
2 Namelijk na twee dagen, Matth. 26:2. verwijsteksten
 
2 bEn de overpriesters en de schriftgeleerden zochten hoe zij Hem ombrengen zouden; want zij vreesden het volk.
b Ps. 2:2. Joh. 11:47. Hand. 4:27. verwijsteksten
 
Het verraad van Judas
3 cEn de satan 3voer in Judas, die toegenaamd was Iskáriot, zijnde uit het getal der twaalve.
c Matth. 26:14. Mark. 14:10. Joh. 13:27. verwijsteksten
3 Niet lichamelijk, maar door zijn sterker ingeven en aanprikkelen. Zie Joh. 13:2, 27. verwijsteksten
 
4 En hij ging heen en sprak met de overpriesters en 4de hoofdmannen, hoe hij Hem hun zou overleveren.
4 Dat is, de oversten van het krijgsvolk dat den tempel van buiten bewaarde. Zie vers 52. Hand. 4:1; 5:24, 26. verwijsteksten
 
5 En zij waren verblijd, en zijn het eens geworden dat zij hem 5geld geven zouden.
5 Namelijk dertig zilverlingen, Matth. 26:15. Versta: als hij Hem hun zou overgeleverd hebben. verwijsteksten
 
6 En hij beloofde het en zocht 6gelegenheid om Hem hun over te leveren 7zonder oproer.
6 Of: bekwamen tijd.
7 Of: zonder schare, dat is, in het afwezen van de schare, die Hem gemeenlijk volgde.
 
De paasmaaltijd
7 dEn de dag der ongehevelde broden kwam, op denwelken het pascha 8moest geslacht worden.
d Matth. 26:17. Mark. 14:12, 13. verwijsteksten
8 Namelijk naar de wet, op den veertienden dag van de eerste maand, Ex. 12:6, 18, welken dag Christus onderhouden heeft, maar de Joden hebben het uitgesteld tot op den volgenden dag, om de reden aangetekend Matth. 26:20. verwijsteksten
 
8 En Hij zond Petrus en Johannes uit, zeggende: Gaat heen en bereidt ons het pascha, opdat wij het eten mogen.
9 En zij zeiden tot Hem: Waar wilt Gij dat wij het bereiden?
10 En Hij zeide tot hen: Zie, als gij in de 9stad zult gekomen zijn, zo zal u een mens ontmoeten, dragende 10een kruik water; volgt hem in het huis waar hij ingaat.
9 Namelijk Jeruzalem, alwaar het pascha alleen moest geslacht en gegeten worden. Zie Deut. 16:5, 6, 7. verwijsteksten
10 Of: een aarden vat.
 
11 En gij zult zeggen tot den 11huisvader van dat huis: De Meester 12zegt u: Waar is de 13eetzaal, waar Ik het pascha met Mijn discipelen eten zal?
11 Gr. heer des huizes.
12 Dat is, laat u zeggen.
13 Gr. uitspanning.
 
12 En hij zal u een grote 14toegeruste opperzaal wijzen; bereidt het aldaar.
14 Of: gespreid, dat is, met tafels toebereid, en met beddekens, waarop zij eertijds plachten liggende te eten.
 
13 En zij heengaande, vonden het gelijk Hij hun gezegd had, en bereidden het pascha.
14 eEn als de 15ure gekomen was, zat Hij aan en de twaalf apostelen met Hem.
e Matth. 26:20. Mark. 14:17. verwijsteksten
15 Namelijk op welke het paaslam gegeten moest worden, op den veertienden dag der eerste maand, na de ondergang der zon. Zie Ex. 12:6. Deut. 16:6. verwijsteksten
 
15 En Hij zeide tot hen: Ik heb 16grotelijks begeerd dit pascha met u te eten, eer dat Ik lijde;
16 Gr. met begeerte begeerd. Een Hebreeuwse manier van spreken.
 
16 Want Ik zeg u, dat Ik niet meer daarvan eten zal, totdat 17het vervuld zal zijn in het Koninkrijk Gods.
17 Namelijk hetgeen door het pascha was afgebeeld, na welken tijd wij met Christus het geestelijk pascha houden, 1 Kor. 5:7. verwijsteksten
 
17 En als Hij 18een drinkbeker genomen had, en gedankt had, zeide Hij: Neemt dezen en deelt hem onder ulieden.
18 Deze eerste drinkbeker schijnt van Christus gegeven te zijn tot een besluit van het pascha, naar der Joden gewoonte, waarop de instelling des Avondmaals terstond is gevolgd, in welke na het uitdelen des broods ook de beker uitgedeeld is. Zie vss. 19, 20. 1 Kor. 11:25. verwijsteksten
 
18 Want Ik zeg u, dat Ik niet drinken zal van de vrucht des wijnstoks, totdat het Koninkrijk Gods zal gekomen zijn.
19 fEn Hij nam brood, en als Hij gedankt had, brak Hij het en gaf het hun, zeggende: 19Dat is Mijn lichaam, hetwelk voor u 20gegeven wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis.
f Matth. 26:26. Mark. 14:22. 1 Kor. 11:23, 24. verwijsteksten
19 De verklaring hiervan zie Matth. 26:26. verwijsteksten
20 Of: overgegeven, namelijk in den dood.
 
20 Desgelijks ook den drinkbeker na het 21Avondmaal, zeggende: 22Deze drinkbeker 23is het Nieuwe 24Testament in Mijn bloed, hetwelk voor u vergoten 25wordt.
21 Of: avondeten.
22 Dat is, deze wijn in den drinkbeker.
23 Alzo voegt Paulus dit woordje is daarbij, 1 Kor. 11:25. verwijsteksten
24 Dat is, een teken en zegel van het Nieuwe Testament of verbond, hetwelk bevestigd is door het bloedvergieten van Jezus Christus, Hebr. 9:15, 16, 17. verwijsteksten
25 Dat is, zal worden, namelijk aan het kruis.
 
21 gDoch zie, de hand desgenen die Mij verraadt, is met Mij aan de tafel.
g Matth. 26:23. Mark. 14:18. Joh. 13:21. verwijsteksten
 
22 En de Zoon des mensen gaat wel heen, hgelijk 26besloten is; doch wee dien mens door welken Hij 27verraden wordt.
h Ps. 41:10. Joh. 13:18. Hand. 1:16. verwijsteksten
26 Gr. bepaald, namelijk door den raad en de voorzienigheid Gods, Hand. 2:23; 4:28. verwijsteksten
27 Of: overgeleverd.
 
23 En zij begonnen onder elkander te vragen wie van hen het toch mocht zijn die dat doen zou.
 
De ware grootheid
24 En er werd ook 28twisting onder hen, wie van hen 29scheen de meeste te zijn.
28 Of: strijd, welke schijnt ontstaan te zijn overmits Christus, vers 18, had gesproken van het oprichten Zijns Koninkrijks. verwijsteksten
29 Of: geacht zou worden te zijn.
 
25 En Hij zeide tot hen: iDe koningen 30der volken 31heersen over hen, en die macht over hen hebben, worden 32weldadige heren genaamd.
i Matth. 20:25. Mark. 10:42. verwijsteksten
30 Of: der heidenen.
31 Dat is, hebben en gebruiken wereldse macht, welke hier den kerkendienaren verboden wordt, 1 Petr. 5:3. verwijsteksten
32 Of, gelijk men nu spreekt: genadige heren, dat is, hun worden grote titels toegeschreven.
 
26 kDoch gij niet alzo; lmaar 33de meeste onder u, die zij gelijk de 34minste; en die 35voorganger is, als een die dient.
k 1 Petr. 5:3. verwijsteksten
l Luk. 9:48. verwijsteksten
33 Dat is, die onder u meest wil geacht zijn. Zie Matth. 20:26. verwijsteksten
34 Gr. de jongere, dat is, de jongste, of laatste, of minst geachte. Want de jongelieden hebben vanwege hun jonkheid gemeenlijk minder aanzien dan de ouden.
35 Dat is, heer, of meester.
 
27 Want wie is meerder: die 36aanzit of die dient? Is het niet die aanzit? mMaar Ik ben in het midden van u als een die dient.
36 Namelijk ter tafel.
m Matth. 20:28. Joh. 13:14. Filipp. 2:7. verwijsteksten
 
28 En gij zijt degenen die met Mij steeds gebleven zijt in Mijn verzoekingen.
29 nEn Ik 37verordineer u het Koninkrijk, gelijkerwijs Mijn Vader Mij dat verordineerd heeft;
n Luk. 12:32. verwijsteksten
37 Dat is, bestel, bezet of bespreek gelijk als bij testament, Hebr. 9:17. verwijsteksten
 
30 Opdat gij 38eet en drinkt aan Mijn tafel in Mijn Koninkrijk, en ozit op tronen, 39oordelende de twaalf geslachten Israëls.
38 Dat is, gemeenschap hebt aan Mijn vreugde en heerlijkheid, gelijk gij hier hebt aan Mijn lijden en verachting, Rom. 8:17. 2 Tim. 2:11, 12. verwijsteksten
o Matth. 19:28. Openb. 3:21. verwijsteksten
39 Zie hiervan Matth. 19:28. verwijsteksten
 
Petrus’ verloochening voorzegd
31 En de Heere zeide: Simon, Simon, zie, pde satan heeft ulieden 40zeer begeerd om te 41ziften als de tarwe;
p 1 Petr. 5:8. verwijsteksten
40 Of: geëist, of: zeer gezocht.
41 Dat is, herwaarts en derwaarts werpen of schudden, gelijk het koren als het gewand of gezift wordt, zonder u enige rust te laten met de ene verzoeking op de andere, 1 Petr. 5:8. verwijsteksten
 
32 Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet 42ophoude; en gij, als gij eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broeders.
42 Of: aflate, dat is, ten enenmale verga, of uitgeblust worde, door de verzoeking des satans die u zal bejegenen. Alzo bidt Hij ook voor alle gelovigen, Joh. 17:20. Rom. 8:34. verwijsteksten
 
33 En hij zeide tot Hem: Heere, ik ben bereid met U ook in de gevangenis en in den dood te gaan.
34 Maar Hij zeide: qIk zeg u, Petrus, 43de haan zal heden niet kraaien, eer gij driemaal zult verloochend hebben dat gij Mij kent.
q Matth. 26:34. Mark. 14:30. Joh. 13:38. verwijsteksten
43 Zie hiervan Mark. 14:30. verwijsteksten
 
De twee zwaarden
35 En Hij zeide tot hen: rAls Ik u uitzond, zonder buidel en male en schoenen, heeft u ook iets ontbroken? En zij zeiden: Niets.
r Matth. 10:9. Mark. 6:8. Luk. 9:3. verwijsteksten
 
36 Hij zeide dan tot hen: 44Maar nu, wie een buidel heeft, die neme hem, desgelijks ook een male; en die 45geen heeft, die verkope zijn kleed en kope een zwaard.
44 Dat is, van nu af en hierna, als Ik u andermaal zal uitzenden, zullen u zulke zwarigheden bejegenen, dat gij u moet bereiden om veel gebrek te lijden en vele gevaren uit te staan in het bedienen van uw ambt.
45 Namelijk zwaard. Of: die geen buidel of male heeft, die verkope, enz. Met welke gelijkenis Christus de apostelen vermaant, gelijk in een geweldigen overval en nood van vijanden een iegelijk bezig is om zich van zwaarden en andere wapenen te voorzien, om den vijand tegen te staan; dat zij ook alzo in deze zware aanstaande tijden van vervolging zich moeten voorzien van geestelijke wapenen, om daardoor sterken wederstand te doen. Zie 2 Kor. 10:4. Ef. 6:12. 1 Tim. 1:18. Hetwelk de apostelen toen niet verstonden dan van de uiterlijke wapenen, gelijk blijkt uit vers 38. verwijsteksten
 
37 Want Ik zeg u, dat nog dit hetwelk geschreven is, in Mij moet volbracht worden, namelijk: sEn Hij is met 46de misdadigen gerekend. Want ook die dingen die van Mij geschreven zijn, 47hebben een einde.
s Jes. 53:12. Mark. 15:28. verwijsteksten
46 Gr. de ongerechtigen.
47 Dat is, gaan naar het einde, om haast vervuld te worden.
 
38 En zij zeiden: Heere, ziehier twee zwaarden. En Hij zeide tot hen: 48Het is genoeg.
48 Namelijk hiervan gezegd; de zaak zelve zal het haast wijzen van wat zwaarden Ik spreek, Joh. 18:36. verwijsteksten
 
Gethsémané
39 tEn uitgaande vertrok Hij, 49gelijk Hij gewoon was, naar den Olijfberg; en Hem volgden ook Zijn discipelen.
t Matth. 26:36. Mark. 14:32. Joh. 8:1; 18:1. verwijsteksten
49 Gr. naar gewoonheid.
 
40 En als Hij aan die plaats gekomen was, zeide Hij tot hen: Bidt dat gij niet in verzoeking komt.
41 vEn 50Hij scheidde Zich van hen af, omtrent een steenworp, en knielde neder en bad,
v Matth. 26:39. Mark. 14:35. verwijsteksten
50 Gr. Hij werd van hen afgerukt.
 
42 Zeggende: Vader, 51of Gij wildet dezen drinkbeker van Mij wegnemen! Doch niet Mijn wil, xmaar de Uwe geschiede.
51 Anders: zo Gij wilt, neem dezen drinkbeker van Mij weg. Van dit gebed van Christus zie Matth. 26:39. verwijsteksten
x Joh. 6:38. verwijsteksten
 
43 En van Hem werd gezien een engel uit den hemel, die Hem versterkte.
44 yEn in 52zwaren strijd zijnde, bad Hij te ernstiger. En Zijn zweet werd gelijk 53grote droppelen bloeds, die op de aarde afliepen.
y Joh. 12:27. Hebr. 5:7. verwijsteksten
52 Of: groten angst, benauwdheid. En wordt eigenlijk gezegd van de bangheid die iemand heeft eer de strijd aangaat; welke hier in Christus geweest is, niet zozeer vanwege den aanstaanden lichamelijken dood, maar vanwege den last des toorns Gods tegen de zonden der mensen, die Hij droeg, Gal. 3:13. Hebr. 5:7, 8, 9. verwijsteksten
53 Het Griekse woord betekent eigenlijk droppelen van geronnen bloed; maar wordt ook genomen voor grote dikke droppelen.
 
45 En als Hij van het gebed opgestaan was, kwam Hij tot Zijn discipelen, en vond hen slapende van droefheid.
46 En Hij zeide tot hen: Wat slaapt gij? Staat op en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt.
 
Jezus geeft Zich gevangen
47 zEn als Hij nog sprak, ziedaar een schare; en een van de twaalve, die genaamd was Judas, ging hun voor, en kwam bij Jezus, 54om Hem te kussen.
z Matth. 26:47. Mark. 14:43. Joh. 18:3. verwijsteksten
54 Namelijk volgens het teken dat hij hun tevoren gegeven had, Matth. 26:48. verwijsteksten
 
48 En Jezus zeide tot hem: Judas, verraadt gij den Zoon des mensen met een kus?
49 En die bij Hem waren, ziende wat er geschieden zou, zeiden tot Hem: Heere, zullen wij met het zwaard slaan?
50 aEn 55een uit hen sloeg 56den dienstknecht des hogepriesters en hieuw hem zijn rechteroor af.
a Matth. 26:51. Mark. 14:47. verwijsteksten
55 Namelijk Petrus.
56 Genaamd Malchus, Joh. 18:10. verwijsteksten
 
51 En Jezus antwoordende zeide: Laat hen tot hiertoe geworden; en raakte zijn oor aan en heelde hem.
52 bEn Jezus zeide 57tot de overpriesters en de hoofdmannen des tempels en ouderlingen, die tegen Hem gekomen waren: Zijt gij uitgegaan met zwaarden en 58stokken als tegen een 59moordenaar?
b Matth. 26:55. Mark. 14:48. verwijsteksten
57 Namelijk tot enigen uit dezelve, van de anderen gezonden om dit werk uit te voeren, Matth. 26:47. verwijsteksten
58 Gr. houten.
59 Of: straatschender.
 
53 Als Ik dagelijks met u was in den tempel, zo hebt gij de handen tegen Mij niet uitgestoken; maar dit is uw ure en 60de macht der duisternis.
60 Dat is, de macht die den duivel, die een prins der duisternis genaamd wordt, Ef. 6:12, en zijn instrumenten van God over Mij gegeven is, Kol. 1:13. verwijsteksten
 
Jezus door Petrus verloochend
54 cEn zij grepen Hem en leidden Hem weg en brachten Hem in 61het huis des hogepriesters. En Petrus volgde van verre.
c Matth. 26:57. Mark. 14:53. Joh. 18:12, 24. verwijsteksten
61 Namelijk eerst tot Annas, en daarna tot Kajafas, Joh. 18:13, 24. verwijsteksten
 
55 dEn als zij vuur ontstoken hadden in het midden van de zaal en zij tezamen nederzaten, zat Petrus in het midden van hen.
d Matth. 26:69. Mark. 14:54, 66. Joh. 18:16, 25. verwijsteksten
 
56 En een zekere dienstmaagd ziende hem bij 62het vuur zitten en haar ogen op hem houdende, zeide: Ook deze was met Hem.
62 Gr. licht, dat is, vuur. Zie vers 55. Mark. 14:54. verwijsteksten
 
57 Maar hij verloochende Hem, zeggende: Vrouw, ik ken Hem niet.
58 En kort daarna een ander hem ziende, zeide: Ook gij zijt van 63die. Maar Petrus zeide: Mens, ik ben niet.
63 Namelijk discipelen van Jezus.
 
59 En als het omtrent een uur geleden was, bevestigde dat een ander, zeggende: In der waarheid, ook deze was met Hem; want hij is ook 64een Galileeër.
64 Zoals het blijkt uit zijn taal, Matth. 26:73. verwijsteksten
 
60 Maar Petrus zeide: Mens, ik weet niet wat gij zegt. En terstond als hij nog sprak, 65kraaide de haan.
65 Namelijk voor de tweede reize, tegen den dageraad. Zie Mark. 14:72. verwijsteksten
 
61 En de Heere Zich omkerende, zag Petrus aan; en Petrus werd indachtig het woord des Heeren, hoe Hij hem gezegd had: eEer de haan 66zal gekraaid hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen.
e Matth. 26:34, 75. Mark. 14:72. Joh. 13:38; 18:27. verwijsteksten
66 Dat is, zal zijn kraaien geëindigd hebben.
 
62 En Petrus naar buiten gaande, weende bitterlijk.
 
Voor den Groten Raad
63 fEn de mannen die Jezus hielden, bespotten Hem gen sloegen Hem.
f Matth. 26:67. Mark. 14:65. verwijsteksten
g Job 16:10. Jes. 50:6. Joh. 19:3. verwijsteksten
 
64 En als zij Hem overdekt hadden, sloegen zij Hem op het aangezicht, en vraagden Hem, zeggende: Profeteer wie het is die U geslagen heeft.
65 En vele andere dingen 67zeiden zij tegen Hem, lasterende.
67 Dat is, lasterlijk van Hem en tot Hem sprekende.
 
66 hEn als het dag geworden was, 68vergaderden 69de ouderlingen des volks, en de overpriesters en schriftgeleerden, en brachten Hem in hun 70Raad,
h Ps. 2:2. Matth. 27:1. Mark. 15:1. Joh. 18:28. verwijsteksten
68 Namelijk voor de tweede reize, om Hem nader te onderzoeken en aan Pilatus over te leveren. Van de eerste vergadering zie Matth. 26:57. verwijsteksten
69 Gr. de ouderlingschap.
70 Gr. synedrion, waarvan zie Matth. 5:22. verwijsteksten
 
67 Zeggende: 71Zijt Gij de Christus? Zeg het ons. En Hij zeide tot hen: Indien Ik het u zeg, gij zult het niet geloven;
71 Of: Zo Gij de Christus zijt, zeg het ons.
 
68 En indien Ik ook vraag, gij zult Mij niet antwoorden of loslaten.
69 i72Van nu aan zal de Zoon des mensen gezeten zijn aan de rechterhand der kracht Gods.
i Dan. 7:9. Matth. 16:27; 24:30; 25:31; 26:64. Mark. 14:62. Hand. 1:11. 1 Thess. 1:10. Openb. 1:7. verwijsteksten
72 Namelijk nadat Hij gedood zijnde wederom zal opstaan van de doden en ten hemel varen.
 
70 En zij zeiden allen: Zijt Gij dan de Zone Gods? En Hij zeide tot hen: 73Gij zegt dat Ik het ben.
73 Of: Gijlieden zegt het, want Ik ben het. Zie van deze manier van spreken Matth. 26:25. verwijsteksten
 
71 En zij zeiden: Wat hebben wij nog getuigenis van node? Want wij zelven hebben het uit Zijn mond gehoord.

Einde Lukas 22