Statenvertaling.nl

sample header image

Lukas 20 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Lukas 20

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

1 Christus van de overpriesters en farizeeën gevraagd zijnde uit wat macht Hij deze dingen deed, antwoordt met een wedervraag, vanwaar de doop van Johannes was. 9 Dreigt hun Gods straf door de gelijkenis van een wijngaard aan de landlieden verhuurd, die de dienstknechten van hun heer mishandelden en zijn zoon doodden. 20 Beantwoordt de vraag of het geoorloofd was den keizer schatting te geven. 27 Bewijst uit de wet van Mozes de opstanding der doden, tegen der sadduceeën voorstelling van zeven broeders die een zelfde vrouw gehad hadden. 41 Vraagt hoe Christus een Zoon van David is, daar David Hem zijn Heere noemt. 45 Waarschuwt het volk voor de eergierigheid en geveinsdheid der schriftgeleerden.
 
De vraag naar Jezus’ bevoegdheid
1 ENa het geschiedde in een van die dagen, als Hij in den tempel het volk leerde en 1het Evangelie verkondigde, dat de overpriesters en schriftgeleerden met de ouderlingen daarover kwamen,
a Matth. 21:23. Mark. 11:27. Hand. 4:7; 7:27. verwijsteksten
1 Gr. evangeliseerde.
 
2 En spraken tot Hem, zeggende: Zeg ons 2door wat 3macht Gij 4deze dingen doet; of wie Hij is Die U deze macht heeft gegeven.
2 Gr. in hoedanige.
3 Dat is, autoriteit.
4 Namelijk die in het voorgaande hoofdstuk verhaald worden.
 
3 En Hij antwoordende zeide tot hen: Ik zal u ook 5één woord vragen; en zegt Mij:
5 Dat is, één ding of zaak. Hebr.
 
4 6De doop van Johannes, was die 7uit den hemel of uit de mensen?
6 Zie hiervan de aant. op Matth. 21:25. verwijsteksten
7 Dat is, van God; gelijk Luk. 15:18. verwijsteksten
 
5 En zij overlegden 8onder elkander, zeggende: Indien wij zeggen: Uit den hemel, zo zal Hij zeggen: Waarom hebt gij dan hem niet geloofd?
8 Of: bij zichzelven.
 
6 En indien wij zeggen: Uit de mensen, zo zal ons al het volk stenigen; want zij houden voor zeker dat Johannes een profeet was.
7 En zij antwoordden dat zij niet wisten vanwaar 9die was.
9 Namelijk de doop van Johannes.
 
8 En Jezus zeide tot hen: Zo zeg Ik u ook niet, 10door wat macht Ik deze dingen doe.
10 Gr. in.
 
De boze wijngaardeniers
9 bEn Hij begon tot het volk 11deze gelijkenis te zeggen: Een zeker mens plantte een wijngaard, en hij verhuurde dien aan landlieden, en trok 12een langen tijd buitenslands.
b Ps. 80:9. Jes. 5:1. Jer. 2:21; 12:10. Matth. 21:33. Mark. 12:1. verwijsteksten
11 Van deze gelijkenis zie de verklaring Matth. 21:33. verwijsteksten
12 Gr. genoegzame of tamelijke tijden.
 
10 En als het 13de tijd was, zond hij tot de landlieden een dienstknecht, opdat zij hem van de vrucht des wijngaards geven zouden; maar de landlieden sloegen denzelven en zonden hem ledig heen.
13 Namelijk dat de vruchten rijp zijnde ingezameld worden. Zie Matth. 21:34. verwijsteksten
 
11 En 14wederom zond hij nog een anderen dienstknecht; maar ook dien geslagen en smadelijk behandeld hebbende, zonden zij hem ledig heen.
14 Gr. En hij deed daartoe, en zond. Hebr. Gelijk ook in het volgende vers.
 
12 En wederom zond hij nog een derden; maar zij verwondden ook dezen, en wierpen hem uit.
13 En de heer des wijngaards zeide: 15Wat zal ik doen? Ik zal mijn geliefden zoon zenden; mogelijk dezen ziende, zullen zij hem ontzien.
15 Dit zijn woorden uitdrukkende niet enige twijfeling, maar naar menselijke wijze van spreken een grote genegenheid om hen terecht te brengen; gelijk Hos. 6:4. verwijsteksten
 
14 Maar als de landlieden hem zagen, overlegden zij onder elkander en zeiden: cDeze is de erfgenaam; dkomt, laat ons hem doden, opdat de erfenis onze worde.
c Ps. 2:8. Hebr. 1:2. verwijsteksten
d Gen. 37:18. Ps. 2:1. Matth. 26:3; 27:1. Joh. 11:53. verwijsteksten
 
15 En als zij hem buiten den wijngaard uitgeworpen hadden, doodden zij hem. Wat zal dan de heer des wijngaards hun doen?
16 Hij zal komen en deze landlieden verderven, en zal den wijngaard aan 16anderen geven. En als zij dat hoorden, zeiden zij: 17Dat zij verre.
16 Namelijk den heidenen, Matth. 21:43. verwijsteksten
17 Namelijk dat wij den zoon zouden doden, en dat ons zulks zou overkomen, als Gij hier zegt.
 
17 Maar Hij zag hen aan, en zeide: Wat is dan dit, hetwelk egeschreven staat: 18De Steen Dien de bouwlieden verworpen hebben, Deze is tot een Hoofd des hoeks geworden?
e Ps. 118:22. Jes. 8:14; 28:16. Matth. 21:42. Mark. 12:10. Hand. 4:11. Rom. 9:33. 1 Petr. 2:4, 7. verwijsteksten
18 Zie de aantt. op Matth. 21:42. verwijsteksten
 
18 fEen iegelijk die 19op dien Steen valt, zal verpletterd worden, gen 20op wien Hij valt, dien zal Hij vermorzelen.
f Jes. 8:15. Zach. 12:3. verwijsteksten
19 Dat is, die zich aan Hem stoten en Hem ongehoorzaam zijn, 1 Petr. 2:7, 8. verwijsteksten
g Dan. 2:34. verwijsteksten
20 Namelijk door de zwaarte van Zijn oordeel en straf, Ps. 2:9. verwijsteksten
 
19 En de overpriesters en de schriftgeleerden zochten te dierzelver ure de handen aan Hem te slaan, maar zij vreesden het volk; want zij verstonden dat Hij deze gelijkenis tegen hen gesproken had.
 
De belasting aan den keizer
20 hEn zij namen Hem waar, en zonden 21verspieders uit, die zichzelven veinsden 22rechtvaardig te zijn, opdat zij Hem in Zijn rede 23vangen mochten, om Hem aan de heerschappij en de macht des stadhouders over te leveren.
h Matth. 22:16. Mark. 12:13. verwijsteksten
21 Of: lagenleggers.
22 Dat is, als die oprechtelijk met Hem wilden handelen, en niet gaarne zouden iets doen of lijden dat onrecht ware, of tegen Gods bevel.
23 Dat is, betrappen, of achterhalen, of Zijn rede berispen.
 
21 En zij vraagden Hem, zeggende: Meester, wij weten dat Gij recht spreekt en leert, en 24den persoon niet aanneemt, maar den weg Gods leert in der waarheid.
24 Gr. aangezicht. Zie de verklaring Matth. 22:16. verwijsteksten
 
22 Is het 25ons geoorloofd den keizer schatting te geven of niet?
25 Namelijk wij, die Joden en Gods volk zijn, aan een heidensen keizer. Van deze schatting zie Matth. 17:24. verwijsteksten
 
23 En Hij hun arglistigheid bemerkende, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij?
24 Toont Mij een 26penning; wiens beeld en opschrift heeft hij? En zij antwoordende zeiden: Des keizers.
26 Gr. denarius, waarvan zie Matth. 22:19. verwijsteksten
 
25 En Hij zeide tot hen: iGeeft dan den keizer wat des keizers is, en Gode wat Gods is.
i Matth. 17:25; 22:21. Rom. 13:7. verwijsteksten
 
26 En zij konden Hem in Zijn woord niet 27vatten voor het volk; en zich verwonderende over Zijn antwoord, zwegen zij stil.
27 Of: betrappen, achterhalen. Of: Zijn woord berispen.
 
De sadduceeën en de opstanding
27 kEn tot Hem kwamen sommigen der 28sadduceeën, welke 29tegensprekende zeggen dat er geen opstanding is, en vraagden Hem,
k Matth. 22:23. Mark. 12:18. Hand. 23:8. verwijsteksten
28 Van de sekte der sadduceeën zie breder Hand. 23:8. verwijsteksten
29 Gr. tegenspreken, namelijk de rechte leer van dit artikel.
 
28 Zeggende: Meester, lMozes heeft ons 30geschreven: Zo iemands broeder sterft, die een vrouw heeft, en hij sterft zonder kinderen, dat zijn broeder de vrouw nemen zal en zijn broeder 31zaad verwekken.
l Deut. 25:5. verwijsteksten
30 Dat is, in zijn Schriften bevolen, Deut. 25:5. verwijsteksten
31 Dat is, een zoon bij haar gewinnen, die den naam van den eersten broeder zou dragen en zijn erfgenaam zijn.
 
29 Er waren nu zeven broeders; en de eerste nam een vrouw, en hij stierf zonder kinderen.
30 En de tweede nam die vrouw, en ook deze stierf zonder kinderen.
31 En de derde nam dezelve vrouw, en desgelijks ook 32de zeven, en hebben geen kinderen nagelaten, en zijn gestorven.
32 Dat is, de andere vier tot zeven toe.
 
32 En ten laatste na allen stierf ook de vrouw.
33 In de opstanding dan, wiens vrouw van dezen zal zij zijn? Want die zeven hebben dezelve tot een vrouw gehad.
34 En Jezus antwoordende zeide tot hen: De kinderen 33dezer eeuw trouwen en worden ten huwelijk uitgegeven;
33 Door dezen worden verstaan niet de wereldse mensen, gelijk Luk. 16:8, maar degenen die in deze wereld leven. Want het huwelijk is eerlijk onder allen, Hebr. 13:4. verwijsteksten
 
35 Maar die waardig zullen 34geacht zijn 35die eeuw te verwerven en de opstanding uit de doden, zullen noch trouwen noch ten huwelijk uitgegeven worden.
34 Namelijk van God uit genade, 2 Thess. 1:5, 11. Alzo wordt dit woord ook genomen in Luk. 21:36. verwijsteksten
35 Dat is, het eeuwige leven en de opstanding ter heerlijkheid in de toekomende eeuw. Want de goddelozen zullen ook opstaan, maar ter verdoemenis, Joh. 5:29. verwijsteksten
 
36 Want zij kunnen niet meer sterven, want zij zijn mden engelen gelijk; en zij zijn 36kinderen Gods, dewijl zij kinderen der opstanding zijn.
m 1 Joh. 3:2. verwijsteksten
36 Namelijk geopenbaard in heerlijkheid, dewijl zij de zalige opstanding deelachtig zijn. Zie 1 Joh. 3:2. verwijsteksten
 
37 En dat de doden opgewekt zullen worden, heeft ook 37Mozes 38aangewezen bij het doornbos, 39als hij nden Heere noemt den God Abrahams en den God Izaks en den God Jakobs.
37 Christus bewijst de opstanding der doden uit de Schriften van Mozes, omdat de sadduceeën dezelve daartegen hadden voorgebracht.
38 Of: te kennen gegeven, getoond, namelijk in de beschrijving van de verschijning des Heeren in het doornbos.
39 Van de kracht van deze sluitrede zie Matth. 22:32. verwijsteksten
n Ex. 3:6. Hand. 7:32. Hebr. 11:16. verwijsteksten
 
38 God nu is niet een God der doden, maar der levenden; want 40zij leven Hem allen.
40 Namelijk niet alleen naar de ziel, die onsterfelijk is, maar ook naar het lichaam; omdat hetzelve weder opgewekt zal worden, en bij God alle toekomende dingen alrede als tegenwoordig zijn, Rom. 4:17. verwijsteksten
 
39 En sommigen der schriftgeleerden antwoordende, zeiden: Meester, Gij hebt wel gezegd.
40 En 41zij durfden Hem niet meer iets vragen.
41 Namelijk de schriftgeleerden. Zie Mark. 12:34. verwijsteksten
 
Christus Davids Zoon en Heere
41 oEn Hij zeide tot hen: Hoe zeggen zij dat de Christus Davids Zoon is?
o Matth. 22:42. Mark. 12:35. verwijsteksten
 
42 En David zelf zegt in het boek der Psalmen: pDe Heere heeft gezegd tot mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand,
p Ps. 110:1. Hand. 2:34. 1 Kor. 15:25. Hebr. 1:13; 10:13. verwijsteksten
 
43 Totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.
44 David dan noemt Hem zijn Heere; en 42hoe is Hij zijn Zoon?
42 Dat is, indien Hij alleen een zoon van David, dat is, een bloot mens uit David is, hoe noemt Hem dan David, die een soevereine koning was en geen heer boven zich erkende dan God alleen, zijn Heere? Waarop zij niet konden antwoorden, omdat zij den Messias niet hielden waarachtig God te zijn.
 
Geveinsdheid der schriftgeleerden
45 En daar al het volk het hoorde, zeide Hij tot Zijn discipelen:
46 qWacht u van de schriftgeleerden, die daar willen wandelen in 43lange klederen, en beminnen de groetingen op de markten, en de voorgestoelten in de synagogen, en de vooraanzittingen in de 44maaltijden;
q Matth. 23:5, 6. Mark. 12:38, 39. Luk. 11:43. verwijsteksten
43 Gr. stolais. Zie Mark. 12:38. verwijsteksten
44 Gr. avondmalen.
 
47 rDie der weduwen 45huizen opeten, en onder een schijn lange gebeden doen; dezen zullen 46zwaarder 47oordeel ontvangen.
r Matth. 23:14. Mark. 12:40. 2 Tim. 3:6. Tit. 1:11. verwijsteksten
45 Dat is, de middelen waardoor zij haar huisgezinnen zouden onderhouden.
46 Gr. overvloediger.
47 Dat is, straf in het oordeel.

Einde Lukas 20