Statenvertaling.nl

sample header image

Lukas 11 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Lukas 11

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

1 Christus schrijft Zijn discipelen een formulier voor om te bidden. 5 En leert door de gelijkenissen van een vriend en van een vader, dat zij zullen verhoord worden die in het gebed volharden. 14 Werpt een stommen duivel uit, en wederspreekt de lastering dergenen die zeiden dat Hij zulks door Beëlzebul deed. 24 Verhaalt den ellendigen staat van den mens in welken de onreine geest weder inkeert. 27 Een vrouw prijst zalig den buik die Christus gedragen heeft. 29 Christus betuigt dat den Joden het teken van Jona zal gegeven worden. 31 Stelt tegen hun hardnekkigheid het voorbeeld der koningin van het zuiden en der Ninevieten. 33 Leert door gelijkenis van een kaars, dat men het licht des Evangelies niet moet verbergen. 37 Bestraft der farizeeën en schriftgeleerden geveinsdheid, eergierigheid en wreedheid tegen alle profeten en apostelen, en dreigt hun de straf Gods. 53 Waarop de farizeeën Hem nieuwe lagen leggen.
 
Het gebed des Heeren
1 EN het geschiedde toen Hij in een zekere plaats was biddende, als Hij ophield, dat een van Zijn discipelen tot Hem zeide: Heere, 1leer ons bidden, gelijk ook Johannes zijn discipelen geleerd heeft.1 Dat is, geef ons een voorschrift des gebeds, hetwelk wij mogen gebruiken, en naar hetwelk wij onze gebeden mogen richten.
2 En Hij zeide tot hen: aWanneer gij bidt, zo zegt: 2Onze Vader, Die in de hemelen zijt, Uw Naam worde geheiligd. Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde.a Matth. 6:9. verwijsteksten
2 Zie de verklaring van dit gebed bij Matth. 6:9, enz. verwijsteksten
3 Geef ons 3elken dag ons 4dagelijks brood.3 Of: van dag tot dag, of: alle dagen.
4 Of: genoegzaam. Zie Matth. 6:11. verwijsteksten
4 En vergeef ons onze zonden; want ook wij vergeven aan een iegelijk die ons schuldig is. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze.
 
Gebedsverhoring
5 En Hij zeide tot hen: Wie van u zal een vriend hebben, en zal 5te middernacht tot hem gaan en tot hem zeggen: Vriend, leen mij drie broden;5 Dat is, zelfs op de meest ongelegen tijd.
6 Overmits mijn vriend 6van de reis tot mij gekomen is, en ik heb niets dat ik hem voorzette;6 Gr. van den weg.
7 En dat die van binnen antwoordende zou zeggen: Doe mij geen moeite aan; de deur is nu gesloten, en mijn kinderen zijn met mij 7in de slaapkamer; ik kan niet opstaan om u te geven.7 Of: te bed.
8 Ik zeg ulieden: Hoewel hij niet zou opstaan en hem geven omdat hij zijn vriend is, nochtans om zijner 8onbeschaamdheid wil, zal hij opstaan en hem geven 9zovele als hij er behoeft.8 Dat is, omwille van zijn moeilijk en ontijdig aanhouden, hetwelk wel somwijlen onaangenaam is bij de mensen, maar niet bij God, Luk. 18:1. 1 Thess. 5:17. verwijsteksten
9 Namelijk broden.
9 En Ik zeg ulieden: b10Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.b Matth. 7:7; 21:22. Mark. 11:24. Joh. 14:13; 15:7; 16:24. Jak. 1:5, 6. 1 Joh. 3:22; 5:14. verwijsteksten
10 Zie hiervan de verklaring Matth. 7:8. verwijsteksten
10 Want een iegelijk die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden.
11 cEn wat vader onder u, dien de zoon om brood bidt, zal hem een steen geven? Of ook om een vis, zal hem voor een vis een slang geven?c Matth. 7:9. verwijsteksten
12 Of zo hij ook om een ei zou bidden, zal hij hem een schorpioen geven?
13 Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de 11hemelse Vader den Heiligen Geest geven dengenen die Hem bidden.11 Gr. Die uit den hemel is.
 
Jezus en Beëlzebul
14 dEn Hij wierp een duivel uit, en die 12was stom. En het geschiedde als de duivel uitgevaren was, dat de stomme sprak; en de scharen verwonderden zich.d Matth. 9:32; 12:22. verwijsteksten
12 Dat is, maakte den bezeten mens stom; en ook blind, gelijk te zien is Matth. 12:22. verwijsteksten
15 Maar sommigen van hen zeiden: eHij werpt de duivelen uit door 13Beëlzebul, den overste der duivelen.e Matth. 9:34; 12:24. Mark. 3:22. verwijsteksten
13 Anders: Beëlzebub. Zie daarvan Matth. 10:25. verwijsteksten
16 En anderen Hem verzoekende, f14begeerden van Hem een teken 15uit den hemel.f Matth. 16:1. verwijsteksten
14 Gr. zochten.
15 Zie Matth. 16:1. verwijsteksten
17 Maar Hij kennende hun 16gedachten, zeide tot hen: gEen ieder koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en 17een huis tegen zichzelf verdeeld zijnde, valt.16 Of: overleggingen.
g Matth. 12:25. Mark. 3:24. verwijsteksten
17 Gr. huis tegen huis, dat is, tegen zichzelven; gelijk te zien is Matth. 12:25. verwijsteksten
18 Indien nu ook de satan tegen zichzelven verdeeld is, hoe zal zijn rijk bestaan? Dewijl gij zegt dat Ik door Beëlzebul de duivelen uitwerp.
19 En indien Ik door Beëlzebul de duivelen uitwerp, door wien werpen uw 18zonen ze uit? Daarom zullen dezen uw 19rechters zijn.18 Zie Matth. 12:27. verwijsteksten
19 Dat is, met hun doen en getuigenis u veroordelen.
20 Maar indien Ik door 20den vinger Gods de duivelen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen.20 Dat is, door de kracht of Geest Gods, gelijk staat Matth. 12:28. Dergelijke manier van spreken zie Ex. 8:19. verwijsteksten
21 Wanneer een sterke gewapende zijn 21hof bewaart, zo is 22al wat hij heeft in 23vrede.21 Of: paleis.
22 Of: al zijn goederen.
23 Dat is, in rust en zekerheid.
22 hMaar als een daarover komt die sterker is dan hij, en hem overwint, die neemt zijn gehele wapenrusting, waar hij op vertrouwde, en deelt zijn 24roof uit.h Kol. 2:15. verwijsteksten
24 Mattheüs zegt vaten, dat is, huisraad.
23 iWie 25met Mij niet is, die is tegen Mij; en wie met Mij niet vergadert, die verstrooit.i Matth. 12:30. verwijsteksten
25 Namelijk om Gods eer en de zaligheid der mensen te bevorderen. Zie Mark. 9:40. verwijsteksten
 
Terugkeer van den onreinen geest
24 k26Wanneer de onreine geest van den mens uitgevaren is, zo gaat hij door 27dorre plaatsen, zoekende rust; en die niet vindende, zegt hij: Ik zal wederkeren in mijn huis, waar ik uitgevaren ben.k Matth. 12:43, enz. verwijsteksten
26 Zie hiervan de verklaring Matth. 12:43, enz. verwijsteksten
27 Gr. waterloze, droge.
25 En komende, vindt hij het 28met bezemen gekeerd, en versierd.28 Of: geveegd.
26 Dan gaat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hij zelf is; en ingegaan zijnde, wonen zij aldaar; len het laatste van dien mens wordt erger dan het eerste.l Joh. 5:14. Hebr. 6:4, 5; 10:26. 2 Petr. 2:20. verwijsteksten
 
De ware zaligheid
27 En het geschiedde als Hij deze dingen sprak, dat een zekere vrouw de stem verheffende uit de schare, tot Hem zeide: Zalig is de buik die U gedragen heeft, en de borsten die Gij hebt gezogen.
28 Maar Hij zeide: m29Ja, zalig zijn degenen die het Woord Gods horen en hetzelve bewaren.m Matth. 7:21. Joh. 6:29. Rom. 2:13. verwijsteksten
29 Christus ontkent hier niet dat Zijn moeder zalig is, maar leert dat haar en anderer zaligheid niet voortkomt uit vleselijke geboorte, maar door het gehoor van het Woord Gods, met waar geloof aangenomen.
 
Het teken van Jona
29 En als de scharen dicht bijeenvergaderden, begon Hij te zeggen: Dit is een boos geslacht; het verzoekt een teken, en hun zal geen teken gegeven worden dan nhet teken van Jona, den profeet.n Jona 1:17; 2:10. verwijsteksten
30 Want 30gelijk Jona voor de Ninevieten een teken geweest is, alzo zal ook de Zoon des mensen zijn voor dit geslacht.30 Zie hiervan de verklaring van Christus Zelven, Matth. 12:40. verwijsteksten
31 De koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel met de mannen van dit geslacht en zal hen 31veroordelen; owant zij is gekomen 32van de einden der aarde, om te horen de wijsheid van Sálomo; en zie, 33meer dan Sálomo is hier.31 Namelijk door haar voorbeeld.
o 1 Kon. 10:1. 2 Kron. 9:1. Matth. 12:42. verwijsteksten
32 Gr. uit.
33 Dat is, Een Die voortreffelijker is dan Salomo, zo van Persoon als van ambt.
32 De mannen van Ninevé zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht en zullen hetzelve veroordelen; pwant zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona; en zie, meer dan Jona is hier.p Jona 3:5. verwijsteksten
 
De kaars des lichaams
33 qEn niemand die een kaars ontsteekt, zet die in het verborgene, noch onder een korenmaat, maar op een kandelaar, opdat degenen die inkomen, 34het licht zien mogen.q Matth. 5:15. Mark. 4:21. Luk. 8:16. verwijsteksten
34 Gr. het schijnsel.
34 rDe kaars des lichaams is het oog; wanneer dan uw oog eenvoudig is, zo is ook uw gehele lichaam 35verlicht; maar zo het boos is, zo is ook uw gehele lichaam duister.r Matth. 6:22. verwijsteksten
35 Of: luchtig. Zie Matth. 6:22. verwijsteksten
35 36Zie dan toe dat niet het licht hetwelk in u is, duisternis zij.36 Of: Zie dan of niet het licht hetwelk in u is, duisternis zij.
36 Indien dan uw lichaam geheel verlicht is, niet hebbende enig deel dat duister is, zo zal het 37geheel verlicht zijn, gelijk wanneer de kaars met het schijnsel u verlicht.37 Namelijk wat van u gedaan wordt, of voortkomt.
 
Het wee over de farizeeën
37 Als Hij nu dit sprak, 38bad Hem een zeker farizeeër dat Hij bij hem het middagmaal wilde eten; en ingegaan zijnde, zat Hij aan.38 Gr. vraagde Hem.
38 En de farizeeër dat ziende, verwonderde zich sdat Hij niet eerst vóór het middagmaal Zich 39gewassen had.s Mark. 7:3. verwijsteksten
39 Gr. gedoopt ware. Zie Mark. 7:4. verwijsteksten
39 En de Heere zeide tot hem: tNu gij farizeeën, gij reinigt het buitenste des drinkbekers en des schotels; vmaar 40het binnenste van u is vol van roof en boosheid.t Matth. 23:25. verwijsteksten
v Tit. 1:15. verwijsteksten
40 Hetwelk verstaan kan worden óf van de harten der farizeeën, óf van hun schotels; gelijk uitgedrukt staat Matth. 23:25. verwijsteksten
40 Gij onverstandigen; Die het buitenste heeft gemaakt, heeft Hij ook niet het binnenste gemaakt?
41 xDoch geeft tot aalmoezen hetgeen 41daarin is; en zie, 42alles is u rein.x Jes. 58:7. Dan. 4:27. Luk. 12:33. verwijsteksten
41 Namelijk in den schotel, of: hetgeen gij hebt, gelijk Luk. 19:8, of: hetgeen in u is, dat is, verandert uw onrechtvaardigheid in gerechtigheid en weldadigheid jegens de armen; gelijk Dan. 4:27. verwijsteksten
42 Dat is, dan zult gij de spijze en drank met goede consciëntie en dankzegging gebruiken mogen, 1 Tim. 4:4. Tit. 1:15. Anders: zal u rein zijn. verwijsteksten
42 yMaar wee u, farizeeën, want gij 43vertiendt munte en ruit en 44alle moeskruid, en zgij gaat voorbij 45het oordeel en de liefde Gods. Dit moest men doen en het andere niet nalaten.y Matth. 23:23. verwijsteksten
43 Zie Matth. 23:23. verwijsteksten
44 Dat is, allerlei.
z 1 Sam. 15:22. Hos. 6:6. Micha 6:8. Matth. 9:13; 12:7. verwijsteksten
45 Dat is, gerechtigheid en billijkheid jegens uw naaste.
43 aWee u, farizeeën, want gij bemint 46het voorgestoelte in de synagogen, en de begroetingen op de markten.a Matth. 23:6. Mark. 12:38. Luk. 20:46. verwijsteksten
46 Of: voorste zitting.
44 bWee u, gij schriftgeleerden en farizeeën, gij geveinsden; want gij zijt gelijk den graven die 47niet openbaar zijn, en de mensen die daarover wandelen, 48weten het niet.b Matth. 23:27. verwijsteksten
47 Of: verborgen, namelijk in de aarde.
48 Of: kennen ze niet.
45 En een van de 49wetgeleerden antwoordende zeide tot Hem: Meester, als Gij deze dingen zegt, zo doet Gij ook ons smaadheid aan.49 De schriftgeleerden waren ook wel wetgeleerden, maar het schijnt dat onder dezelve enige waren die in wetenschap uitstaken, en die dezen naam bijzonderlijk voerden.
46 cDoch Hij zeide: Wee ook u, wetgeleerden, want gij belast de mensen met lasten zwaar om te dragen, en zelven raakt gij die lasten niet aan met één van uw vingers.c Jes. 10:1. Matth. 23:4. Hand. 15:10. verwijsteksten
47 dWee u, want gij bouwt de graven der profeten, en uw vaders hebben dezelve gedood.d Matth. 23:29. verwijsteksten
48 Zo getuigt gij dan 50dat gij medebehagen hebt aan de werken uwer vaderen; want zij hebben hen gedood, en gij 51bouwt hun graven.50 Gr. en gij hebt medebehagen.
51 Dat is, als gij hun graven opbouwt, zo toont gij daarmede dat gij rechte kinderen zijt dergenen die de profeten hebben gedood, Matth. 23:31. En hoewel gij daarmede wilt schijnen uwer vaderen daad te misprijzen, zo blijkt nochtans uit den haat en de wreedheid, die gij bewijst tegen de rechtzinnige leraars, dat gij daarin uw vaderen gelijk zijt; en zo gij in dien tijd geleefd hadt, dat gij hetzelfde ook aan de profeten zoudt hebben gedaan. verwijsteksten
49 Waarom ook 52de Wijsheid Gods 53zegt: eIk zal profeten en apostelen tot hen zenden, en van die zullen zij sommigen doden, en sommigen zullen zij uitjagen;52 Dit spreekt Christus van Zichzelven, alzo Hij de eeuwige Wijsheid des Vaders is, Spr. 8:1, 22. 1 Kor. 1:24. Gelijk blijkt uit Matth. 23:34. verwijsteksten
53 Of: heeft gezegd.
e Matth. 10:16. Luk. 10:3. Joh. 16:2. Hand. 7:51. Hebr. 11:35. verwijsteksten
50 Opdat van 54dit geslacht afgeëist worde het bloed van al de profeten, dat vergoten is van de grondlegging der wereld af;54 Zie Matth. 23:35. verwijsteksten
51 fVan het bloed van Abel gtot het bloed van 55Zacharía, die gedood is tussen het altaar en 56het huis Gods; ja, zeg Ik u, het zal afgeëist worden van dit geslacht.f Gen. 4:8. Hebr. 11:4. verwijsteksten
g 2 Kron. 24:21. verwijsteksten
55 Van dezen Zacharia zie Matth. 23:35. verwijsteksten
56 Dat is, den tempel, gelijk verklaard wordt Matth. 23:35. verwijsteksten
52 hWee u, gij wetgeleerden, want gij hebt 57den sleutel der kennis weggenomen; gij zelven zijt niet ingegaan, en die ingingen, hebt gij verhinderd.h Matth. 23:13. verwijsteksten
57 Deze sleutel is de rechte verklaring van Gods Woord, waardoor den mensen de ingang tot den hemel geopend wordt, welke geweerd zijnde, zo wordt dezelve ingang als toegesloten. Zie Matth. 23:13. verwijsteksten
53 En als Hij deze dingen tot hen zeide, begonnen de schriftgeleerden en farizeeën 58hard aan te houden, en Hem van vele dingen 59te doen spreken;58 Of: heftiglijk op Hem toeleggen.
59 Gr. uit den mond de woorden te halen.
54 Hem lagen leggende, en zoekende iets uit Zijn mond te bejagen, opdat zij Hem beschuldigen mochten.

Einde Lukas 11