Statenvertaling.nl

sample header image

Markus 6 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Markus 6

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

1 Christus leert in Zijn vaderland, alwaar Hij veracht wordt. 7 Zendt Zijn apostelen uit om te prediken en wonderen te doen. 14 Verscheiden gevoelen van Christus, zo van de Joden als van Herodes, die Hem houdt voor Johannes den Doper. 17 Wiens gevangenis, onthoofding en begrafenis bij die gelegenheid verhaald wordt. 30 De apostelen komen weder tot Christus, Die met hen vertrekt in een woeste plaats. 33 Waar Hem een grote schare volgt, van omtrent vijfduizend mannen, welke Hij spijzigt met vijf broden en twee vissen. 45 Doet Zijn discipelen wegvaren, en bidt ondertussen op den berg. 48 Komt daarna des nachts tot hen, wandelende op de zee, en stilt den wind. 54 En aan land gekomen zijnde, geneest allerlei ziekten.
 
Jezus in Nazareth verworpen
1 ENa Hij ging vandaar weg en kwam in Zijn 1vaderland, en Zijn discipelen volgden Hem.
a Matth. 13:53. Luk. 4:16. verwijsteksten
1 Namelijk te Nazareth, hetwelk Zijn vaderland genoemd wordt, omdat Hij daar opgevoed was en met Zijn ouders lang gewoond had. Zie Matth. 13:54. Luk. 4:16. verwijsteksten
 
2 En als het sabbat geworden was, begon Hij in de synagoge te leren; en velen die Hem hoorden, 2ontzetten zich, zeggende: Vanwaar komen Dezen deze dingen? En wat wijsheid is dit, die Hem gegeven is, dat ook zulke 3krachten 4door Zijn handen geschieden?
2 Gr. werden verslagen.
3 Dat is, mirakelen of wondertekenen. Zie Matth. 7:22. verwijsteksten
4 Dat is, door Hem; een Hebreeuwse manier van spreken.
 
3 bIs Deze niet de 5Timmerman, de Zoon van Maria, en de 6Broeder van Jakobus en van Joses, en van Judas en van Simon? En zijn Zijn zusters niet hier bij ons? En zij werden aan Hem geërgerd.
b Joh. 6:42. verwijsteksten
5 Dewijl Jozef een timmerman was, Matth. 13:55, zo is het waarschijnlijk dat Christus hem in dit handwerk geholpen heeft, totdat Hij Zijn leerambt heeft aangevangen; hetwelk ook een deel Zijner vernedering geweest is, Luk. 2:51. verwijsteksten
6 Dat is, Neef, zie de aant. Matth. 13:55. verwijsteksten
 
4 En Jezus zeide tot hen: cEen profeet is niet ongeëerd dan in zijn vaderland en onder zijn magen en in zijn huis.
c Matth. 13:57. Luk. 4:24. Joh. 4:44. verwijsteksten
 
5 dEn Hij 7kon aldaar geen kracht doen; dan Hij legde weinigen zieken de handen op en genas hen.
d Matth. 13:58. verwijsteksten
7 Hoe dit te verstaan is, zie de aant. op Matth. 13:58. verwijsteksten
 
6 En Hij verwonderde Zich over hun ongeloof, een omging de vlekken daar rondom, lerende.
e Matth. 9:35. Luk. 13:22. verwijsteksten
 
De uitzending der twaalve
7 fEn Hij riep tot Zich 8de twaalve, en begon hen uit te zenden twee en twee, en gaf hun macht 9over de onreine geesten.
f Matth. 10:1. Luk. 6:13; 9:1. verwijsteksten
8 Namelijk die Hij tot Zijn apostelen had verkoren, Mark. 3:13. verwijsteksten
9 Namelijk om dezelve te kunnen uitdrijven uit de bezetenen.
 
8 En Hij gebood hun, dat zij niets zouden nemen tot den weg, dan alleenlijk 10een staf; geen male, geen brood, geen 11geld in den gordel;
10 Namelijk om in het gaan op te steunen; maar geen die u zou bezwaren op den weg, gelijk Matth. 10:10 te zien is. verwijsteksten
11 Gr. koper, omdat eertijds het geld van koper veel placht te wezen, en kan daardoor hier ook zelfs de minste voorraad van geld verstaan worden.
 
9 gMaar dat zij 12schoenzolen zouden 13aanbinden, en met 14geen twee rokken gekleed zijn.
g Hand. 12:8. verwijsteksten
12 Gr. sandalia, welke waren lichte schoenen, bestaande alleen uit zolen met banden om aan de voeten vast te maken, welke in die hete landen zeer gebruikelijk waren, Hand. 12:8. verwijsteksten
13 Namelijk niet meer dan één paar om te reizen; want meer schoenen op den weg mede te nemen, wordt hun ook verboden, Matth. 10:10. verwijsteksten
14 Dat is, geen meer dan gij aan zult hebben, zonder nog een rok mede te dragen tot verandering.
 
10 En Hij zeide tot hen: Zo waar gij in een huis zult ingaan, blijft daar totdat gij vandaar uitgaat.
11 hEn zo wie u niet zullen ontvangen, noch u horen, vertrekkende vandaar, ischudt 15het stof af dat onder aan uw voeten is, hun tot een getuigenis. kVoorwaar zeg Ik u: Het zal Sódom of Gomórra verdraaglijker zijn in den dag des oordeels dan dezelve stad.
h Matth. 10:14. Luk. 9:5. verwijsteksten
i Hand. 13:51; 18:6. verwijsteksten
15 De reden hiervan zie Matth. 10:14. verwijsteksten
k Matth. 10:15. Luk. 10:12. verwijsteksten
 
12 En uitgegaan zijnde, predikten zij dat zij zich zouden bekeren.
13 En zij wierpen vele duivelen uit, len 16zalfden vele kranken met olie, en maakten hen gezond.
l Jak. 5:14. verwijsteksten
16 Deze zalving, gelijk ook de oplegging der handen, aanraken en dergelijke wijzen van doen, die Christus en de apostelen hebben gebruikt in het genezen der ziekten, gaven de gezondheid niet, maar waren uiterlijke tekenen, dat deze wonderbare genezing door de Goddelijke kracht van Christus en den dienst der apostelen geschiedde. Welke tekenen gebruikt zijn, zolang de gave der wonderbare genezing heeft geduurd. Zie Mark. 16:18. Jak. 5:14. En nadat dezelve gave heeft opgehouden, zo hebben deze tekenen, als nu nergens meer toe dienende, ook moeten ophouden. verwijsteksten
 
De dood van Johannes den Doper
14 mEn de koning 17Herodes hoorde het (18want Zijn Naam was openbaar geworden) en zeide: Johannes, die daar doopte, is van de doden opgewekt, en daarom 19werken die krachten in hem.
m Matth. 14:1. Luk. 9:7. verwijsteksten
17 Zie van dezen Herodes en van deze gehele historie Matth. 14:1, enz. verwijsteksten
18 Namelijk de Naam Jezus.
19 Dat is, nu komt hij met meerder kracht dan tevoren; want Johannes had zelf geen wonderen gedaan, Joh. 10:41. verwijsteksten
 
15 Anderen zeiden: Hij is Elía. En anderen zeiden: Hij is een profeet, of als een 20der profeten.
20 Dat is, der oude afgestorven profeten.
 
16 Maar als het Herodes hoorde, zeide hij: Deze is Johannes, dien ik onthoofd heb; die is van de doden opgewekt.
17 nWant dezelve Herodes enigen uitgezonden hebbende, had Johannes gevangengenomen en hem in de gevangenis gebonden, uit oorzaak van Heródias, de huisvrouw van zijn broeder Filippus, omdat hij haar getrouwd had.
n Matth. 14:3. Luk. 3:19; 9:9. verwijsteksten
 
18 Want Johannes zeide tot Herodes: oHet is u niet geoorloofd de huisvrouw uws broeders te hebben.
o Leviticus 18; 20:21. verwijsteksten
 
19 En Heródias legde op hem toe en wilde hem doden, en kon niet;
20 Want Herodes vreesde Johannes, wetende dat hij een prechtvaardig en heilig man was, en 21hield hem in waarde; en als hij hem hoorde, deed hij vele dingen, en 22hoorde hem gaarne.
p Matth. 14:5; 21:26. verwijsteksten
21 Of: bewaarde hem.
22 Namelijk in het eerst; want daarna opgestookt zijnde door Herodias, zocht hij hem te doden, hoewel hij zulks liet uit vrees voor het volk, totdat deze gelegenheid voorkwam, Matth. 14:5. verwijsteksten
 
21 En als er 23een welgelegen dag gekomen was, toen Herodes qop den dag zijner geboorte een maaltijd aanrichtte voor zijn groten en de oversten over duizend en de voornaamsten van Galiléa;
23 Dat is, bekwame tijd; waarop Herodias het erop toelegde om tot haar voornemen te komen.
q Gen. 40:20. Matth. 14:6. verwijsteksten
 
22 En als de dochter van dezelve Heródias 24inkwam en danste, en Herodes en dengenen die medeaanzaten, behaagde, zo zeide de koning tot het dochtertje: Eis van mij wat gij ook wilt, en ik zal het u geven.
24 Namelijk in de zaal waar de maaltijd gehouden werd, want het was bij de ouden niet veel gebruikelijk, dat de vrouwen met de mannen in grote maaltijden aanzaten. Zie Esth. 1:11. verwijsteksten
 
23 rEn hij zwoer haar: Zo wat gij van mij zult eisen, zal ik u geven, ook tot de helft mijns koninkrijks.
r Richt. 11:30. verwijsteksten
 
24 En zij uitgegaan zijnde, zeide tot haar moeder: Wat zal ik eisen? En die zeide: Het hoofd van Johannes den Doper.
25 En zij terstond met haast ingaande tot den koning, heeft het geëist, zeggende: Ik wil dat gij mij nu terstond in een schotel geeft het hoofd van Johannes den Doper.
26 En de koning zeer bedroefd geworden zijnde, nochtans om de eden en degenen die medeaanzaten, wilde hij haar hetzelve niet 25afslaan.
25 Gr. haar niet afzetten; dat is, haar verzoek verwerpen.
 
27 sEn de koning zond terstond een 26scherprechter en gebood zijn hoofd daar te brengen. Deze nu ging heen en onthoofdde hem in de gevangenis,
s Matth. 14:10. verwijsteksten
26 Of: trawant, hellebaardier, lijfwacht.
 
28 En bracht zijn hoofd in een schotel en gaf hetzelve het dochtertje, en het dochtertje gaf hetzelve haar moeder.
29 En als zijn discipelen dit hoorden, gingen zij en namen zijn dood lichaam weg en legden het in een graf.
 
De eerste wonderbare spijziging
30 tEn de apostelen 27kwamen weder tezamen tot Jezus, en boodschapten Hem alles, beide wat zij gedaan hadden en wat zij geleerd hadden.
t Luk. 9:10. verwijsteksten
27 Namelijk wederkomende van hun reis, die zij na de uitzending twee aan twee gedaan hadden door het Joodse land.
 
31 En Hij zeide tot hen: Komt gijlieden in 28een woeste plaats 29hier alleen, en rust een weinig. Want er waren velen die kwamen en die gingen, ven zij hadden zelfs geen gelegen tijd om te eten.
28 Of: eenzame. Deze was bij Bethsaïda, Matth. 14:13. Luk. 9:10. verwijsteksten
29 Of: bezijden.
v Mark. 3:20. verwijsteksten
 
32 xEn zij vertrokken in een schip naar een woeste plaats alleen.
x Matth. 14:13. Luk. 9:10. Joh. 6:1. verwijsteksten
 
33 En de scharen zagen hen heenvaren en velen werden Hem kennende, en liepen gezamenlijk te voet van alle steden derwaarts, en kwamen hen voor, en gingen tezamen tot Hem.
34 30En Jezus uitgaande yzag een grote schare, en werd innerlijk met ontferming bewogen over hen; zwant zij waren als schapen die geen herder hebben; aen Hij begon hun vele dingen te leren.
30 Zie van dit gehele wonder de aantt. op Matth. 14:15, enz. verwijsteksten
y Matth. 9:36; 14:14. verwijsteksten
z Jer. 23:1. Ez. 34:2. verwijsteksten
a Luk. 9:11. verwijsteksten
 
35 bEn 31als het nu laat op den dag geworden was, kwamen Zijn discipelen tot Hem en zeiden: Deze plaats is woest, en het is nu laat op den dag;
b Matth. 14:15. Luk. 9:12. Joh. 6:5. verwijsteksten
31 Gr. als nu het uur veel was geworden. Want de Joden rekenden de uren van den opgang der zon, en eindigden die met den avond, Matth. 20:6. verwijsteksten
 
36 Laat hen van U, opdat zij heengaan in de omliggende 32dorpen en vlekken, en broden voor zichzelven mogen kopen; want zij hebben niet wat zij eten zullen.
32 Gr. velden, dat is, landhuizen, of dorpen.
 
37 Maar Hij antwoordende zeide tot hen: Geeft gij hun te eten. En zij zeiden tot Hem: Zullen wij heengaan en kopen voor tweehonderd 33penningen brood en hun te eten geven?
33 Gr. denarii. Zie de waarde hiervan Matth. 18:28. verwijsteksten
 
38 En Hij zeide tot hen: Hoevele broden hebt gij? Gaat heen en beziet het. cEn toen zij het 34vernomen hadden, zeiden zij: Vijf, en twee vissen.
c Matth. 14:17. Luk. 9:13. Joh. 6:9. verwijsteksten
34 Gr. verstaan hadden, of: wisten.
 
39 En Hij gebood hun dat zij hen allen zouden doen nederzitten 35bij waardschappen op het groene gras.
35 Gr. waardschappen, waardschappen, of: maaltijden, maaltijden, een Hebreeuwse wijze van spreken; dat is, in verscheidene gezelschappen, gelijk in grote maaltijden of bruiloften het volk aan verscheidene tafels placht verdeeld te worden.
 
40 En zij 36zaten neder 37in gedeelten, bij honderd tezamen en bij vijftig tezamen.
36 Gr. vielen.
37 Gr. hofbedden, hofbedden, dat is, onderscheiden gelijk de kruidbedden in de hoven zijn; waaruit lichtelijk het getal kon afgerekend worden.
 
41 En als Hij de vijf broden en twee vissen genomen had, dzag Hij op naar den hemel, 38ezegende en brak de broden, en gaf ze Zijn discipelen, opdat zij ze hun zouden voorleggen; en de twee vissen deelde Hij voor allen.
d Joh. 17:1. verwijsteksten
38 Namelijk met dankzegging. Zie Matth. 14:19. Joh. 6:11. verwijsteksten
e 1 Sam. 9:13. verwijsteksten
 
42 En zij aten allen en zijn verzadigd geworden.
43 En zij namen op twaalf volle korven brokken, en van de vissen.
44 En die daar de broden gegeten hadden, waren omtrent vijfduizend mannen.
 
Jezus wandelt op de zee
45 fEn terstond dwong Hij Zijn discipelen in het schip te gaan en vooruit te varen aan de andere zijde 39tegenover Bethsáïda, terwijl Hij de schare van Zich zou laten.
f Matth. 14:22. Joh. 6:17. verwijsteksten
39 Want Joh. 6:17 staat dat zij naar Kapernaüm voeren, hetwelk tegenover Bethsaïda lag. verwijsteksten
 
46 gEn als Hij denzelven 40hun afscheid gegeven had, ging Hij op den berg om te bidden.
g Matth. 14:23. Luk. 6:12. verwijsteksten
40 Of: van hen Zijn afscheid genomen had, gelijk Hand. 18:21. verwijsteksten
 
47 hEn als het nu avond was geworden, zo was het schip in het midden van de zee, en Hij was alleen op het land.
h Matth. 14:23. Joh. 6:16. verwijsteksten
 
48 En Hij zag 41dat zij zich zeer pijnigden om het schip voort te krijgen (want de wind was hun tegen). En omtrent de 42vierde wake des nachts kwam Hij tot hen, wandelende op de zee, en wilde hun voorbijgaan.
41 Of: dat zij in nood waren in het roeien.
42 Welke was de laatste. Zie Matth. 14:25. verwijsteksten
 
49 En zij, ziende Hem wandelen op de zee, meenden dat het een 43spooksel was, en schreeuwden zeer.
43 Dat is, een geest, verschijnende in lichamelijke gedaante.
 
50 Want zij zagen Hem allen en werden ontroerd; en terstond sprak Hij met hen en zeide tot hen: Zijt welgemoed, Ik ben het, vreest niet.
51 En Hij klom tot hen in het schip, en de wind stilde; en zij ontzetten zich 44bovenmate zeer in zichzelven en waren verwonderd.
44 Gr. zeer overvloediglijk.
 
52 Want zij hadden 45niet gelet op het wonder der broden; want hun hart was 46verhard.
45 Gr. niet verstaan van of door de broden, dat is, zij waren niet verstandiger geworden door hetgeen met de vijf broden geschied was; namelijk om daardoor van Christus’ Goddelijke kracht en zorg voor hen verzekerd te zijn. Zie Mark. 8:17, 20, 21. verwijsteksten
46 Gr. vereelt, of: verweerd; hetwelk niet is te verstaan van zulke hardigheid of verstoktheid des harten gelijk in de hardnekkige Joden tevoren aangewezen en bestraft is, Mark. 3:5, maar van hun onverstand en traagheid om geestelijke dingen wel te begrijpen en te geloven. Zie dergelijke Mark. 8:17; 16:14. Luk. 24:25. verwijsteksten
 
53 iEn als zij overgevaren waren, kwamen zij in het land Gennésaret en havenden aldaar.
i Matth. 14:34. verwijsteksten
 
54 En als zij uit het schip gegaan waren, terstond werden 47zij Hem kennende.
47 Namelijk de lieden van dat land.
 
55 En het gehele omliggende land doorlopende, begonnen zij op beddekens degenen die kwalijk gesteld waren, om te dragen, ter plaatse waar zij hoorden dat Hij was.
56 En zo waar Hij kwam, in vlekken of steden of 48dorpen, daar legden zij de kranken op de markten, en baden Hem dat zij maar den zoom Zijns kleeds 49aanraken mochten; en zovelen als er Hem aanraakten, werden gezond.
48 Gr. velden.
49 Van dit aanraken zie de reden in de aant. op Matth. 14:36. verwijsteksten

Einde Markus 6