Statenvertaling.nl

sample header image

Markus 15 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Markus 15

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

1 Christus wordt van de Joden aan Pilatus overgeleverd, en voor hem beschuldigd; waarvan ondervraagd zijnde, zwijgt stil. 6 Pilatus tracht Hem los te laten, maar op het aandringen des volks laat hij Barabbas los, en geeft Christus over om gekruist te worden. 16 Welken de krijgsknechten bespotten en mishandelen. 21 Simon van Cyrene wordt gedwongen Zijn kruis te dragen. 23 Hem wordt mirrewijn aangeboden. 24 Hij wordt gekruist met twee moordenaars. 29 En van de voorbijgaanden gelasterd. 33 Duisternis komt op de aarde. 34 Christus roept tot Zijn Vader, en wordt daarover bespot. 36 En als Hem edik toegereikt was, geeft Hij Zijn geest. 38 De voorhang des tempels scheurt. 40 Enige vrouwen zien van verre toe. 42 Christus wordt van Jozef van Arimathea begraven.
 
Voor Pilatus
1 EN aterstond des morgens vroeg hielden de overpriesters tezamen raad met de ouderlingen en schriftgeleerden en den gehelen Raad; en Jezus gebonden hebbende, brachten zij Hem heen en 1gaven Hem baan Pilatus over.
a Ps. 2:2. Matth. 27:1. Luk. 22:66; 23:1. Joh. 18:28. verwijsteksten
1 De oorzaak waarom zij Hem aan Pilatus overleverden, zie Matth. 27:2. verwijsteksten
b Hand. 3:13. verwijsteksten
 
2 cEn Pilatus vraagde Hem: Zijt Gij de Koning der Joden? En Hij antwoordende zeide tot hem: 2Gij zegt het.
c Matth. 27:11. Luk. 23:3. Joh. 18:33. verwijsteksten
2 Van deze wijze van spreken zie de aant. Matth. 26:25. verwijsteksten
 
3 En de overpriesters beschuldigden Hem van vele zaken; maar Hij antwoordde niets.
4 dEn Pilatus vraagde Hem wederom, zeggende: Antwoordt Gij niets? Zie hoevele zaken zij tegen U getuigen.
d Matth. 27:13. Joh. 19:10. verwijsteksten
 
5 En Jezus heeft 3niets meer geantwoord, zodat Pilatus zich verwonderde.
3 Gr. niet meer iets. De reden van dit zwijgen zie Matth. 27:14. verwijsteksten
 
6 eEn 4op het feest liet hij hun één gevangene los, wien zij ook begeerden.
e Matth. 27:15. Luk. 23:17. Joh. 18:39. verwijsteksten
4 Of: op elk feest, namelijk van pascha. Zie Joh. 18:39. verwijsteksten
 
7 fEn er was een, genaamd Barábbas, gevangen met andere medeoproermakers, die in het oproer een doodslag gedaan had.
f Matth. 27:16. Luk. 23:19. Joh. 18:40. verwijsteksten
 
8 En de schare riep uit en begon te begeren dat hij deed 5gelijk hij hun altijd gedaan had.
5 Namelijk dat hij hun een gevangene losliet.
 
9 En Pilatus antwoordde hun, zeggende: Wilt gij dat ik u den Koning der Joden loslaat?
10 (Want hij wist dat Hem de overpriesters door nijd overgeleverd hadden.)
11 gMaar de overpriesters bewogen de schare, dat hij hun liever Barábbas zou loslaten.
g Matth. 27:20. Luk. 23:18. Joh. 18:40. Hand. 3:14. verwijsteksten
 
12 En Pilatus antwoordende zeide wederom tot hen: Wat wilt gij dan dat ik met Hem doen zal, Dien gij een Koning der Joden noemt?
13 En zij riepen wederom: Kruis Hem.
14 Doch Pilatus zeide tot hen: Wat heeft Hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te meer: Kruis Hem.
15 hPilatus nu, willende de schare genoegdoen, heeft hun Barábbas losgelaten, en 6gaf Jezus over, als hij Hem gegeseld had, om gekruist te worden.
h Matth. 27:26. Joh. 19:1. verwijsteksten
6 Namelijk aan den hoofdman en de krijgsknechten.
 
Jezus bespot en weggeleid
16 iEn de krijgsknechten leidden Hem binnen in de zaal, welke is 7het rechthuis, en riepen de ganse bende tezamen;
i Matth. 27:27. Joh. 19:2. verwijsteksten
7 Gr. praitorion, waarmede uitgedrukt wordt het Latijnse woord praetorium; hetwelk betekent de plaats waar de Romeinse stadhouders woonden en hun vierschaar hielden.
 
17 En 8deden Hem een purperen mantel aan, en een doornenkroon gevlochten hebbende, zetten Hem die op;
8 Gr. bekleedden Hem met purper, dat is, met een purperen mantel. Zie hiervan breder de aant. op Matth. 27:28. verwijsteksten
 
18 En begonnen Hem te groeten, zeggende: Wees gegroet, Gij Koning der Joden.
19 En sloegen Zijn hoofd met een rietstok, en bespogen Hem, en vallende op de knieën 9aanbaden Hem.
9 Spotswijze Hem erende, gelijk de heidenen met ernst plachten hun koningen te eren.
 
20 En als zij Hem bespot hadden, deden zij Hem den purperen mantel af en deden Hem Zijn eigen klederen aan en leidden Hem uit om Hem te kruisigen.
21 kEn zij dwongen enen Simon van Cyréne, die daar voorbijging, komende van den akker, den vader van 10Alexander en Rufus, dat hij 11Zijn kruis droeg.
k Matth. 27:32. Luk. 23:26. verwijsteksten
10 De namen van dezen worden hier uitgedrukt omdat zij daarna in de kerke Gods vermaarde lieden zijn geweest, van welke schijnt ook gewag gemaakt te worden Rom. 16:13. verwijsteksten
11 Namelijk van Christus. De oorzaak zie de aant. op Matth. 27:32. verwijsteksten
 
Golgotha
22 lEn zij brachten Hem tot de plaats Golgotha, hetwelk is, overgezet zijnde, 12Hoofdschedelplaats.
l Matth. 27:33. Luk. 23:33. Joh. 19:17. verwijsteksten
12 Zie Matth. 27:33. verwijsteksten
 
23 En zij gaven Hem 13gemirreden wijn te drinken; maar Hij nam dien niet.
13 Hiervan zie Matth. 27:34. verwijsteksten
 
24 mEn als zij Hem gekruisigd hadden, nverdeelden zij Zijn klederen, werpende het lot over dezelve, wat een iegelijk wegnemen zou.
m Matth. 27:35. Luk. 23:34. Joh. 19:23. verwijsteksten
n Ps. 22:19. verwijsteksten
 
25 En het was 14de derde ure, en zij kruisigden Hem.
14 Deze uren moeten naar der Joden wijze gerekend worden, van den opgang der zon tot den nedergang. Zie Matth. 20:3. Joh. 11:9. En alzo pascha toen kwam omtrent den tijd dat de dagen en nachten even lang zijn, zo komt de derde ure overeen met onze negende, de zesde met onze twaalfde, en de negende met onze derde na den middag. Johannes zegt, Joh. 19:14, dat het was omtrent de zesde ure als hij Hem voorbracht. Hoe dit overeenkomt zie de aant. aldaar. verwijsteksten
 
26 oEn het opschrift Zijner beschuldiging was boven Hem geschreven: DE KONING DER JODEN.
o Matth. 27:37. Luk. 23:38. Joh. 19:19. verwijsteksten
 
27 En zij kruisigden met Hem twee 15moordenaars, een aan Zijn rechter- en een aan Zijn linkerzijde.
15 Of: straatschenders.
 
28 pEn de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Hij is met de misdadigen gerekend.
p Jes. 53:12. Luk. 22:37. verwijsteksten
 
29 qEn die voorbijgingen lasterden Hem, schuddende hun hoofden, en zeggende: Ha, rGij Die den tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt,
q Ps. 22:8; 69:21; 109:25. Matth. 27:39. Luk. 23:35. verwijsteksten
r Joh. 2:19. verwijsteksten
 
30 Behoud Uzelven en kom af van het kruis.
31 En insgelijks ook de overpriesters met de schriftgeleerden zeiden tot elkander, al spottende: Hij heeft anderen verlost; 16Zichzelven kan Hij niet verlossen.
16 Anders: kan Hij Zichzelven niet behouden?
 
32 De Christus, de Koning Israëls, kome nu af van het kruis, opdat wij het zien en geloven mogen. Ook 17die met Hem gekruist waren, smaadden Hem.
17 Namelijk een van dezelve. Zie Matth. 27:44. Luk. 23:39. verwijsteksten
 
33 sEn als de zesde ure gekomen was, werd er 18duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe.
s Matth. 27:45. Luk. 23:44. verwijsteksten
18 Van deze duisternis zie Matth. 27:45, gelijk ook van al het volgende. verwijsteksten
 
34 En te negender ure riep Jezus met grote stem, zeggende: tELOÏ, ELOÏ, LAMMA SABACHTHANI? Hetwelk is, overgezet zijnde: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?
t Ps. 22:2. Matth. 27:46. verwijsteksten
 
35 En sommigen van die daarbij stonden, dit horende, zeiden: Zie, Hij roept Elía.
36 vEn er liep een en vulde een spons met edik, en 19stak ze op een rietstok, en gaf Hem te drinken, zeggende: Houdt stil; laat ons zien of Elía komt om Hem af te nemen.
v Ps. 69:22. Joh. 19:29. verwijsteksten
19 Of: legde ze om.
 
37 En Jezus een grote stem van Zich gegeven hebbende, gaf den geest.
38 xEn 20het voorhangsel des tempels scheurde in tweeën, van boven tot beneden.
x 2 Kron. 3:14. Matth. 27:51. Luk. 23:45. verwijsteksten
20 Zie hiervan Matth. 27:51. verwijsteksten
 
39 yEn de hoofdman over honderd, die daarbij tegenover Hem stond, ziende dat Hij 21alzo roepende den geest gegeven had, zeide: Waarlijk, deze Mens was Gods Zoon.
y Matth. 27:54. Luk. 23:47. verwijsteksten
21 Namelijk met zulke sterke stem, Hebr. 5:7, en dat Hij daarop zo terstond gestorven was. En daarbij ziende de wonderen die daarop geschiedden, gelijk verhaald wordt Matth. 27:54. verwijsteksten
 
40 zEn er waren ook vrouwen avan verre dit aanschouwende, onder welke ook was Maria Magdaléna, en 22Maria, de moeder van Jakobus 23den kleine en van Joses, en 24Salome;
z Matth. 27:55. Luk. 23:49. verwijsteksten
a Ps. 38:12. verwijsteksten
22 De huisvrouw van Alfeüs. Zie Matth. 10:3; 27:56. verwijsteksten
23 Dat is, den jongere, die alzo toegenaamd werd tot onderscheid van een anderen Jakobus, die Zebedeüs’ zoon was; of van zijn oom, den broeder van Alfeüs, gelijk sommigen menen.
24 Deze is geweest de huisvrouw van Zebedeüs, gelijk blijkt uit deze plaats, vergeleken met Matth. 27:56. verwijsteksten
 
41 Welke ook, toen Hij in Galiléa was, Hem waren gevolgd en bHem gediend hadden; en vele andere vrouwen, die met Hem naar Jeruzalem opgekomen waren.
b Luk. 8:2, 3. verwijsteksten
 
De begrafenis
42 cEn als het nu 25avond was geworden, dewijl het 26de voorbereiding was, welke is de voorsabbat,
c Matth. 27:57. Luk. 23:50. Joh. 19:38. verwijsteksten
25 Namelijk op den dag voor den sabbat.
26 Namelijk van het pascha, hetwelk de Joden voor die keer hadden uitgesteld tot op den sabbat. De redenen hiervan worden verhaald in de aant. op Matth. 26:20. verwijsteksten
 
43 Kwam Jozef, die van Arimathéa was, een eerlijk raadsheer, die ook zelf 27het Koninkrijk Gods was verwachtende, en zich verstoutende, ging hij in tot Pilatus en begeerde het lichaam van Jezus.
27 Namelijk dat door den Messias zou opgericht worden, Luk. 2:25, 38. verwijsteksten
 
44 En Pilatus verwonderde zich 28dat Hij alrede gestorven was; en den hoofdman over honderd tot zich geroepen hebbende, vraagde hem of Hij lang gestorven was.
28 Gr. of, of: indien.
 
45 En als hij het van den hoofdman over honderd verstaan had, schonk hij Jozef het lichaam.
46 En hij kocht fijn lijnwaad, en Hem afgenomen hebbende, wond Hem in dat fijne lijnwaad, en dlegde Hem in een graf, hetwelk 29uit een steenrots gehouwen was; en hij wentelde een steen tegen de deur des grafs.
d Matth. 12:40; 26:12; 27:60. Luk. 23:53. verwijsteksten
29 Dat is, uitgehouwen in een steenrots, gelijk staat Matth. 27:60. verwijsteksten
 
47 En 30Maria Magdaléna en Maria, de moeder van Joses, aanschouwden waar Hij gelegd werd.
30 Zie het voorgaande 40ste vers.

Einde Markus 15