Statenvertaling.nl

sample header image

Markus 14 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Markus 14

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

1 De overpriesters en schriftgeleerden zoeken gelegenheid om Christus te doden. 3 Een vrouw zalft Hem te Bethanië, welke daad Christus verantwoordt. 10 Hij wordt van Judas om geld verkocht aan de overpriesters. 12 Doet het pascha bereiden, en eet het met Zijn discipelen. 18 En openbaart de verraderij van Judas. 22 Stelt Zijn Avondmaal in. 27 Voorzegt Zijn discipelen hun verstrooiing, en Petrus zijn val. 32 Begint in het hofken Zijn lijden met groten angst, en bidt den Vader. 37 Vermanende Zijn discipelen tot waken. 43 Wordt van Judas verraden met een kus. 46 Van de Joden gevangen. 47 Waarover Petrus een van dezelve het oor afhouwt. 50 Wordt van de Zijnen verlaten. 53 Voor den Joodsen Raad gebracht. 56 Van valse getuigen beschuldigd. 60 Van den hogepriester ondervraagd. 63 Als een godslasteraar des doods schuldig verklaard, en smadelijk mishandeld. 66 Petrus verzaakt Hem driemaal. 72 En beweent zijn val.
 
Het besluit om Jezus te doden
1 ENa het 1pascha en het feest 2der ongehevelde broden was na twee dagen; en de overpriesters en de schriftgeleerden zochten hoe zij Hem met listigheid vangen en doden zouden.
a Matth. 26:2. Luk. 22:1. Joh. 11:55; 13:1. verwijsteksten
1 Zie hiervan Matth. 26:2. verwijsteksten
2 Zo wordt het feest van pascha genaamd, omdat men op dat feest zeven dagen lang geen geheveld brood mocht eten. Zie Ex. 12:15. Lev. 23:6. verwijsteksten
 
2 Maar zij zeiden: Niet in het feest, opdat niet misschien oproer 3onder het volk worde.
3 Gr. des volks.
 
De zalving in Bethanië
3 bEn als Hij te Bethanië was in het huis van Simon den melaatse, daar Hij aan tafel zat, kwam 4een vrouw, hebbende een albasten fles met zalf van 5onvervalsten nardus, van groten prijs; en de albasten fles gebroken hebbende, goot die op Zijn hoofd.
b Matth. 26:6. Luk. 7:37. Joh. 11:2; 12:3. verwijsteksten
4 Namelijk Maria, de zuster van Lazarus. Zie Joh. 12:3. verwijsteksten
5 Gr. pistike, dat is, trouwe, of oprechte. Doch sommigen zetten het over vloeiende, of drinkbare, omdat het met den drank ook placht gemengd te worden. Anders: balsem van spijknardus. Zie Joh. 12:3. verwijsteksten
 
4 En er waren 6sommigen die dat zeer kwalijk namen bij zichzelven en zeiden: Waartoe is dit verlies der zalf geschied?
6 Van dewelke de voornaamste was Judas de verrader. Zie Joh. 12:4. verwijsteksten
 
5 Want dezelve had kunnen boven de driehonderd 7penningen verkocht en die den armen gegeven worden. En zij 8vergrimden tegen haar.
7 Gr. denarii. Waarvan de waarde verklaard wordt Matth. 18:28, zodat deze som zou bedragen omtrent negentig gulden. verwijsteksten
8 Of: morden met verstoordheid.
 
6 Maar Jezus zeide: Laat af van haar; wat doet gij haar moeite aan? Zij heeft een goed werk aan Mij gewrocht.
7 cWant de armen hebt gij altijd met u, en wanneer gij wilt, kunt gij hun weldoen; maar Mij hebt gij niet altijd.
c Deut. 15:11. verwijsteksten
 
8 Zij heeft gedaan 9hetgeen zij kon; zij is voorgekomen om Mijn lichaam te 10zalven, tot een voorbereiding ter begrafenis.
9 Gr. hetgeen zij had.
10 Of: balsemen, gelijk men gewoon was de lichamen van treffelijke lieden, met kostelijke zalf van specerijen gemaakt, te balsemen, eer zij begraven werden, om die te bewaren voor verrotting. Zie Gen. 50:26. verwijsteksten
 
9 Voorwaar zeg Ik u: Alwaar 11dit Evangelie gepredikt zal worden in de gehele wereld, daar zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van hetgeen zij gedaan heeft.
11 Namelijk dat Ik tot nog toe geleerd en verkondigd heb.
 
Het verraad van Judas
10 dEn Judas Iskáriot, een van de twaalve, ging heen tot de overpriesters, opdat hij Hem hun zou overleveren.
d Matth. 26:14. Luk. 22:4. verwijsteksten
 
11 En zij dat horende, waren verblijd en beloofden hem 12geld te geven; en hij zocht hoe hij Hem 13bekwamelijk overleveren zou.
12 Gr. zilver, namelijk dertig zilveren penningen, gelijk Matth. 26:15. verwijsteksten
13 Gr. te bekwamer tijd, of: met goede gelegenheid.
 
De paasmaaltijd
12 eEn op den eersten dag fder ongehevelde broden, 14wanneer zij het pascha slachtten, zeiden Zijn discipelen tot Hem: Waar wilt Gij dat wij heen gaan en bereiden dat Gij 15het pascha eet?
e Matth. 26:17. Luk. 22:7. verwijsteksten
f Ex. 12:17. verwijsteksten
14 Dat is, naar Gods wet moesten slachten, gelijk Luk. 22:7 spreekt. Anderszins hebben de Joden hetzelve voor deze keer daags daaraan geslacht, waarvan de reden verklaard staat in de aant. op Matth. 26:20. verwijsteksten
15 Dat is, het paaslam. Een sacramentele wijze van spreken.
 
13 En Hij zond twee van Zijn discipelen uit en zeide tot hen: Gaat heen in de 16stad, en u zal een mens ontmoeten, dragende 17een kruik water; volgt dien.
16 Namelijk Jeruzalem, waar het pascha geslacht en gegeten moest worden. Zie Deut. 16:5. verwijsteksten
17 Of: een aarden vat.
 
14 En zo waar hij ingaat, zegt tot den 18heer des huizes: De Meester zegt: Waar is de 19eetzaal, waar Ik het pascha met Mijn discipelen eten zal?
18 Dat is, den huisvader.
19 Gr. uitspanning, dat is, de kamer waar men de gasten ontvangt.
 
15 En hij zal u wijzen een grote opperzaal, 20toegerust en gereed; bereidt het ons aldaar.
20 Gr. gespreid, gevloerd, bestrooid.
 
16 En Zijn discipelen gingen uit en kwamen in de stad en vonden het gelijk Hij hun gezegd had, en bereidden het pascha.
17 gEn als het avond geworden was, kwam Hij met de twaalve.
g Matth. 26:20. Luk. 22:14. verwijsteksten
 
18 En als zij aanzaten en aten, zeide Jezus: Voorwaar Ik zeg u, hdat een van u, die met Mij eet, Mij zal verraden.
h Ps. 41:10. Hand. 1:17. verwijsteksten
 
19 En zij begonnen bedroefd te worden en 21de een na den ander tot Hem te zeggen: Ben ik het? En een ander: Ben ik het?
21 Gr. een na een.
 
20 Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: 22Het is een uit de twaalve, die met Mij in den schotel indoopt.
22 Zie Matth. 26:23. verwijsteksten
 
21 De Zoon des mensen gaat wel heen, gelijk van Hem geschreven is; maar wee dien mens door welken de Zoon des mensen verraden wordt; het ware hem goed, zo die mens niet geboren ware geweest.
22 iEn als zij aten, nam Jezus brood, en als Hij gezegend had, brak Hij het en gaf het hun en zeide: Neemt, eet, 23dat is Mijn lichaam;
i Matth. 26:26. Luk. 22:19. 1 Kor. 11:23. verwijsteksten
23 Van deze woorden der instelling van het Avondmaal zie de aantt. op Matth. 26:26, en volgende. verwijsteksten
 
23 En nam den drinkbeker en gedankt hebbende, gaf hun dien; en 24zij dronken allen uit denzelven.
24 Namelijk gelijk Christus hun bevolen had, Matth. 26:27. verwijsteksten
 
24 En Hij zeide tot hen: Dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt.
25 Voorwaar Ik zeg u, dat Ik niet meer zal drinken van de vrucht des wijnstoks, tot op dien dag, wanneer Ik dezelve nieuw zal drinken in het Koninkrijk Gods.
26 En als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg.
 
Petrus’ verloochening voorzegd
27 kEn Jezus zeide tot hen: Gij zult in dezen nacht allen 25aan Mij geërgerd worden; want er is geschreven: lIk zal den Herder slaan, en de schapen zullen verstrooid worden.
k Matth. 26:31. Joh. 16:32. verwijsteksten
25 Dat is, gij zult aanstoot lijden in uw geloof door hetgeen Mij zal overkomen.
l Zach. 13:7. verwijsteksten
 
28 mMaar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galiléa.
m Matth. 26:32; 28:10. Mark. 16:7. verwijsteksten
 
29 En Petrus zeide tot Hem: Of zij ook allen geërgerd werden, zo zal ik toch 26niet geërgerd worden.
26 Namelijk aan U, gelijk uitgedrukt wordt Matth. 26:33. verwijsteksten
 
30 nEn Jezus zeide tot hem: Voorwaar Ik zeg u, dat heden in dezen nacht, eer de haan 27tweemaal gekraaid zal hebben, gij Mij driemaal zult verloochenen.
n Matth. 26:34. Luk. 22:34. Joh. 13:38. verwijsteksten
27 Andere evangelisten zeggen eenvoudig: eer de haan kraaien zal, of: zal gekraaid hebben; doch Markus zegt: tweemaal, omdat zij gemeenlijk op twee stonden plegen te kraaien, eens na den middernacht en eens tegen den dag, welke beide stonden hier worden verstaan.
 
31 oMaar hij zeide nog des te meer: Al moest ik met U sterven, zo zal ik U geenszins verloochenen. En insgelijks zeiden zij ook allen.
o Joh. 13:37. verwijsteksten
 
Gethsémané
32 pEn zij kwamen in een 28plaats welker naam was Gethsémané; en Hij zeide tot Zijn discipelen: Zit hier neder, totdat Ik gebeden zal hebben.
p Matth. 26:36. Luk. 22:39. Joh. 18:1. verwijsteksten
28 Of: gehucht van huizen of hofsteden. Zie Matth. 26:36. verwijsteksten
 
33 En Hij nam met Zich Petrus en Jakobus en Johannes, en begon verbaasd en zeer beangst te worden;
34 En zeide tot hen: qMijn ziel is 29geheel bedroefd tot den dood toe; blijft hier en waakt.
q Joh. 12:27. verwijsteksten
29 Of: aan alle zijden.
 
35 rEn een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op de aarde, en bad, zo het mogelijk ware, dat 30die ure van Hem voorbijging.
r Luk. 22:41. verwijsteksten
30 Namelijk van dit zware aanstaande lijden. Van dit gehele gebed zie de aantt. Matth. 26:39. verwijsteksten
 
36 En Hij zeide: 31Abba, Vader, alle dingen zijn U mogelijk; neem dezen drinkbeker van Mij weg; sdoch niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt.
31 Dit is een Syrisch woord en betekent Vader; welk woord Vader de evangelist ook daarbij voegt, niet alleen tot verklaring, maar om door deze dubbele vermelding uit te drukken de overgrote beweging van Christus in dit gebed. Zie hiervan Rom. 8:15. Gal. 4:6. verwijsteksten
s Joh. 6:38. verwijsteksten
 
37 tEn Hij kwam en vond hen slapende, en zeide tot Petrus: Simon, slaapt gij? Kunt gij niet één uur waken?
t Matth. 26:40. Luk. 22:45. verwijsteksten
 
38 Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt; vde geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.
v Gal. 5:17. verwijsteksten
 
39 En wederom heengegaan zijnde, bad Hij, sprekende dezelfde 32woorden.
32 Gr. woord, of rede.
 
40 En wedergekeerd zijnde, vond Hij hen wederom slapende, want hun ogen waren bezwaard; en zij wisten niet wat zij Hem antwoorden zouden.
41 En Hij kwam ten derden male en zeide tot hen: 33Slaapt nu voort en rust. Het is genoeg; de ure is gekomen; zie, de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen 34der zondaren.
33 Zie Matth. 26:45. verwijsteksten
34 Dat is, der heidenen; gelijk Matth. 20:19. verwijsteksten
 
42 Staat op, laat ons gaan; zie, die Mij verraadt is nabij.
 
Jezus geeft Zich gevangen
43 xEn terstond, als Hij nog sprak, kwam Judas aan, die een was van de twaalve, en met hem een grote schare met zwaarden en 35stokken, gezonden van de overpriesters en de schriftgeleerden en de ouderlingen.
x Matth. 26:47. Luk. 22:47. Joh. 18:3. verwijsteksten
35 Gr. houten, dat is, spiesen of lansen.
 
44 En die Hem verried, had hun 36een gemeen teken gegeven, zeggende: Dien ik kussen zal, Die is het; grijpt Hem en leidt Hem zekerlijk heen.
36 Dat is, een teken dat zij onder elkander zouden verstaan.
 
45 En als hij gekomen was, ging hij terstond tot Hem en zeide: Rabbi, Rabbi; en ykuste Hem.
y 2 Sam. 20:9. verwijsteksten
 
46 En zij sloegen hun handen aan Hem en grepen Hem.
47 En 37een dergenen die daarbij stonden, het zwaard trekkende, sloeg den dienstknecht des hogepriesters en hieuw hem zijn oor af.
37 Namelijk Simon Petrus, gelijk blijkt uit Joh. 18:10. verwijsteksten
 
48 En Jezus antwoordende zeide tot hen: 38Zijt gij uitgegaan met zwaarden en stokken als tegen 39een moordenaar, om Mij te vangen?
38 Deze woorden spreekt Hij eigenlijk tot enige overpriesters en hoofdmannen des tempels, die deze krijgslieden medegebracht hadden, Luk. 22:52. verwijsteksten
39 Of: een straatschender.
 
49 Dagelijks was Ik bij ulieden in den tempel lerende, en gij hebt Mij niet gegrepen; maar 40dit geschiedt zopdat de Schriften vervuld zouden worden.
40 Alzo verhaalt dit Matth. 26:56. verwijsteksten
z Ps. 22:7; 69:10. Luk. 24:25. verwijsteksten
 
50 aEn 41zij Hem verlatende, zijn allen gevloden.
a Job 19:13. Ps. 88:9. verwijsteksten
41 Namelijk Zijn discipelen.
 
51 En een zeker jongeling volgde Hem, hebbende een lijnwaad 42omgedaan over het naakte lijf, en 43de jongelingen grepen hem.
42 Gr. omgeworpen.
43 Dit schijnen geweest te zijn enige jonge soldaten. Deze historie wordt verhaald om aan te wijzen de wreedheid dergenen die Christus vingen.
 
52 En hij het lijnwaad verlatende, is naakt van hen gevloden.
 
Voor den Groten Raad
53 bEn zij leidden Jezus heen tot 44den hogepriester; en bij hem vergaderden al de overpriesters en de ouderlingen en de schriftgeleerden.
b Matth. 26:57. Luk. 22:54. Joh. 18:13, 24. verwijsteksten
44 Namelijk Kajafas. Zie Matth. 26:57. Joh. 18:13. verwijsteksten
 
54 En Petrus volgde Hem van verre, tot binnen in de zaal des hogepriesters, en hij was medezittende met de dienaren en zich warmende 45bij het vuur.
45 Gr. bij het licht.
 
55 cEn de overpriesters en de gehele 46Raad zochten getuigenis tegen Jezus om Hem te doden, en vonden niet.
c Matth. 26:59. Hand. 6:13. verwijsteksten
46 Gr. synedrion. Zie daarvan Matth. 5:22. verwijsteksten
 
56 Want velen getuigden valselijk tegen Hem en de getuigenissen 47waren niet eenparig.
47 Dat is, kwamen niet overeen.
 
57 En 48enigen opstaande, getuigden valselijk tegen Hem, zeggende:
48 Matth. 26:61 zegt van twee, waarvan de een anders sprak dan de ander, gelijk ook de evangelisten derzelver getuigenissen verscheidenlijk verhalen. verwijsteksten
 
58 Wij hebben Hem horen zeggen: dIk zal dezen tempel, die met handen gemaakt is, afbreken, en in drie dagen een anderen, zonder handen gemaakt, bouwen.
d Mark. 15:29. Joh. 2:19. verwijsteksten
 
59 En ook alzo was hun getuigenis niet eenparig.
60 eEn de hogepriester in het midden opstaande, vraagde Jezus, zeggende: Antwoordt Gij niets? Wat getuigen dezen tegen U?
e Matth. 26:62. verwijsteksten
 
61 fMaar Hij zweeg stil en antwoordde niets. Wederom vraagde Hem de hogepriester en zeide tot Hem: Zijt Gij de Christus, de Zoon des gezegenden Gods?
f Jes. 53:7. Hand. 8:32. verwijsteksten
 
62 En Jezus zeide: Ik ben het; gen gijlieden zult den Zoon des mensen zien zitten 49ter rechterhand der kracht Gods en komen 50met de wolken des hemels.
g Dan. 7:13. Matth. 16:27; 24:30; 25:31. Luk. 21:27. Hand. 1:11. 1 Thess. 4:16. 2 Thess. 1:10. Openb. 1:7. verwijsteksten
49 Dat is, aan de krachtige rechterhand Gods.
50 Dat is, op de wolken, Matth. 26:64. Of: in de wolken, gelijk Mark. 13:26. verwijsteksten
 
63 En de hogepriester verscheurende zijn 51klederen, zeide: Wat hebben wij nog getuigen van node?
51 Gr. rokken.
 
64 Gij hebt de godslastering gehoord: wat dunkt ulieden? En zij allen veroordeelden Hem des doods schuldig te zijn.
65 En sommigen begonnen Hem te bespuwen, en Zijn aangezicht te bedekken, en hmet vuisten te slaan, en tot Hem te zeggen: Profeteer. En de dienaars 52gaven Hem kinnebakslagen.
h Job 16:10. Jes. 50:6. Joh. 19:3. verwijsteksten
52 Of: sloegen Hem met stokken of garden.
 
Jezus door Petrus verloochend
66 iEn als Petrus beneden in de zaal was, kwam een van de dienstmaagden des hogepriesters;
i Matth. 26:58, 69. Luk. 22:55. Joh. 18:16, 17. verwijsteksten
 
67 En ziende Petrus zich warmende, zag zij hem aan en zeide: Ook gij waart 53met Jezus den Nazaréner.
53 Namelijk als een van Zijn discipelen.
 
68 Maar hij heeft het geloochend, zeggende: Ik ken Hem niet, en ik weet niet wat gij zegt. En hij ging buiten in de 54voorzaal, en de haan 55kraaide.
54 Of: portaal.
55 Namelijk voor de eerste maal, gelijk blijkt vers 72. verwijsteksten
 
69 kEn de dienstmaagd hem 56wederom ziende, begon te zeggen tot degenen die daarbij stonden: Deze is een van die.
k Matth. 26:71. Luk. 22:58. Joh. 18:25. verwijsteksten
56 Namelijk omtrent een uur daarna. Zie Luk. 22:59. verwijsteksten
 
70 Maar hij loochende het wederom. En een weinig daarna, 57die daarbij stonden, zeiden wederom tot Petrus: Waarlijk, gij zijt een van die; want gij zijt ook een Galileeër en uw spraak 58gelijkt.
57 Namelijk een dienaar des hogepriesters, die maagschap was van dengene dien Petrus het oor afgehouwen had. Zie Joh. 18:26. verwijsteksten
58 Dat is, komt met hun spraak overeen.
 
71 En hij begon zichzelven te vervloeken en te zweren: Ik ken dezen Mens niet, Dien gij zegt.
72 En de haan kraaide de tweede maal; en Petrus werd indachtig het woord hetwelk Jezus tot hem gezegd had: lEer de haan tweemaal gekraaid zal hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen. En hij 59zich vandaar makende, weende.
l Matth. 26:34, 75. Luk. 22:61. Joh. 13:38; 18:27. verwijsteksten
59 Gr. werpende, namelijk zichzelven in of door of onder, namelijk het volk. Of: aanvangende, uitbarstende, namelijk tot schreien.

Einde Markus 14