Statenvertaling.nl

sample header image

Mattheüs 27 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28
Inleiding Bijbelboek
Inleiding Nieuwe Testament
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Mattheüs 27

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Het einde van Judas
1 ALSa het nu morgenstond geworden was, hebben al de overpriesters en de ouderlingen des volks tezamen raad genomen tegen Jezus, dat zij Hem doden zouden. a Ps. 2:2. Mark. 15:1. Luk. 22:66; 23:2. Joh. 18:28. verwijsteksten
2 En Hem gebonden hebbende, leidden zij Hem weg en gaven Hem over aan bPontius Pilatus, den stadhouder. b Hand. 3:13. verwijsteksten
3 Toen heeft Judas, die Hem verraden had, ziende dat Hij veroordeeld was, berouw gehad, en heeft de dertig zilveren penningen den overpriesters en den ouderlingen wedergebracht,
4 Zeggende: Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed. Maar zij zeiden: Wat gaat ons dat aan? Gij moogt toezien.
5 En als hij de zilveren penningen in den tempel geworpen had, vertrok hij, en cheengaande verworgde zichzelven. c 2 Sam. 17:23. Hand. 1:18. verwijsteksten
6 En de overpriesters, de zilveren penningen nemende, zeiden: Het is niet geoorloofd dezelve in de offerkist te leggen, dewijl het een prijs des bloeds is.
7 En tezamen raad genomen hebbende, kochten zij daarmede den dakker des pottenbakkers, tot een begrafenis voor de vreemdelingen. d Hand. 1:19. verwijsteksten
8 Daarom is die akker genaamd de akker des bloeds, tot op den huidigen dag.
9 Toen is vervuld geworden hetgeen gesproken is edoor den profeet Jeremía, zeggende: En zij hebben de dertig zilveren penningen genomen, de waarde des Gewaardeerden van de kinderen Israëls, Denwelken zij gewaardeerd hebben; e Zach. 11:12. verwijsteksten
10 En hebben dezelve gegeven voor den akker des pottenbakkers, volgens hetgeen mij de Heere bevolen heeft.
 
Voor Pilatus
11 fEn Jezus stond voor den stadhouder; en de stadhouder vraagde Hem, zeggende: Zijt Gij de Koning der Joden? En Jezus zeide hem: Gij zegt het. f Mark. 15:2. Luk. 23:3. Joh. 18:33. verwijsteksten
12 En als Hij van de overpriesters en de ouderlingen beschuldigd werd, antwoordde Hij niets.
13 gToen zeide Pilatus tot Hem: Hoort Gij niet hoevele zaken zij tegen U getuigen? g Matth. 26:62. verwijsteksten
14 hMaar Hij antwoordde hem niet op een enig woord, alzo dat de stadhouder zich zeer verwonderde. h Jes. 53:7. Hand. 8:32. verwijsteksten
15 iEn op het feest was de stadhouder gewoon het volk een gevangene los te laten, welken zij wilden. i Mark. 15:6. Luk. 23:17. Joh. 18:39. verwijsteksten
16 kEn zij hadden toen een welbekenden gevangene, genaamd Barábbas. k Mark. 15:7. Luk. 23:19. Joh. 18:40. verwijsteksten
17 Als zij dan vergaderd waren, zeide Pilatus tot hen: Welken wilt gij dat ik u zal loslaten, Barábbas, of Jezus, Die genaamd wordt Christus?
18 Want hij wist dat zij Hem door nijdigheid overgeleverd hadden.
19 En als hij op den rechterstoel zat, zo heeft zijn huisvrouw tot hem gezonden, zeggende: Heb toch niet te doen met dien Rechtvaardige; want ik heb heden veel geleden in den droom om Zijnentwil.
20 lMaar de overpriesters en de ouderlingen hebben den scharen aangeraden dat zij zouden Barábbas begeren en Jezus doden. l Mark. 15:11. Luk. 23:18. Joh. 18:40. Hand. 3:14. verwijsteksten
21 En de stadhouder antwoordende zeide tot hen: Welken van deze twee wilt gij dat ik u zal loslaten? En zij zeiden: Barábbas.
22 Pilatus zeide tot hen: Wat zal ik dan doen met Jezus, Die genaamd wordt Christus? Zij zeiden allen tot hem: Laat Hem gekruisigd worden.
23 Doch de stadhouder zeide: Wat heeft Hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te meer, zeggende: Laat Hem gekruisigd worden.
24 Als nu Pilatus zag dat hij niet vorderde, maar veelmeer dat er oproer werd, nam hij water en wies de handen voor de schare, zeggende: Ik ben onschuldig van het bloed dezes Rechtvaardigen; gijlieden moogt toezien.
25 En al het volk antwoordende zeide: mZijn bloed kome over ons en over onze kinderen. m Hand. 5:28. verwijsteksten
26 Toen liet hij hun Barábbas los, maar Jezus gegeseld hebbende, gaf hij Hem over om gekruisigd te worden.
 
Jezus bespot en weggeleid
27 nToen namen de krijgsknechten des stadhouders Jezus met zich in het rechthuis en vergaderden over Hem de ganse bende. n Mark. 15:16. Joh. 19:2. verwijsteksten
28 En als zij Hem ontkleed hadden, deden zij Hem een purperen mantel om;
29 En een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op Zijn hoofd, en een rietstok in Zijn rechterhand; en vallende op hun knieën voor Hem, bespotten zij Hem, zeggende: Wees gegroet, Gij Koning der Joden.
30 En op Hem gespogen hebbende, namen zij den rietstok en sloegen op Zijn hoofd.
31 En toen zij Hem bespot hadden, deden zij Hem den mantel af en deden Hem Zijn klederen aan en leidden Hem heen om te kruisigen.
32 oEn uitgaande, vonden zij een man van Cyréne, met name Simon; dezen dwongen zij dat hij Zijn kruis droeg. o Mark. 15:21. Luk. 23:26. verwijsteksten
 
Golgotha
33 pEn gekomen zijnde tot de plaats genaamd Golgotha, welke is gezegd Hoofdschedelplaats, p Ps. 69:22. Mark. 15:22. Luk. 23:33. Joh. 19:17. verwijsteksten
34 Gaven zij Hem te drinken edik met gal gemengd; en als Hij dien gesmaakt had, wilde Hij niet drinken.
35 qToen zij nu Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn klederen, het lot werpende; opdat vervuld zou worden hetgeen gezegd is door den profeet: rZij hebben Mijn klederen onder zich verdeeld, en hebben het lot over Mijn kleding geworpen. q Mark. 15:24. Joh. 19:23. r Ps. 22:19. verwijsteksten
36 En zij nederzittende, bewaarden Hem aldaar.
37 sEn zij stelden boven Zijn hoofd Zijn beschuldiging geschreven: DEZE IS JEZUS, DE KONING DER JODEN. s Mark. 15:26. Luk. 23:38. Joh. 19:19. verwijsteksten
38 tToen werden met Hem twee moordenaars gekruisigd, een ter rechter- en een ter linkerzijde. t Jes. 53:12. verwijsteksten
39 vEn die voorbijgingen lasterden Hem, schuddende hun hoofden, v Ps. 22:8; 69:21. Mark. 15:29. Luk. 23:35. verwijsteksten
40 En zeggende: xGij Die den tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, verlos Uzelven; indien Gij de Zone Gods zijt, zo kom af van het kruis. x Matth. 26:61. Joh. 2:19. verwijsteksten
41 En desgelijks ook de overpriesters met de schriftgeleerden en ouderlingen en farizeeën Hem bespottende, zeiden:
42 Anderen heeft Hij verlost, Hij kan Zichzelven niet verlossen. Indien Hij de Koning Israëls is, dat Hij nu afkome van het kruis, en wij zullen Hem geloven.
43 yHij heeft op God betrouwd; dat Hij Hem nu verlosse, indien Hij Hem wel wil; want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon. y Ps. 22:9. verwijsteksten
44 En hetzelve verweten Hem ook de moordenaars die met Hem gekruisigd waren.
45 zEn van de zesde ure aan werd er duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe. z Mark. 15:33. Luk. 23:44. verwijsteksten
46 En omtrent de negende ure ariep Jezus met een grote stem, zeggende: ELI, ELI, LAMA SABACHTHANI? Dat is: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? a Ps. 22:2. Hebr. 5:7. verwijsteksten
47 En sommigen van die daar stonden, zulks horende, zeiden: Deze roept Elía.
48 bEn terstond een van hen toelopende, nam een spons, en die met edik gevuld hebbende, stak ze op een rietstok, en gaf Hem te drinken. b Ps. 69:22. Joh. 19:29. verwijsteksten
49 Doch de anderen zeiden: Houd op, laat ons zien of Elía komt om Hem te verlossen.
50 cEn Jezus wederom met een grote stem roepende, gaf den geest. c Luk. 23:46. verwijsteksten
51 dEn zie, het voorhangsel des tempels scheurde in tweeën, van boven tot beneden; en de aarde beefde, en de steenrotsen scheurden. d 2 Kron. 3:14. Mark. 15:38. Luk. 23:45. verwijsteksten
52 En de graven werden geopend, en vele lichamen der heiligen die ontslapen waren, werden opgewekt;
53 En uit de graven uitgegaan zijnde na Zijn opstanding, kwamen zij in de heilige stad en zijn velen verschenen.
54 eEn de hoofdman over honderd, en die met hem Jezus bewaarden, ziende de aardbeving en de dingen die geschied waren, werden zeer bevreesd, zeggende: Waarlijk, Deze was Gods Zoon. e Mark. 15:39. Luk. 23:47. verwijsteksten
55 fEn aldaar waren vele vrouwen gvan verre aanschouwende, die Jezus gevolgd waren van Galiléa om Hem hte dienen; f Mark. 15:40. Luk. 23:49. g Ps. 38:12. h Luk. 8:2. verwijsteksten
56 Onder dewelke was Maria Magdaléna, en Maria, de moeder van Jakobus en Joses, en de moeder der zonen van Zebedéüs.
 
De begrafenis
57 iEn als het avond geworden was, kwam een rijk man van Arimathéa, met name Jozef, die ook zelf een discipel van Jezus was. i Mark. 15:42. Luk. 23:50. Joh. 19:38. verwijsteksten
58 Deze kwam tot Pilatus en begeerde het lichaam van Jezus. Toen beval Pilatus dat hem het lichaam gegeven zou worden.
59 En Jozef het lichaam nemende, wond hetzelve in een zuiver fijn lijnwaad,
60 kEn legde dat in zijn nieuw graf, hetwelk hij in een steenrots uitgehouwen had; en een groten steen tegen de deur des grafs gewenteld hebbende, ging hij weg. k Mark. 15:46. Luk. 23:53. verwijsteksten
61 En aldaar was Maria Magdaléna en de andere Maria, zittende tegenover het graf.
 
De wacht bij het graf
62 Des anderen daags nu, welke is na de voorbereiding, vergaderden de overpriesters en de farizeeën tot Pilatus,
63 Zeggende: Heer, wij zijn indachtig dat deze verleider, nog levende, gezegd heeft: lNa drie dagen zal Ik opstaan. l Matth. 16:21; 17:23; 20:19. Mark. 8:31; 10:34. Luk. 9:22; 18:33; 24:6. verwijsteksten
64 Beveel dan dat het graf verzekerd worde tot den derden dag toe, opdat Zijn discipelen misschien niet komen bij nacht en stelen Hem, en zeggen tot het volk: Hij is opgestaan van de doden. En zo zal de laatste dwaling erger zijn dan de eerste.
65 En Pilatus zeide tot henlieden: Gij hebt een wacht; gaat heen, verzekert het gelijk gij het verstaat.
66 En zij heengaande, verzekerden het graf met de wacht, den steen verzegeld hebbende.

Einde Mattheüs 27