Statenvertaling.nl

sample header image

Mattheüs 27 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28
Inleiding Bijbelboek
Inleiding Nieuwe Testament
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Mattheüs 27

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

1 Christus wordt van de Joden in Pilatus’ handen overgegeven. 3 Judas berouw hebbende, werpt het geld in den tempel en verworgt zichzelven. 6 Met welk geld een pottenbakkersakker gekocht wordt, gelijk voorzegd was. 11 Pilatus ondervraagt Christus op de beschuldigingen tegen Hem gedaan. 19 Wordt van zijn huisvrouw gewaarschuwd. 20 Verklaart Christus’ onschuld, en tracht Hem door tegenstelling van Barabbas los te laten, maar tevergeefs. 24 Wast zijn handen en geeft Hem op het aandringen der Joden over aan de krijgsknechten om gekruisigd te worden. 27 Die Hem smadelijk mishandelen en wegleiden om te kruisigen. 32 Simon van Cyrene wordt gedwongen om Hem Zijn kruis te helpen dragen. 35 Christus wordt gekruisigd. 38 En met Hem twee moordenaars. 39 Wordt van de voorbijgaanden gelasterd en bespot. 45 Duisternis komt op de aarde, en Christus wordt met gal gedrenkt, roept in Zijn uiterste benauwdheid tot Zijn Vader, en geeft Zijn geest. 51 Verscheidene wonderheden geschieden omtrent Zijn dood. 54 Waardoor de hoofdman bekent dat Hij Gods Zoon is. 57 Wordt van Jozef van Arimathea begraven, en Zijn graf, op het verzoek der overpriesters, met wacht bewaard.
 
Het einde van Judas
1 ALSa het nu morgenstond geworden was, hebben al de overpriesters en de ouderlingen des volks tezamen raad genomen tegen Jezus, dat zij Hem doden zouden.
a Ps. 2:2. Mark. 15:1. Luk. 22:66; 23:2. Joh. 18:28. verwijsteksten
 
2 En Hem gebonden hebbende, leidden zij Hem weg en gaven Hem over aan bPontius Pilatus, 1den stadhouder.
b Hand. 3:13. verwijsteksten
1 Namelijk van den Romeinsen keizer Tiberius, over het Joodse land, Luk. 3:1, want de Joden vermochten niet meer iemand met den dood te straffen zonder voorgaande bewilliging der Romeinse stadhouders, gelijk zij zelven betuigen, Joh. 18:31. verwijsteksten
 
3 Toen heeft Judas, die Hem verraden had, ziende dat Hij veroordeeld was, 2berouw gehad, en heeft de dertig zilveren penningen den overpriesters en den ouderlingen 3wedergebracht,
2 Dit was geen oprecht berouw, gelijk Petrus had, alzo het niet was vergezelschapt met betering des levens, noch met geloof en betrouwen van vergeving zijner zonden. Paulus noemt zulk een berouw als Judas had, een droefheid der wereld die den dood werkt, 2 Kor. 7:10. verwijsteksten
3 Gr. wedergekeerd, dat is, wederuitgekeerd.
 
4 Zeggende: Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed. Maar zij zeiden: Wat gaat ons dat aan? Gij moogt toezien.
5 En als hij de zilveren penningen in den tempel geworpen had, vertrok hij, en cheengaande 4verworgde zichzelven.
c 2 Sam. 17:23. Hand. 1:18. verwijsteksten
4 Zie hiervan breder Hand. 1:18. verwijsteksten
 
6 En de overpriesters, de zilveren penningen nemende, zeiden: Het is niet geoorloofd dezelve in de 5offerkist te leggen, dewijl het 6een prijs des bloeds is.
5 In den Grieksen tekst wordt gehouden het Syrische woord korbanan, hetwelk betekent een gave of offer, waarmede zij noemden de schat- of geldkist, in welke het geld, tot den dienst Gods gegeven of geheiligd, bewaard werd. Zie 2 Kon. 12:9. Deze wordt Mark. 12:41. Luk. 21:1 genaamd gazophylacium. verwijsteksten
6 Dat is, waarvoor Christus door hen gekocht was om Hem te doden. Het schijnt dat deze huichelaars zien op de plaats Deut. 23:18. verwijsteksten
 
7 En tezamen raad genomen hebbende, kochten zij daarmede den dakker des pottenbakkers, tot een begrafenis voor 7de vreemdelingen.
d Hand. 1:19. verwijsteksten
7 Dat is, uit vreemde landen komende en vreemd zijnde van de Joodse religie, met welke schijnt dat de Joden, zelfs ook na hun dood, geen gemeenschap wilden hebben.
 
8 Daarom is die akker genaamd 8de akker des bloeds, tot op den huidigen dag.
8 Van dezen akker zie Hand. 1:19. verwijsteksten
 
9 Toen is vervuld geworden hetgeen gesproken is edoor den profeet 9Jeremía, zeggende: En zij hebben de dertig zilveren penningen genomen, 10de waarde des Gewaardeerden van de kinderen Israëls, Denwelken zij gewaardeerd hebben;
e Zach. 11:12. verwijsteksten
9 Deze plaats wordt niet gevonden bij Jeremia, maar bij Zacharia, hfdst. 11:13, en daarom menen sommige oude leraars dat hier van Mattheüs zelven geen naam des profeten uitgedrukt is geweest, gelijk hij ook elders gewoon is te doen, en gelijk deze naam ook in de Syrische overzetting, die zeer oud is, en sommige andere niet gevonden wordt; en dat de naam van Jeremia door iemand van de afschrijvers door onwetendheid, om de gelijkheid van de letters ιõυ en ζõυ zoals die in het kort geschreven worden, uit den kant in den tekst zou zijn bijgevoegd. Doch anderen menen dat Zacharia ook Jeremia zou genaamd zijn geweest, gelijk onder de Israëlieten zeer gebruikelijk was twee namen te hebben, inzonderheid als dezelve bijna enerlei zaak betekenden.
10 Anderen zetten het over: de waarde des Gewaardeerden, Denwelken gewaardeerd hebben enigen van de kinderen Israëls. Zach. 11:13 voert Christus Zelven in als sprekende in Zijn persoon, maar Mattheüs ziende meer op den zin dan op de woorden van den profeet, spreekt van Christus in den derden persoon, om aan te wijzen dat deze profetie alhier in Hem vervuld was. verwijsteksten
 
10 En hebben dezelve gegeven voor den akker des pottenbakkers, 11volgens hetgeen mij de Heere bevolen heeft.
11 Deze woorden staan wel niet bij den profeet, maar de inhoud van dien.
 
Voor Pilatus
11 fEn Jezus stond voor den stadhouder; en de stadhouder vraagde Hem, zeggende: Zijt Gij 12de Koning der Joden? En Jezus zeide hem: 13Gij zegt het.
f Mark. 15:2. Luk. 23:3. Joh. 18:33. verwijsteksten
12 Namelijk Dien de Joden voor hun Messias en Verlosser verwachten.
13 Zie Matth. 26:25, 64. Joh. 18:37. verwijsteksten
 
12 En als Hij van de overpriesters en de ouderlingen beschuldigd werd, antwoordde Hij niets.
13 gToen zeide Pilatus tot Hem: Hoort Gij niet 14hoevele zaken zij tegen U getuigen?
g Matth. 26:62. verwijsteksten
14 Deze zaken staan uitgedrukt Luk. 23:2. verwijsteksten
 
14 hMaar Hij antwoordde hem 15niet op een enig woord, alzo dat de stadhouder zich zeer verwonderde.
h Jes. 53:7. Hand. 8:32. verwijsteksten
15 Eensdeels omdat de beschuldigingen openbare leugens waren, eensdeels omdat Hij wilde voor ons onschuldig veroordeeld worden. En zo is vervuld hetgeen tevoren van Hem gezegd was, Jes. 53:7. verwijsteksten
 
15 iEn op het 16feest was de stadhouder gewoon 17het volk een gevangene los te laten, welken zij wilden.
i Mark. 15:6. Luk. 23:17. Joh. 18:39. verwijsteksten
16 Namelijk van pascha, Joh. 18:39. verwijsteksten
17 Gr. de schare.
 
16 kEn zij hadden toen een 18welbekenden gevangene, genaamd Barábbas.
k Mark. 15:7. Luk. 23:19. Joh. 18:40. verwijsteksten
18 Dat is, vermaarden en uitstekenden, wiens persoon en kwade daden zeer bekend waren. Want hij was om moord en oproer gevangen, Mark. 15:7. Luk. 23:19. Joh. 18:40. verwijsteksten
 
17 Als zij dan vergaderd waren, zeide Pilatus tot hen: Welken wilt gij dat ik u zal loslaten, Barábbas, of Jezus, Die genaamd wordt Christus?
18 Want hij wist dat zij Hem door nijdigheid overgeleverd hadden.
19 En als hij op den rechterstoel zat, zo heeft zijn huisvrouw tot hem gezonden, zeggende: Heb toch niet te doen met dien Rechtvaardige; want ik heb heden veel geleden in den droom om Zijnentwil.
20 lMaar de overpriesters en de ouderlingen hebben den scharen 19aangeraden dat zij zouden Barábbas begeren en Jezus doden.
l Mark. 15:11. Luk. 23:18. Joh. 18:40. Hand. 3:14. verwijsteksten
19 Of: met aanrading daartoe bewogen.
 
21 En de stadhouder antwoordende zeide tot hen: Welken van deze twee wilt gij dat ik u zal loslaten? En zij zeiden: Barábbas.
22 Pilatus zeide tot hen: Wat zal ik dan doen met Jezus, Die genaamd wordt Christus? Zij zeiden allen tot hem: Laat Hem gekruisigd worden.
23 Doch de stadhouder zeide: Wat heeft Hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te meer, zeggende: Laat Hem gekruisigd worden.
24 Als nu Pilatus zag dat hij niet vorderde, maar veelmeer dat er oproer werd, nam hij water en wies de handen voor de schare, zeggende: Ik ben onschuldig van 20het bloed dezes Rechtvaardigen; gijlieden moogt toezien.
20 Dat is, van den dood. Waarvan hij nochtans niet geheel onschuldig was, alzo hij niet vermocht een onschuldige ten believen van anderen te doden, gelijk de stadhouder Festus zelf getuigt, Hand. 25:16. verwijsteksten
 
25 En al het volk antwoordende zeide: m21Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen.
m Hand. 5:28. verwijsteksten
21 Dat is, zo dit bloed onschuldiglijk vergoten wordt, de straf of wraak Gods daarvan kome op ons en onze nakomelingen. Hetwelk ook spoedig daarna door de Romeinen geschied is, en nog geschiedt, Matth. 24:21. Dergelijke manier van spreken zie Lev. 20:9. 2 Sam. 1:16. verwijsteksten
 
26 Toen liet hij hun Barábbas los, maar Jezus gegeseld 22hebbende, gaf hij Hem over om gekruisigd te worden.
22 De Romeinen hadden wel de gewoonte dat zij degenen die tot den dood verwezen waren, eerst openlijk deden geselen; maar het blijkt uit Joh. 19:1, dat Pilatus dit gedaan heeft omdat hij hoopte, dat hij met die mindere straf den Joden zou voldoen en hen tot medelijden bewegen, om Hem alzo los te laten. verwijsteksten
 
Jezus bespot en weggeleid
27 nToen namen de krijgsknechten des stadhouders Jezus met zich in het rechthuis en vergaderden over Hem de ganse bende.
n Mark. 15:16. Joh. 19:2. verwijsteksten
 
28 En 23als zij Hem ontkleed hadden, deden zij Hem een 24purperen mantel om;
23 Namelijk van Zijn opperkleed.
24 Dit was een zekere soort van kostelijke purperkleur, gelijk de andere evangelisten het noemen. Of van scharlaken, hetwelk alleen van koningen en grote heren gedragen werd, Dan. 5:7. En alzo spotten dezen met het Koninklijke ambt van Christus. Waartoe ook diende de doornenkroon en rietstok in plaats van een scepter, en de volgende bespotting. verwijsteksten
 
29 En een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op Zijn hoofd, en een rietstok in Zijn rechterhand; en vallende op hun knieën voor Hem, bespotten zij Hem, zeggende: Wees gegroet, Gij Koning der Joden.
30 En op Hem gespogen hebbende, namen zij den rietstok en sloegen op Zijn hoofd.
31 En toen zij Hem bespot hadden, deden zij Hem den mantel af en deden Hem 25Zijn klederen aan en leidden Hem heen om te kruisigen.
25 Namelijk Zijn opperklederen, die zij uitgedaan hadden.
 
32 oEn uitgaande, vonden zij een man van Cyréne, met name 26Simon; dezen 27dwongen zij dat hij Zijn kruis 28droeg.
o Mark. 15:21. Luk. 23:26. verwijsteksten
26 Zie van dezen Simon breder Mark. 15:21. verwijsteksten
27 Zie van dit woord Matth. 5:41. verwijsteksten
28 Gr. opnam, namelijk om hetzelve achter Christus te dragen, Luk. 23:26. Het was gebruikelijk dat degenen die gekruisigd zouden worden, zelven hun kruis moesten dragen ter plaatse der straf. Maar alzo Christus door de voorgaande mishandelingen in Zijn lichaam zeer verzwakt was, zo hebben zij Hem dezen toegevoegd. verwijsteksten
 
Golgotha
33 pEn gekomen zijnde tot de plaats genaamd Golgotha, welke is gezegd 29Hoofdschedelplaats,
p Ps. 69:22. Mark. 15:22. Luk. 23:33. Joh. 19:17. verwijsteksten
29 Of: plaats des bekkeneels, of der hoofdpan, welke plaats alzo schijnt genaamd te zijn, omdat aldaar de justitie placht te geschieden, en overzulks vele doodshoofden van misdadigen aldaar gevonden werden. Of, gelijk sommigen menen, omdat deze berg den vorm of de gedaante had van een hoofdpan.
 
34 Gaven zij Hem te drinken 30edik met gal gemengd; en als Hij dien gesmaakt had, wilde Hij niet drinken.
30 Mark. 15:23 zegt wijn met mirre gemengd, welken drank men dengenen die verwezen waren, placht te geven om hun smart te vergeten, bij welken de soldaten edik en gal gedaan hebben om hun moedwil ook hierin aan Hem te betonen. verwijsteksten
 
35 qToen zij nu Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn klederen, het lot werpende; opdat vervuld zou worden hetgeen gezegd is door den profeet: rZij hebben Mijn klederen onder zich verdeeld, en hebben 31het lot over Mijn kleding geworpen.
q Mark. 15:24. Joh. 19:23. verwijsteksten
r Ps. 22:19. verwijsteksten
31 Omdat Zijn onderrok zonder naad was, gelijk te zien is Joh. 19:23. verwijsteksten
 
36 En zij nederzittende, bewaarden Hem aldaar.
37 sEn zij stelden boven Zijn hoofd Zijn 32beschuldiging geschreven: DEZE IS JEZUS, DE KONING DER JODEN.
s Mark. 15:26. Luk. 23:38. Joh. 19:19. verwijsteksten
32 Of: Zijn schuld. Anders: Zijn oorzaak. Namelijk waarvan Hij beschuldigd en waarover Hij veroordeeld was.
 
38 tToen werden met Hem twee moordenaars gekruisigd, een ter rechter- en een ter linkerzijde.
t Jes. 53:12. verwijsteksten
 
39 vEn die voorbijgingen lasterden Hem, 33schuddende hun hoofden,
v Ps. 22:8; 69:21. Mark. 15:29. Luk. 23:35. verwijsteksten
33 Tot een teken van verachting, en dat zij het Hem wel gunden. Zie Ps. 22:8. Klgld. 2:15. verwijsteksten
 
40 En zeggende: xGij Die den tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, verlos Uzelven; indien Gij de Zone Gods zijt, zo kom af van het kruis.
x Matth. 26:61. Joh. 2:19. verwijsteksten
 
41 En desgelijks ook de overpriesters met de schriftgeleerden en ouderlingen en farizeeën Hem bespottende, zeiden:
42 Anderen heeft Hij verlost, 34Hij kan Zichzelven niet verlossen. Indien Hij de Koning Israëls is, dat Hij nu afkome van het kruis, en wij zullen Hem geloven.
34 Of: kan Hij Zichzelven niet verlossen?
 
43 yHij heeft op God betrouwd; dat Hij Hem nu verlosse, 35indien Hij Hem wel wil; want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon.
y Ps. 22:9. verwijsteksten
35 Gr. indien Hij Hem wil, dat is, indien Hij aan Hem een welgevallen heeft.
 
44 En hetzelve verweten Hem ook de 36moordenaars die met Hem gekruisigd waren.
36 Eigenlijk is dit gedaan van één van de moordenaars, gelijk Lukas getuigt, hfdst. 23:39, maar dit wordt aldus in het gemeen gezegd, om aan te wijzen dat Christus van alle soorten van mensen is bespot, ook zelfs van de moordenaars. Tenware dat men zeide (gelijk sommige oude leraars menen), dat zij eerst beiden zouden gelasterd hebben, en dat daarna de een, ziende de wonderen die daar geschiedden, bekeerd zou zijn.
 
45 zEn van de 37zesde ure aan werd er 38duisternis over de gehele 39aarde, tot de negende ure toe.
z Mark. 15:33. Luk. 23:44. verwijsteksten
37 Dat is, van omtrent den middag tot omtrent drie uren na den middag, naar onze rekening. Zie Matth. 20:3. Joh. 11:9. Zie verder Mark. 15:25. Joh. 19:14. verwijsteksten
38 Dit was geen gewone eclips der zon, alzo het pascha op de volle maan gehouden werd, wanneer de maan recht over de zon staat op de andere zijde des hemels en derhalve het licht der zon niet kan beletten; maar een bovennatuurlijk werk Gods, bij wonder geschied, gelijk de duisternis in Egypte, Ex. 10:22. verwijsteksten
39 Sommigen verstaan hierdoor het Joodse land alleen, anderen den gansen aardbodem.
 
46 En omtrent de negende ure ariep Jezus met een grote stem, zeggende: 40ELI, ELI, LAMA SABACHTHANI? Dat is: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij 41verlaten?
a Ps. 22:2. Hebr. 5:7. verwijsteksten
40 Deze woorden zijn genomen uit Ps. 22:2. verwijsteksten
41 Namelijk onder den last van Uw schrikkelijken toorn tegen de zonden der mensen, zonder Mij het gevoelen van Uw gunst en hulp te laten genieten, Gal. 3:13. Doch dit zijn geen woorden van wanhoop, dewijl Hij evenwel volkomenlijk op Hem betrouwd heeft, gelijk blijkt uit de woorden Mijn God. Zie ook hiervan Hebr. 5:7. verwijsteksten
 
47 En sommigen van die daar stonden, zulks horende, zeiden: 42Deze roept Elía.
42 Dit zeggen zij met Hem spottende, omdat de woorden Eli en Elia bijna overeenkomen.
 
48 bEn terstond een van hen toelopende, nam een spons, en die met edik gevuld hebbende, 43stak ze op een rietstok, en gaf Hem te drinken.
b Ps. 69:22. Joh. 19:29. verwijsteksten
43 Gr. zette ze om een rietstok. Dit deed hij omdat Christus gezegd had: Mij dorst, gelijk Joh. 19:28 getuigt. verwijsteksten
 
49 Doch de anderen zeiden: Houd op, laat ons zien of Elía komt om Hem te verlossen.
50 cEn Jezus wederom met een grote stem roepende, 44gaf den geest.
c Luk. 23:46. verwijsteksten
44 Gr. liet van Zich den geest, dat is, Zijn ziel, Joh. 10:18. verwijsteksten
 
51 dEn zie, het 45voorhangsel des tempels scheurde in tweeën, van boven tot beneden; en de aarde beefde, en de steenrotsen scheurden.
d 2 Kron. 3:14. Mark. 15:38. Luk. 23:45. verwijsteksten
45 Dit was een tapijt of geborduurd kleed, hetwelk voor het heilige der heiligen hing, en hetzelve afscheidde van het heilige of voorste deel des tempels. Wat dit beduidde, wordt verklaard Hebr. 10:20. verwijsteksten
 
52 En de graven werden geopend, en vele lichamen der heiligen die ontslapen waren, werden opgewekt;
53 En uit de graven uitgegaan zijnde na Zijn opstanding, kwamen zij in de 46heilige stad en zijn velen verschenen.
46 Namelijk Jeruzalem. Zie Matth. 4:5. verwijsteksten
 
54 eEn de hoofdman over honderd, en die met hem Jezus bewaarden, ziende de aardbeving en de dingen die geschied waren, werden zeer bevreesd, zeggende: Waarlijk, Deze was Gods Zoon.
e Mark. 15:39. Luk. 23:47. verwijsteksten
 
55 fEn aldaar waren vele vrouwen gvan verre aanschouwende, die Jezus gevolgd waren van Galiléa 47om Hem hte dienen;
f Mark. 15:40. Luk. 23:49. verwijsteksten
g Ps. 38:12. verwijsteksten
47 Gr. Hem dienende, namelijk in Zijn leven van haar goederen, Luk. 8:3. verwijsteksten
h Luk. 8:2. verwijsteksten
 
56 Onder dewelke was Maria Magdaléna, en Maria, 48de moeder van Jakobus en Joses, en 49de moeder der zonen van Zebedéüs.
48 Zie van dezelve Matth. 13:55. verwijsteksten
49 Zie ook van deze Matth. 20:20. verwijsteksten
 
De begrafenis
57 iEn als het 50avond geworden was, kwam een rijk man 51van Arimathéa, met name Jozef, die ook zelf een discipel van Jezus was.
i Mark. 15:42. Luk. 23:50. Joh. 19:38. verwijsteksten
50 Dat is, laat op den dag, eer de zon ondergegaan was. Want met der zonne ondergang begon de sabbat.
51 Namelijk geboortig. Dit was een stad in het Joodse land, Luk. 23:51. verwijsteksten
 
58 Deze kwam tot Pilatus en begeerde het lichaam van Jezus. Toen beval Pilatus dat hem het lichaam gegeven zou worden.
59 En Jozef het lichaam nemende, wond hetzelve in een 52zuiver fijn lijnwaad,
52 Hetwelk hij daartoe nieuw gekocht had, Mark. 15:46. verwijsteksten
 
60 kEn legde dat in zijn 53nieuw graf, hetwelk hij in een steenrots uitgehouwen had; en een groten steen tegen de deur des grafs gewenteld hebbende, ging hij weg.
k Mark. 15:46. Luk. 23:53. verwijsteksten
53 In hetwelk nog niemand tevoren gelegd was, Luk. 23:53. Hetwelk door Gods beschikking alzo geschied is, opdat men niet zou zeggen of denken dat er iemand anders opgestaan was. verwijsteksten
 
61 En aldaar was Maria Magdaléna en de 54andere Maria, zittende tegenover het graf.
54 Namelijk tevoren vers 56 genoemd en beschreven. verwijsteksten
 
De wacht bij het graf
62 Des anderen daags nu, welke is 55na de voorbereiding, vergaderden de overpriesters en de farizeeën tot Pilatus,
55 Dat is, op hun paasdag zelven, welke toen ook was de sabbatdag.
 
63 Zeggende: Heer, wij zijn indachtig dat deze 56verleider, nog levende, gezegd heeft: lNa drie dagen 57zal Ik opstaan.
56 Alzo lasteren deze goddeloze mensen Christus nog na Zijn dood.
l Matth. 16:21; 17:23; 20:19. Mark. 8:31; 10:34. Luk. 9:22; 18:33; 24:6. verwijsteksten
57 Gr. sta Ik op.
 
64 Beveel dan dat het graf verzekerd worde tot den derden dag toe, opdat Zijn discipelen misschien niet komen bij nacht en stelen Hem, en zeggen tot het volk: Hij is opgestaan van de doden. En zo zal de laatste 58dwaling erger zijn dan de eerste.
58 Of: verleiding.
 
65 En Pilatus zeide tot henlieden: Gij hebt een 59wacht; gaat heen, verzekert het gelijk gij het verstaat.
59 Welke waren de soldaten die gesteld waren om den tempel van buiten te bewaren en te bewaken, die hun wachtplaats hadden in den burcht Antonia. Zie Josephus, Oudheden, boek 18, hfdst. 6.
 
66 En zij heengaande, verzekerden het graf met de wacht, den steen 60verzegeld hebbende.
60 Opdat niemand zich zou verstouten zonder hun weten het graf te openen, gelijk Dan. 6:18, hetwelk mede door Gods beschikking is geschied, om de verrijzenis van Christus des te zekerder en heerlijker te maken. verwijsteksten

Einde Mattheüs 27