Statenvertaling.nl

sample header image

Mattheüs 15 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28
Inleiding Bijbelboek
Inleiding Nieuwe Testament
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Mattheüs 15

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

1 De discipelen van Christus van de schriftgeleerden en farizeeën beschuldigd zijnde, omdat zij met ongewassen handen aten, worden door Christus verantwoord, Die derzelver geveinsdheid bestraft, en verwerpt de menselijke inzettingen. 10 Leert dat hun genomen ergernis niet is te achten, en wat het is dat den mens waarlijk ontreinigt. 22 Werpt den duivel uit de dochter van een Kananese vrouw. 30 En geneest allerlei gebrekkelijke mensen. 32 Verzadigt met zeven broden en weinige visjes vierduizend mannen.
 
De ware reinheid
1 TOENa kwamen tot Jezus enige schriftgeleerden en farizeeën, die van Jeruzalem waren, zeggende:
a Mark. 7:1. verwijsteksten
 
2 Waarom overtreden Uw discipelen de 1inzetting der 2ouden? Want zij wassen hun handen niet wanneer zij brood zullen eten.
1 Gr. overlevering, of: overgeving.
2 Of: ouderlingen, namelijk der farizese leraars, gelijk Matth. 5:21. verwijsteksten
 
3 Maar Hij antwoordende zeide tot hen: Waarom overtreedt ook gij het gebod Gods door 3uw inzetting?
3 Dat is, die gij aangenomen hebt en volgt.
 
4 bWant God heeft geboden, zeggende: 4Eer uw vader en moeder; en: cWie vader of moeder vloekt, die zal 5den dood sterven.
b Ex. 20:12. Deut. 5:16. Ef. 6:2. verwijsteksten
4 Eer betekent niet alleen uiterlijken eerbied, maar ook allerlei hulp en bijstand, 1 Tim. 5:3, 17. verwijsteksten
c Ex. 21:17. Lev. 20:9. Spr. 20:20. verwijsteksten
5 Dat is, die zal zonder verschoning met den dood gestraft worden, Ex. 21:17. Lev. 20:9. verwijsteksten
 
5 Maar gij zegt: Zo wie tot vader of moeder zal zeggen: 6Het is een gave, zo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen; en zijn vader of zijn moeder geenszins zal eren, die voldoet.
6 Of: Het zij een gave, dat is, een offerande, Matth. 5:24. Hebr. korban, Mark. 7:11. Of: Zo wat gave van mij geofferd wordt, zal u ten nutte komen, die voldoet; of: die wordt ontslagen van verdere onderhouding aan zijn ouders te doen. Zie hiervan ook in de aant. op Mark. 7:11. De zin is, dat zij leerden, dat men onder deksel van offeranden den ouders de schuldige hulp mocht onttrekken. verwijsteksten
 
6 dEn gij hebt alzo Gods gebod krachteloos gemaakt door uw inzetting.
d Mark. 7:13. 1 Tim. 4:3. 2 Tim. 3:2. verwijsteksten
 
7 Gij geveinsden, 7wel heeft Jesaja van u geprofeteerd, zeggende:
7 Dat is, wel past op u hetgeen Jesaja ook eertijds gezegd heeft tot de Joden van zijn tijd.
 
8 eDit volk genaakt Mij met hun mond en eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij;
e Jes. 29:13. Ez. 33:31. Mark. 7:6. verwijsteksten
 
9 Doch tevergeefs eren zij Mij, 8lerende leringen die fgeboden van mensen zijn.
8 Namelijk om die te onderhouden, als een deel van den godsdienst, Deut. 4:2; 12:32. verwijsteksten
f Mark. 7:6, 7. Kol. 2:18, 20, 22. verwijsteksten
 
10 gEn als Hij de schare tot Zich geroepen had, zeide Hij tot hen: Hoort en verstaat.
g Mark. 7:14. verwijsteksten
 
11 hHetgeen ten monde ingaat, 9ontreinigt den mens niet; maar hetgeen ten monde 10uitgaat, dat ontreinigt den mens.
h Hand. 10:15. Rom. 14:17, 20. Tit. 1:15. verwijsteksten
9 Gr. maakt gemeen, dat is, ontheiligt. Zie Hand. 10:14. Christus spreekt hier naar de mening der farizeeën van die onreinheid die ontstaan zou uit het nemen der spijze met ongewassen handen. verwijsteksten
10 Namelijk voortkomende uit een onrein hart, gelijk Christus hierna verklaart vss. 18, 19. verwijsteksten
 
12 Toen kwamen Zijn discipelen tot Hem en zeiden tot Hem: Weet Gij wel dat de farizeeën deze rede horende, geërgerd zijn geweest?
13 Maar Hij antwoordende zeide: iAlle 11plant die Mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal 12uitgeroeid worden.
i Joh. 15:2. verwijsteksten
11 Of: planting, dat is, alle leer of godsdienst.
12 Gr. met den wortel uitgetrokken.
 
14 Laat hen varen; kzij zijn blinde leidslieden der blinden. Indien nu de blinde den blinde leidt, zo zullen zij beiden in de gracht vallen.
k Jes. 42:19. Luk. 6:39. verwijsteksten
 
15 lEn Petrus antwoordende zeide tot Hem: Verklaar ons deze 13gelijkenis.
l Mark. 7:17. verwijsteksten
13 Het woord gelijkenis wordt somtijds, gelijk hier, genomen voor allerlei lering die wat duisterlijk voorgesteld wordt.
 
16 Maar Jezus zeide: Zijt ook gijlieden alsnog 14onwetend?
14 Of: onverstandig, zonder verstand.
 
17 Verstaat gij nog niet, dat al wat ten monde ingaat, in den buik komt en in de heimelijkheid wordt uitgeworpen?
18 Maar die dingen die ten monde uitgaan, komen voort uit het hart, en dezelve ontreinigen den mens.
19 mWant uit het hart komen voort boze 15bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valse getuigenissen, lasteringen.
m Gen. 6:5; 8:21. Spr. 6:14. Jer. 17:9. verwijsteksten
15 Of: samensprekingen.
 
20 Deze dingen zijn het die den mens ontreinigen; maar het eten met 16ongewassen handen ontreinigt den mens niet.
16 Christus bestraft hier niet de burgerlijke eerbaarheid in het wassen der handen voor het eten, maar het bijgeloof der farizeeën, die daarin heiligheid en godsdienstigheid stelden.
 
De Kananese vrouw
21 nEn Jezus vandaar gaande, vertrok naar de delen van Tyrus en Sidon.
n Mark. 7:24. verwijsteksten
 
22 En zie, een 17Kananese vrouw uit die landpalen komende, riep tot Hem, zeggende: Heere, Gij Zone Davids, ontferm U mijner; mijn dochter is deerlijk van den duivel bezeten.
17 Zie van haar de aantt. op Mark. 7:26, alwaar zij genaamd wordt een Griekse vrouw uit Syro-Fenicië. Hier wordt zij een Kananese vrouw genaamd, omdat de inwoners van Tyrus en Sidon uit de Kanaänieten gesproten waren. Want Sidon, van denwelken de stad Sidon haar oorsprong en naam had, was de eerstgeboren zoon van Kanaän, den zoon van Cham, Gen. 10:15. verwijsteksten
 
23 Doch Hij antwoordde haar niet een woord. En Zijn discipelen tot Hem komende, baden Hem, zeggende: Laat haar van U, want zij roept 18ons na.
18 Gr. achter ons.
 
24 Maar Hij antwoordende zeide: oIk ben niet gezonden 19dan tot de verloren schapen van het huis Israëls.
o Matth. 10:6. Hand. 13:46. verwijsteksten
19 Namelijk voor dezen tijd; omdat de beroeping der heidenen nog niet gekomen was.
 
25 En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, help mij!
26 Doch Hij antwoordde en zeide: Het is niet 20betamelijk het brood der kinderen te nemen en den 21hondekens voor te werpen.
20 Gr. eerlijk, of: goed.
21 De heidenen worden bij hondekens vergeleken, omdat zij toen nog vreemd waren van Gods verbond.
 
27 En zij zeide: Ja Heere; 22doch de hondekens eten ook van de brokskens die er vallen van de tafel hunner heren.
22 Gr. want.
 
28 Toen antwoordde Jezus en zeide tot haar: O vrouw, groot is uw geloof; u geschiede gelijk gij wilt. En haar dochter werd gezond van diezelve ure.
 
Genezingen bij de Zee van Galiléa
29 pEn Jezus vandaar vertrekkende, kwam aan de Zee van Galiléa, en klom op den berg en zat daar neder.
p Mark. 7:31. verwijsteksten
 
30 qEn vele scharen zijn tot Hem gekomen, hebbende bij zich kreupelen, blinden, stommen, 23lammen en vele anderen, en wierpen hen voor de voeten van Jezus, en Hij genas dezelve;
q Jes. 29:18; 35:5. Matth. 11:5. Luk. 7:22. verwijsteksten
23 Dat is, verminkt of verzwakt van leden.
 
31 Alzo dat de scharen zich verwonderden, ziende de stommen sprekende, de lammen gezond, de kreupelen wandelende, en de blinden ziende; en zij verheerlijkten den God Israëls.
 
De tweede wonderbare spijziging
32 rEn Jezus Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide: Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare, omdat zij nu drie dagen bij Mij gebleven zijn en hebben niet wat zij eten zouden; en Ik wil hen niet nuchter van Mij laten, opdat zij op den weg niet bezwijken.
r Mark. 8:1. verwijsteksten
 
33 En Zijn discipelen zeiden tot Hem: Vanwaar zullen wij zovele broden in de woestijn bekomen, dat wij zulk een grote schare zouden verzadigen?
34 En Jezus zeide tot hen: Hoevele broden hebt gij? Zij zeiden: Zeven, en weinige visjes.
35 En Hij gebood de scharen neder te zitten op de aarde.
36 En Hij nam de zeven broden en de vissen, en als Hij 24sgedankt had, brak Hij ze en gaf ze Zijn discipelen, en de discipelen gaven ze de schare.
24 Namelijk over dezen zegen, dien Hij alrede hield als verkregen. Want Hij wist dat Hij daartoe van den Vader macht had ontvangen en dat Hem de Vader altijd verhoorde. Zie Joh. 11:41, 42. verwijsteksten
s 1 Sam. 9:13. verwijsteksten
 
37 En zij aten allen en werden verzadigd, en zij namen op het overschot der brokken, zeven volle manden.
38 En die daar gegeten hadden, waren vierduizend mannen, zonder de vrouwen en kinderen.
39 En de scharen van Zich gelaten hebbende, ging Hij in het schip en kwam in de landpalen van 25Mágdala.
25 Mark. 8:10 zegt van Dalmanutha, welk schijnt de naam te wezen van het land waarin Magdala gelegen was. verwijsteksten

Einde Mattheüs 15