Statenvertaling.nl

sample header image

Mattheüs 12 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28
Inleiding Bijbelboek
Inleiding Nieuwe Testament
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Mattheüs 12

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Het aren plukken op den sabbat
1 INa dien tijd ging Jezus op een sabbatdag door het gezaaide, en Zijn discipelen hadden honger en begonnen aren te plukken en te eten. a Deut. 23:25. Mark. 2:23. Luk. 6:1. verwijsteksten
2 En de farizeeën dat ziende, zeiden tot Hem: Zie, Uw discipelen doen bwat niet is geoorloofd te doen op den sabbat. b Ex. 20:10. verwijsteksten
3 Maar Hij zeide tot hen: Hebt gij niet gelezen wat David gedaan heeft, toen hem hongerde, en hun die met hem waren?
4 Hoe hij gegaan is in het huis Gods, en de ctoonbroden gegeten heeft, die hem niet geoorloofd waren te eten, noch ook hun die met hem waren, dmaar den priesters alleen? c 1 Sam. 21:6. d Ex. 29:33. Lev. 24:9. verwijsteksten
5 eOf hebt gij niet gelezen in de Wet, dat de priesters den sabbat ontheiligen in den tempel op de sabbatdagen, en nochtans onschuldig zijn? e Num. 28:9. verwijsteksten
6 En Ik zeg u, dat fEen, meerder dan de tempel, hier is. f 2 Kron. 6:18. verwijsteksten
7 Doch zo gij geweten hadt wat het is: gIk wil barmhartigheid en niet offerande, gij zoudt de onschuldigen niet veroordeeld hebben. g Hos. 6:6. Micha 6:8. Matth. 9:13; 23:23. verwijsteksten
8 hWant de Zoon des mensen is een Heere ook van den sabbat. h Mark. 2:28. Luk. 6:5. verwijsteksten
 
De man met de dorre hand
9 iEn vandaar voortgaande, kwam Hij in hun synagoge. i Mark. 3:1. Luk. 6:6. verwijsteksten
10 En zie, er was een mens die een dorre hand had; en zij vraagden Hem, zeggende: kIs het ook geoorloofd op de sabbatdagen te genezen? (opdat zij Hem mochten beschuldigen) k Luk. 14:3. verwijsteksten
11 En Hij zeide tot hen: Wat mens zal er zijn onder u, die één schaap heeft, en zo datzelve op een sabbatdag lin een gracht valt, die hetzelve niet zal aangrijpen en uitheffen? l Ex. 23:4. Deut. 22:4. verwijsteksten
12 mHoeveel gaat nu een mens een schaap te boven? Zo is het dan op de sabbatdagen geoorloofd wel te doen. m Gen. 1:27. verwijsteksten
13 Toen zeide Hij tot dien mens: Strek uw hand uit. En hij strekte ze uit, en zij werd hersteld, gezond gelijk de andere.
14 nEn de farizeeën uitgegaan zijnde, hielden tezamen raad tegen Hem, hoe zij Hem doden mochten. n Mark. 3:6. Joh. 5:18; 10:39; 11:53. verwijsteksten
 
De Knecht des Heeren
15 Maar Jezus dat wetende, overtrok vandaar, en vele scharen volgden Hem; en Hij genas hen allen, o Matth. 10:23. verwijsteksten
16 pEn gebood hun scherpelijk dat zij Hem niet openbaar maken zouden; p Matth. 9:30. Luk. 5:14. verwijsteksten
17 Opdat vervuld zou worden hetgeen gesproken is door Jesaja, den profeet, zeggende:
18 qZie, Mijn Knecht, Welken Ik verkoren heb, Mijn Beminde, in Welken Mijn ziel een welbehagen heeft. Ik zal Mijn Geest op Hem leggen, en Hij zal het oordeel den heidenen verkondigen. q Jes. 42:1. Matth. 3:17; 17:5. Mark. 1:11. Kol. 1:13. 2 Petr. 1:17. verwijsteksten
19 Hij zal niet twisten noch roepen, noch zal er iemand Zijn stem op de straten horen.
20 Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken en het rokende lemmet zal Hij niet uitblussen, totdat Hij het oordeel zal uitbrengen tot overwinning.
21 En in Zijn Naam zullen de heidenen hopen.
 
Jezus en Beëlzebul
22 rToen werd tot Hem gebracht een van den duivel bezeten, die blind en stom was; en Hij genas hem, alzo dat de blinde en stomme beide sprak en zag. r Matth. 9:32. Luk. 11:14. verwijsteksten
23 En al de scharen ontzetten zich en zeiden: sIs niet Deze de Zone Davids? s Joh. 4:29. verwijsteksten
24 Maar de farizeeën dit gehoord hebbende, zeiden: tDeze werpt de duivelen niet uit dan door Beëlzebul, den overste der duivelen. t Matth. 9:34. Mark. 3:22. Luk. 11:15. verwijsteksten
25 Doch Jezus kennende hun gedachten, zeide tot hen: Een ieder koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een iedere stad of huis dat tegen zichzelf verdeeld is, zal niet bestaan.
26 En indien de satan den satan uitwerpt, zo is hij tegen zichzelven verdeeld; hoe zal dan zijn rijk bestaan?
27 En indien Ik door Beëlzebul de duivelen uitwerp, door wien werpen ze dan uw zonen uit? Daarom zullen die uw rechters zijn.
28 Maar indien Ik door den Geest Gods de duivelen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen.
29 Of hoe kan iemand in het huis eens sterken inkomen en zijn vaten ontroven, tenzij dat hij eerst den sterke gebonden heeft? En alsdan zal hij zijn huis beroven.
30 Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; en wie met Mij niet vergadert, die verstrooit.
31 vDaarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal den mensen vergeven worden; maar de lastering tegen den Geest zal den mensen niet vergeven worden. v Mark. 3:28. Luk. 12:10. 1 Joh. 5:16. verwijsteksten
32 xEn zo wie enig woord gesproken zal hebben tegen den Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden; ymaar zo wie tegen den Heiligen Geest zal gesproken hebben, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende. x 1 Sam. 2:25. y Num. 15:30. 1 Joh. 5:16. verwijsteksten
 
De goede en de boze mens
33 zOf maakt den boom goed en zijn vrucht goed; of maakt den boom kwaad en zijn vrucht kwaad; want uit de vrucht wordt de boom gekend. z Matth. 7:18. verwijsteksten
34 aGij adderengebroedsels, hoe kunt gij goede dingen spreken, daar gij boos zijt? bWant uit den overvloed des harten spreekt de mond. a Matth. 3:7. b Ps. 40:11. Luk. 6:45. verwijsteksten
35 De goede mens brengt goede dingen voort uit den goeden schat des harten, en de boze mens brengt boze dingen voort uit den bozen schat.
36 Maar Ik zeg u, cdat van elk ijdel woord hetwelk de mensen zullen gesproken hebben, zij van hetzelve zullen rekenschap geven din den dag des oordeels. c Ef. 5:4. d Pred. 12:14. verwijsteksten
37 eWant uit uw woorden zult gij gerechtvaardigd worden, en uit uw woorden zult gij veroordeeld worden. e 2 Sam. 1:16. Luk. 19:22. verwijsteksten
 
Het teken van Jona
38 fToen antwoordden sommigen der schriftgeleerden en farizeeën, zeggende: Meester, wij wilden van U wel een teken zien. f Matth. 16:1. Mark. 8:11. Luk. 11:29. 1 Kor. 1:22. verwijsteksten
39 Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken, en hun zal geen teken gegeven worden dan het teken van Jona, den profeet.
40 gWant gelijk Jona drie dagen en drie nachten was in den buik van den walvis, alzo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde. g Jona 1:17; 2:10. verwijsteksten
41 hDe mannen van Ninevé zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht en zullen hetzelve veroordelen; want zij hebben zich bekeerd iop de prediking van Jona; en zie, meer dan Jona is hier. h Luk. 11:32. i Jona 3:5. verwijsteksten
42 kDe koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel met dit geslacht en hetzelve veroordelen; want zij is gekomen van de einden der aarde, om te horen de wijsheid van Sálomo; en zie, meer dan Sálomo is hier. k 1 Kon. 10:1. 2 Kron. 9:1. Luk. 11:31. verwijsteksten
 
Terugkeer van den onreinen geest
43 lEn wanneer de onreine geest van den mens uitgegaan is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust, en vindt ze niet. l Luk. 11:24. verwijsteksten
44 Dan zegt hij: Ik zal wederkeren in mijn huis, vanwaar ik uitgegaan ben; en komende vindt hij het ledig, met bezemen gekeerd, en versierd.
45 Dan gaat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hij zelf, men ingegaan zijnde wonen zij aldaar; en het laatste van denzelven mens wordt erger dan het eerste. Alzo zal het ook met dit boos geslacht zijn. m Hebr. 6:4, 5; 10:26. 2 Petr. 2:20. verwijsteksten
 
Jezus’ ware verwanten
46 nEn als Hij nog tot de scharen sprak, zie, Zijn moeder en broeders stonden buiten, zoekende Hem te spreken. n Mark. 3:31. Luk. 8:20. verwijsteksten
47 En iemand zeide tot Hem: Zie, Uw moeder en Uw broeders staan daarbuiten, zoekende U te spreken.
48 Maar Hij antwoordende zeide tot dengene die Hem dat zeide: Wie is Mijn moeder, en wie zijn Mijn broeders?
49 En Zijn hand uitstrekkende over Zijn discipelen, zeide Hij: Zie, Mijn moeder en Mijn broeders.
50 oWant zo wie den wil Mijns Vaders doet, Die in de hemelen is, dezelve is Mijn broeder en zuster en moeder. o Joh. 15:14. 2 Kor. 5:16. Gal. 5:6; 6:15. Kol. 3:11. verwijsteksten

Einde Mattheüs 12