Statenvertaling.nl

sample header image

Mattheüs 10 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28
Inleiding Bijbelboek
Inleiding Nieuwe Testament
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Mattheüs 10

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

1 Christus geeft Zijn apostelen macht om wonderwerken te doen. 2 Hun namen. 5 Zendt hen om te prediken onder het volk van Israël. 8 Onderricht hen hoe zij zich tot de reis schikken, en hoe zij zich gedragen zullen jegens degenen die hen ontvangen en niet ontvangen. 16 Wat hun voor zwarigheid ontmoeten zal, en waarmede zij zich in dit alles hebben te troosten. 32 Leert wat voor loon zij hebben te verwachten die Hem standvastelijk belijden. 40 En jegens Zijn dienstknechten weldadig zijn.
 
De uitzending der twaalve
1 ENa Zijn twaalf discipelen tot Zich geroepen hebbende, heeft Hij hun 1macht gegeven 2over de onreine geesten, om dezelve uit te werpen, en om alle ziekte en alle kwaal te genezen.
a Mark. 3:13. Luk. 6:13; 9:1. verwijsteksten
1 Namelijk om in Zijn Naam en door de kracht Gods, niet door hun kracht, wonderen te doen. Zie Hand. 3:12, 16. verwijsteksten
2 Of: tegen.
 
2 De namen nu der twaalf apostelen zijn deze: de 3eerste, Simon, gezegd Petrus, en Andréas, zijn broeder; Jakobus, de zoon van Zebedéüs, en Johannes, zijn broeder;
3 Petrus wordt hier de eerste genaamd, niet omdat hij macht en autoriteit had over de anderen, hetwelk Gods Woord nergens leert, alzo de apostelen in dezen elkander gelijk waren, Joh. 20:22, 23, maar omdat hij zo het schijnt, de oudste en van Christus tot het apostelschap eerst geroepen was, Matth. 4:18. Anders wordt ook Jakobus eerst genaamd voor Petrus, Gal. 2:9. Of omdat hij eerst met zijn broeder Andreas het eerste paar is dat uitgezonden werd. verwijsteksten
 
3 Filippus en Bartholoméüs; Thomas en Matthéüs, de 4tollenaar; Jakobus, de zoon van Alféüs, en Lebbéüs, toegenaamd 5Thaddéüs;
4 Dat is, die tollenaar geweest was. Zie Matth. 9:9. Wordt ook Levi genaamd, Mark. 2:14. Luk. 5:27, 29. verwijsteksten
5 Thaddai in het Syrisch, is Judas in het Hebreeuws, hetwelk zijn voornaam was. Zie Joh. 14:22. Hoewel sommigen menen dat dit nog een derde naam is van dezen apostel, van een anderen oorsprong. Is ook toegenaamd Lebbeüs. verwijsteksten
 
4 Simon 6Kananítes, en Judas 7Iskáriot, die Hem ook 8verraden heeft.
6 Dat is, ijveraar. Gr. Zelotes. Gelijk de eerste Simon is toegenaamd Petrus, zo is deze tweede toegenaamd Kananites, dat is, ijveraar, om van den ander onderscheiden te worden. Zie Luk. 6:15. Hand. 1:13. verwijsteksten
7 Sommigen menen dat deze Judas zo genaamd wordt van de stad Kerioth, gelegen in den stam van Juda, Joz. 15:25, anderen van secarjuth, hetwelk een buidel betekent, omdat hij de beurs droeg, Joh. 12:6. verwijsteksten
8 Gr. overgeleverd heeft.
 
5 Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden, en hun bevel gegeven, zeggende: Gij zult niet heengaan op den weg der heidenen, en gij zult niet ingaan in enige stad der 9Samaritanen;
9 De Samaritanen worden hier bij de heidenen gevoegd en onderscheiden, omdat, hoewel zij van heidense afkomst waren, zij vele ceremoniën der Joden aangenomen hadden. Zie 2 Koningen 17. verwijsteksten
 
6 bMaar gaat veelmeer heen tot de verloren schapen van het huis 10Israëls.
b Hand. 3:26; 13:26, 46. verwijsteksten
10 Dat is, Joden, die als dwalende schapen zonder oprechte leraars waren. Dezen moest het Evangelie eerst gepredikt worden, Matth. 15:24. Hand. 13:46. verwijsteksten
 
7 En heengaande cpredikt, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.
c Luk. 9:2. verwijsteksten
 
8 dGeneest de 11kranken, reinigt de melaatsen, wekt de doden op, werpt de duivelen uit. eGij hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet.
d Luk. 10:9. verwijsteksten
11 Gr. krachtelozen.
e Hand. 8:18, 20. verwijsteksten
 
9 f12Verkrijgt u noch goud noch zilver noch kopergeld in uw 13gordels,
f Mark. 6:8. Luk. 9:3; 22:35. verwijsteksten
12 Namelijk tot voorraad op uw reis.
13 Of: buidels. Want de Joden hadden brede riemen of gordels, om hun lange klederen daarmede op te schorten, waarin zij ook hun geld droegen.
 
10 Noch male tot den weg, noch 14twee rokken, noch schoenen, noch staf; gwant de arbeider is zijn voedsel waardig.
14 Dat is, geen klederen dan die zij zouden aanhebben.
g Lev. 19:13. Deut. 24:14; 25:4. Luk. 10:7. 1 Kor. 9:4, 14. 1 Tim. 5:18. verwijsteksten
 
11 hEn in wat stad of vlek gij zult inkomen, onderzoekt wie daarin 15waardig is; en blijft aldaar totdat gij 16daar uitgaat.
h Mark. 6:10. Luk. 9:4; 10:8. verwijsteksten
15 Dat is, die het Evangelie gaarne willen aannemen, Hand. 2:41, welke waardigheid niemand van zichzelven heeft, maar die de Heere door Zijn Geest daartoe waardig en bekwaam maakt, Matth. 22:8, 9. 2 Kor. 3:5. verwijsteksten
16 Dat is, uit die stad.
 
12 En als gij in het huis gaat, zo 17groet hetzelve.
17 Dat is, wenst dengenen die daarin wonen, geluk en vrede, gelijk in het volgende vers blijkt. Anderen doen daarbij: zeggende: Vrede zij dezen huize. Zie Luk. 10:5. verwijsteksten
 
13 En indien dat huis waardig is, zo kome uw vrede over datzelve; maar indien het niet waardig is, zo kere uw vrede weder tot u.
14 iEn zo iemand u niet zal ontvangen, noch uw woorden horen, uitgaande uit dat huis of uit dezelve stad, kschudt het 18stof uwer voeten af.
i Mark. 6:11. Luk. 9:5. verwijsteksten
k Hand. 13:51; 18:6. verwijsteksten
18 Om daarmede te betekenen, dat zij met hen voortaan gans geen gemeenschap begeerden te hebben. Zie Hand. 13:51; 18:6. Zie ook dergelijk Neh. 5:13. verwijsteksten
 
15 lVoorwaar zeg Ik u: Het zal 19den lande van Sódom en Gomórra verdraaglijker zijn in den dag des oordeels dan dezelve stad.
l Mark. 6:11. Luk. 10:12. verwijsteksten
19 Of: den lande van die van Sodom en Gomorra.
 
Niet vrezen
16 mZie, Ik zend u als schapen in het midden der wolven; zijt dan voorzichtig gelijk de slangen, en 20oprecht gelijk de duiven.
m Luk. 10:3. verwijsteksten
20 Of: eenvoudig. Het Griekse woord is genomen bij gelijkenis van dingen die onvermengd en onvervalst zijn.
 
17 Maar wacht u voor de mensen; nwant zij zullen u overleveren in de 21raadsvergaderingen, en in hun synagogen zullen zij u geselen.
n Matth. 24:9. Luk. 21:12. Joh. 15:20; 16:2. Openb. 2:10. verwijsteksten
21 Gr. synedria. Zie daarvan de verklaring Matth. 5:22, en een voorbeeld Hand. 5:40. verwijsteksten
 
18 oEn gij zult ook voor 22stadhouders en koningen geleid worden om Mijnentwil, hun en den heidenen tot getuigenis.
o Hand. 24:1; 25:4. verwijsteksten
22 Namelijk der provincies, gelijk waren Festus en Felix en dergelijken. Zie Hand. 24:10. 1 Petr. 2:14. verwijsteksten
 
19 pDoch wanneer zij u overleveren, zo zult gij niet 23bezorgd zijn hoe of wat gij spreken zult; want het zal u in dezelve ure gegeven worden wat gij spreken zult.
p Mark. 13:11. Luk. 12:11; 21:14. verwijsteksten
23 Niet dat wij ons tevoren niet zouden mogen bedenken, of God om wijsheid bidden, maar dat wij daarover niet te zeer beangst of bekommerd moeten zijn. Zie Hand. 4:29. verwijsteksten
 
20 Want gij zijt niet die spreekt, maar het is de Geest uws Vaders, Die in u spreekt.
21 qEn de ene broeder zal den anderen broeder overleveren tot den dood, en de vader het kind; en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders en zullen hen 24doden.
q Micha 7:2, 5. Luk. 21:16. verwijsteksten
24 Of: ter dood brengen.
 
22 En gij zult van allen gehaat worden om Mijn Naam; rmaar die volstandig zal blijven tot het einde, die zal zalig worden.
r Matth. 24:13. Mark. 13:13. Luk. 21:19. Openb. 2:10; 3:10. verwijsteksten
 
23 sWanneer zij u dan in deze stad vervolgen, vliedt in de andere; want voorwaar zeg Ik u: Gij zult uw reis door de steden Israëls niet geëindigd hebben, of de Zoon des mensen zal 25gekomen zijn.
s Matth. 2:13; 4:12; 12:15. Hand. 8:1; 9:25; 14:6. verwijsteksten
25 Dat is, zal wederom bij u komen en u ontmoeten.
 
24 tDe discipel is niet boven den meester, noch de dienstknecht boven zijn heer.
t Luk. 6:40. Joh. 13:16; 15:20. verwijsteksten
 
25 Het zij den discipel genoeg dat hij worde gelijk zijn meester, en de dienstknecht gelijk zijn heer. vIndien zij den Heere des huizes 26Beëlzebul hebben geheten, hoeveel te meer Zijn huisgenoten!
v Matth. 9:34; 12:24. Mark. 3:22. Luk. 11:15. Joh. 8:48. verwijsteksten
26 Anderen lezen Beëlzebub, welke was de opperste afgod der Ekronieten, 2 Kon. 1:2. Met welken naam de Joden den overste der duivelen noemden, omdat de afgoden der heidenen duivelen waren. Zie 1 Kor. 10:20. verwijsteksten
 
26 xVreest dan hen niet; ywant er is niets bedekt hetwelk niet zal ontdekt worden, en verborgen hetwelk niet zal geweten worden.
x Jes. 8:12. Jer. 1:8. verwijsteksten
y Job 12:22. Mark. 4:22. Luk. 8:17; 12:2. verwijsteksten
 
27 Hetgeen Ik u zeg in de duisternis, zegt het in het licht; en hetgeen gij hoort 27in het oor, predikt dat 28op de daken.
27 Dat is, wat gij van Mij in het bijzonder hebt gehoord, verkondigt het openbaarlijk of overluid.
28 De daken van de Joodse huizen waren boven plat, met een leuning rondom, vanwaar men bekwamelijk de lieden op de straten kon aanspreken. Zie Deut. 22:8. verwijsteksten
 
28 zEn vreest niet voor degenen die het lichaam doden en de ziel niet kunnen doden; maar vreest veelmeer Hem Die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel.
z Jer. 1:8. Luk. 12:4. verwijsteksten
 
29 Worden niet twee 28*musjes om 29een penningsken verkocht? En niet één van deze zal op de aarde vallen zonder uw Vader.
28* Anders: vogeltjes.
29 Gr. assarion, hetwelk een penningsken was, wegende omtrent vier greinen of azen zilver, doende omtrent een duit.
 
30 aEn ook uw haren des hoofds zijn alle geteld.
a 1 Sam. 14:45. verwijsteksten
 
31 Vreest dan niet; gij gaat vele musjes te boven.
32 bEen iegelijk dan die Mij belijden zal voor de mensen, dien zal Ik ook 30belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is.
b Mark. 8:38. Luk. 9:26; 12:8. 2 Tim. 2:12. verwijsteksten
30 Dat is, voor Mijn ware discipelen erkennen. Gelijk verloochenen is voor Zijn ware discipelen niet erkennen. Zie Matth. 7:23. verwijsteksten
 
33 Maar zo wie Mij verloochend zal hebben voor de mensen, dien zal Ik ook verloochenen voor Mijn Vader, Die in de hemelen is.
 
Jezus brengt verdeeldheid
34 cMeent niet dat Ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het 31zwaard.
c Luk. 12:51. verwijsteksten
31 Dat is, onenigheid en vervolging, die op de predicatie zou volgen, waarvan oorzaak is, niet eigenlijk Christus, Die de Vredevorst is, Jes. 9:5, of Zijn Evangelie, hetwelk een Evangelie des vredes is, Ef. 6:15, maar de moedwil dergenen die hetzelve verwerpen en de gelovigen haten en vijandelijk vervolgen. verwijsteksten
 
35 dWant Ik ben gekomen om den mens tweedrachtig te maken tegen zijn vader, en de dochter tegen haar moeder, en de 32schoondochter tegen haar schoonmoeder.
d Micha 7:6. verwijsteksten
32 Gr. nieuwgehuwde, of bruid.
 
36 eEn zij zullen des mensen vijanden worden, die zijn huisgenoten zijn.
e Ps. 41:10; 55:13. Joh. 13:18. verwijsteksten
 
37 fDie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig; en die zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig;
f Luk. 14:26. verwijsteksten
 
38 gEn die zijn kruis niet op zich neemt en Mij navolgt, is Mijns niet waardig.
g Matth. 16:24. Mark. 8:34. Luk. 9:23; 14:27. verwijsteksten
 
39 hDie zijn 33ziel vindt, zal dezelve verliezen; en die zijn ziel zal verloren hebben om Mijnentwil, zal dezelve vinden.
h Matth. 16:25. Mark. 8:35. Luk. 9:24; 17:33. Joh. 12:25. verwijsteksten
33 Dat is, die zijn leven zal willen behouden met verloochening van Mijn Naam, die zal het ware leven, namelijk de zaligheid, verliezen.
 
40 iDie u ontvangt, ontvangt Mij; en die Mij ontvangt, ontvangt Hem Die Mij gezonden heeft.
i Luk. 10:16. Joh. 13:20. verwijsteksten
 
41 kDie een profeet ontvangt 34in den naam eens profeten, zal het loon eens profeten ontvangen; en die een rechtvaardige ontvangt in den naam eens rechtvaardigen, zal het loon eens rechtvaardigen ontvangen.
k 1 Kon. 17:10; 18:4. 2 Kon. 4:8. verwijsteksten
34 Dat is, deswege, dat hij een profeet of oprechte leraar is van het Heilig Evangelie.
 
42 lEn zo wie een van deze 35kleinen te drinken geeft alleenlijk 36een beker koud water in den naam eens discipels, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon geenszins verliezen.
l Matth. 25:40. Mark. 9:41. Hebr. 6:10. verwijsteksten
35 Dat is, die hier kleingeacht worden; of die voor de allerminsten zouden mogen gerekend worden.
36 Dat is, ook den allerminsten dienst of weldaad, omdat hij een rechte discipel en lidmaat van Christus is.

Einde Mattheüs 10