Statenvertaling.nl

sample header image

Numeri 23 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Numeri 23

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

De eerste zegening: dat volk zal alleen wonen
1 TOEN zeide Bíleam tot Balak: Bouw mij hier zeven altaren, en bereid mij hier zeven varren en zeven rammen.
2 Balak nu deed gelijk als Bíleam gesproken had; en Balak en Bíleam offerden een var en een ram op elk altaar.
3 Toen zeide Bíleam tot Balak: Blijf staan bij uw brandoffer en ik zal heengaan; misschien zal de HEERE mij tegemoetkomen; en hetgeen dat Hij wijzen zal, dat zal ik u bekendmaken. Toen ging hij op de hoogte.
4 Als God Bíleam ontmoet was, zo zeide hij tot Hem: Zeven altaren heb ik toegericht en heb een var en een ram op elk altaar geofferd.
5 Toen legde de HEERE het woord in Bíleams mond, en zeide: Keer weder tot Balak en spreek aldus.
6 Als hij nu tot hem wederkeerde, zie, zo stond hij bij zijn brandoffer, hij en al de vorsten der Moabieten.
7 Toen hief hij zijn spreuk op en zeide: Uit Syrië heeft mij Balak, de koning der Moabieten, laten halen, van het gebergte tegen het oosten, zeggende: Kom, vervloek mij Jakob, en kom, scheld Israël.
8 Wat zal ik vloeken, dien God niet vloekt; en wat zal ik schelden, daar de HEERE niet scheldt?
9 Want van de hoogte der steenrotsen zie ik hem en van de heuvelen aanschouw ik hem; zie, adat volk zal alleen wonen en het zal onder de heidenen niet gerekend worden. a Deut. 33:28. verwijsteksten
10 Wie zal het stof van Jakob tellen en het getal, ja, het vierde deel van Israël? Mijn ziel sterve den dood der oprechten, en mijn uiterste zij gelijk het zijne.
 
De tweede zegening: Gods trouw over Zijn volk
11 Toen zeide Balak tot Bíleam: Wat hebt gij mij gedaan? Ik heb u genomen om mijn vijanden te vloeken; maar zie, gij hebt hen doorgaans gezegend.
12 Hij nu antwoordde en zeide: Zal ik dat niet waarnemen te spreken, wat de HEERE in mijn mond gelegd heeft?
13 Toen zeide Balak tot hem: Kom toch met mij aan een andere plaats, vanwaar gij hem zult zien; gij zult niet dan zijn einde zien, maar hem niet ganselijk zien; en vervloek hem mij vandaar.
14 Alzo nam hij hem mede tot het veld Zofim, op de hoogte van Pisga; en hij bouwde zeven altaren en hij offerde een var en een ram op elk altaar.
15 Toen zeide hij tot Balak: Blijf hier staan bij uw brandoffer, en ik zal Hem aldaar ontmoeten.
16 Als de HEERE Bíleam ontmoet was, bzo legde Hij het woord in zijn mond, en Hij zeide: Keer weder tot Balak en spreek alzo. b Num. 22:35. verwijsteksten
17 Toen hij tot hem kwam, zie, zo stond hij bij zijn brandoffer en de vorsten der Moabieten bij hem. Balak nu zeide tot hem: Wat heeft de HEERE gesproken?
18 Toen hief hij zijn spreuk op en zeide: Sta op, Balak, en hoor; neig uw oren tot mij, gij zoon van Zippor.
19 cGod is geen man, dat Hij liegen zou, noch eens mensen kind, dat het Hem berouwen zou; zou Hij het zeggen en niet doen, of spreken en niet bestendig maken? c 1 Sam. 15:29. Jak. 1:17. verwijsteksten
20 Zie, ik heb ontvangen te zegenen; dewijl Hij zegent, zo zal ik het niet keren.
21 Hij dschouwt niet aan de ongerechtigheid in Jakob, ook ziet Hij niet aan de boosheid in Israël; de HEERE zijn God is met hem, en het geklank des Konings is bij hem. d Ps. 32:1, 2; 51:11. Jer. 50:20. Rom. 4:7. verwijsteksten
22 God heeft hen uit Egypte uitgevoerd; ezijn krachten zijn als van een eenhoorn. e Num. 24:8. verwijsteksten
23 Want er is geen toverij tegen Jakob, noch waarzeggerij tegen Israël. Te dezen tijde zal van Jakob gezegd worden en van Israël, wat God gewrocht heeft.
24 Zie, het volk zal opstaan als een oude leeuw en het zal zich verheffen als een leeuw; het zal zich niet nederleggen, totdat het den roof gegeten en het bloed der verslagenen gedronken zal hebben.
 
De derde zegening: Israëls vrede en voorspoed
25 Toen zeide Balak tot Bíleam: Gij zult het ganselijk noch vloeken, noch geenszins zegenen.
26 Doch Bíleam antwoordde en zeide tot Balak: Heb ik niet tot u gesproken, zeggende: Al wat de HEERE spreken zal, dat zal ik doen?
27 Verder zeide Balak tot Bíleam: Kom toch, ik zal u aan een andere plaats medenemen; misschien zal het recht zijn in de ogen van dien God, dat gij het mij vandaar vervloekt.
28 Toen nam Balak Bíleam mede tot de hoogte van Peor, die tegen de woestijn ziet.
29 En Bíleam zeide tot Balak: Bouw mij hier zeven altaren, en bereid mij hier zeven varren en zeven rammen.
30 Balak nu deed gelijk als Bíleam gezegd had; en hij offerde een var en een ram op elk altaar.

Einde Numeri 23