Statenvertaling.nl

sample header image

Zacharia 8 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Zacharia 8

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

De profeet troost de Joden, die in het bouwen des tempels bezig waren, dat God de Heere hen rijkelijk zegenen zou, en dat Hij Zijn vervallen kerk door Christus wederom opbouwen zou, vs. 1, enz. Daarna vermaant hij hen tot godzaligheid, 16. Met belofte dat zij in plaats van de vorige ellenden vreugd hebben zouden, 18. Eindelijk spreekt hij van de beroeping der heidenen tot Christus, 20.
 
Het komende heil
1 DAARNA geschiedde het woord des HEEREN der heirscharen tot mij, zeggende:
2 Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Ik heb 1geijverd 2over Sion met een groten ijver, ja, met grote grimmigheid aheb Ik over haar geijverd.
1 Te weten om Sion te verlossen van de schande en schade die haar vijanden haar aangedaan hebben. Ik ben met groten toorn ontstoken over degenen die haar tiranniglijk vervolgd en benauwd hebben, te weten de Babyloniërs. Vgl. Jes. 9:6 en de aant. aldaar. verwijsteksten
2 Dat is, over Jeruzalem, gebouwd op den berg Sion.
a Zach. 1:14. verwijsteksten
 
3 Alzo zegt de HEERE: Ik ben wedergekeerd tot Sion, en Ik zal in het midden van Jeruzalem wonen; en Jeruzalem zal geheten worden 3een stad der waarheid, en de berg des HEEREN der heirscharen een berg der heiligheid.
3 Dat is, een stad in dewelke de liefhebbers der waarheid en heiligheid wonen zullen; en waar de waarheid zal gepredikt en aangenomen worden. Vgl. vss. 8, 16. Zef. 3:13. 1 Tim. 3:15. Zie het tegendeel Jes. 1:21. verwijsteksten
 
4 Alzo zegt de HEERE der heirscharen: 4Er zullen nog oude mannen en oude vrouwen zitten op de straten van Jeruzalem; en ieder zal zijn stok in zijn hand hebben 5vanwege de veelheid der dagen.
4 Dat is, Ik zal de inwoners van Jeruzalem zegenen met een groten ouderdom en met vele kinderen, vers 5. Dezen zegen hebben naar de letter genoten Zerubbabel, Jozua, Ezra, Nehemia en andere godzalige personen. Doch deze tijdelijke beloften en zegeningen moeten inzonderheid op de geestelijke weldaden van het Rijk van Christus geduid worden, want de kinderen Gods zullen eeuwiglijk in vreugde in het hemelse Jeruzalem leven. verwijsteksten
5 Vanwege zijn ouderdom.
 
5 En de straten dier stad zullen vervuld worden met knechtjes en meisjes, spelende op 6haar straten.
6 Te weten Jeruzalems.
 
6 Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Omdat 7het 8wonderlijk is in de ogen van het overblijfsel dezes volks 9in deze dagen, zou het daarom ook in Mijn ogen wonderlijk zijn? spreekt de HEERE der heirscharen.
7 Te weten hetwelk daarstraks gezegd is.
8 Of: onmogelijk, als Gen. 18:14. Wat bij de mensen onmogelijk is, dat is mogelijk bij God. verwijsteksten
9 Dat is, te dezen tijde, alzo ook vss. 9, 23. verwijsteksten
 
7 Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Zie, 10Ik zal Mijn volk verlossen uit het land des opgangs, en uit het land 11des nedergangs der zon.
10 De zin is: Ik zal Mijn volk verzamelen en samenbrengen, door de predicatie van het Heilig Evangelie, van alle hoeken en kanten der ganse wereld. Vgl. Matth. 8:11. Luk. 13:29. verwijsteksten
11 Hebr. des ingangs, te weten der zon. Zie Ps. 19:6. verwijsteksten
 
8 En Ik zal hen herwaarts brengen, 12dat zij in het midden van Jeruzalem wonen zullen; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, 13in waarheid en in gerechtigheid.
12 Dat is, zij zullen lidmaten Mijner kerk zijn.
13 Dat is, Ik zal hun zekerlijk geven hetgeen Ik hun beloofd heb, en Ik zal hen rechtvaardig maken door Jezus Christus. Vgl. Hos. 2:18, 19. verwijsteksten
 
9 Alzo zegt de HEERE der heirscharen: 14Laat uw handen sterk zijn, gijlieden die in deze dagen deze woorden gehoord hebt uit den mond der profeten 15die geweest zijn ten dage als de grond van het huis des HEEREN der heirscharen gelegd is, dat de tempel gebouwd zou worden.
14 Dat is, vaart dapper voort met den bouw des tempels, bezijden stellende uw eigen profijt, den kwaden raad der te zeer achterdochtige mensen, of de vrees voor de vijanden; hoort en gehoorzaamt de woorden en vermaningen der profeten alleen, als daar zijn Haggaï, ik, Zacharia, en anderen. Zie Ezra 5:1, 2. verwijsteksten
15 Anders: dat men van dien dag aan, als de grond gelegd is aan het huis des Heeren der heirscharen, den tempel zou gebouwd hebben.
 
10 Want 16vóór die dagen 17kwam des mensen loon teniet, en het loon 18van het vee 19was geen; en 20de uitgaande en de inkomende hadden geen vrede 21vanwege den vijand, want 22Ik zond alle mensen een iegelijk tegen zijn naaste.
16 Te weten, in dewelke nu niet voortgevaren is met den bouw des tempels.
17 Naar de Hebreeuwse letter: was het loon des mensen niet. De zin is: Gelijk gijlieden traag en spaarzaam waart in het opbouwen van den tempel, alzo was ook de Heere traag en spaarzaam in ulieden Zijn zegen te geven, maar alle ding was duur, en gij werdt van uw vijanden jammerlijk geplaagd. Ja, het was al tevergeefs wat gijlieden bij de hand naamt, God vervloekte al uw arbeid. Zie Hagg. 1:6, 10; 2:16, 17. verwijsteksten
18 Of: van het dier, te weten van het lastdragende vee of dier, als daar zijn paarden, kemels, ezels, ossen, enz. De mensen verdienden geen geld met dezelve, daar was niets te doen.
19 Dat is, al hun arbeid was tevergeefs, het land droeg geen vruchten, ofschoon het bearbeid en bebouwd werd.
20 Dat is, niemand mocht of kon met vrede uit of in Jeruzalem komen; de lopende en stropende soldaten, ja, zelfs enigen uwer vijanden, die ulieden uw welvaart misgunden en niet gaarne zagen dat Jeruzalem weder opgebouwd werd, deden ulieden allen hinder en schade, waar zij konden of mochten. Vergelijk hiermede de dreigementen Gods Deut. 28:16, 19. 2 Kron. 15:5. verwijsteksten
21 Of: vanwege de benauwing. Het Hebreeuwse woord betekent een vijand en een vijandelijke benauwing.
22 De zin is: Ik beschikte door Mijn rechtvaardig oordeel, dat de mensen elkander vervolgden en verdierven; ja, Ik zond hen tegen elkander aan. De Heere gebruikt dikwijls kwade instrumenten om Zijn goede voornemen uit te voeren. Zie Joël 2:25. verwijsteksten
 
11 Maar 23nu zal Ik aan het overblijfsel dezes volks niet wezen 24gelijk in de vorige dagen, spreekt de HEERE der heirscharen.
23 Te weten, nu gij in den bouw van Mijn tempel kloekelijk voortvaart, betonende dat u Mijn godsdienst ter harte gaat, zo zal Ik Mij tegen de overgeblevenen zo streng niet bewijzen.
24 Te weten toen de bouw des tempels stil bleef staan.
 
12 Want 25het zaad zal voorspoedig zijn, de wijnstok zal zijn vrucht geven, en de aarde zal haar inkomen geven, en de hemelen zullen hun dauw geven; en Ik zal het overblijfsel dezes volks dit alles 26doen erven.
25 Hebr. het zal zaad des vredes zijn, dat is, het zal wel gedijen, het zal in vrede gezaaid worden en in vrede opwassen.
26 Dat is, laten genieten, te bezitten geven, volgens de belofte Gods Deut. 28:8, 11, 12. Ps. 65:10; 67:7. Joël 2:22. verwijsteksten
 
13 En het zal geschieden, gelijk als gij, o huis van Juda, en gij, o huis van Israël, geweest zijt 27een vloek onder de heidenen, alzo zal Ik ulieden behoeden, en 28gij zult een zegening wezen; vreest niet, laat uw handen sterk zijn.
27 Dat is, met allerlei vloek, jammer en ellende als overstelpt.
28 Dat is, gij zult van Mij gezegend en met allerlei goed begenadigd worden. Zie Gen. 12:2, en vgl. Hagg. 2:20. verwijsteksten
 
14 Want alzo zegt de HEERE der heirscharen: 29Gelijk als Ik gedacht heb 30ulieden 31kwaad te doen, toen Mij uw vaders grotelijks vertoornden, zegt de HEERE der heirscharen, en het heeft Mij niet berouwd;
29 Zie Ez. 18, de aantt. op vss. 19, 20, enz. verwijsteksten
30 Die van het Joodse volk, zo den vaderen als die nog uit de gevangenis overig waren.
31 Dat is, te plagen.
 
15 Alzo denk Ik wederom in deze dagen goed te doen aan Jeruzalem, en aan het huis van Juda; vreest niet.
16 Dit zijn de dingen die gij doen zult: bSpreekt de waarheid, een iegelijk met zijn naaste; oordeelt de waarheid en een oordeel des vredes 32in uw poorten.
b Ef. 4:25. verwijsteksten
32 Dat is, in uw publieke samenkomsten en rechtbanken, die men eertijds in de stadspoorten placht te houden. Zie Gen. 34 op vers 20. Deut. 22:15. verwijsteksten
 
17 En cdenkt niet de een des anderen kwaad in ulieder hart; en dhebt een valsen eed niet lief; want 33al deze zijn dingen die Ik haat, spreekt de HEERE.
c Zach. 7:10. verwijsteksten
d Zach. 5:3, 4. verwijsteksten
33 Of: al deze zijn het die Ik haat. En derhalve, wil de Heere zeggen, behoordet gijlieden dezelve ook te haten.
 
18 Wederom geschiedde het woord des HEEREN der heirscharen tot mij, zeggende:
19 Alzo zegt de HEERE der heirscharen: 34Het vasten der vierde, en 35het vasten der vijfde, en het vasten 36der zevende, en 37het vasten der tiende maand zal 38het huis van Juda 39tot vreugde en tot blijdschap en tot vrolijke hoogtijden wezen; hebt dan de waarheid en den vrede lief.
34 Ingesteld ter gedachtenis dat de stad is doorgebroken geworden, Jer. 52:7. verwijsteksten
35 Zie Zach. 7:3. verwijsteksten
36 Zie Zach. 7:5. verwijsteksten
37 Ingesteld ter gedachtenis dat Jeruzalem is begonnen belegerd te worden, Jer. 52:4. Zie ook 2 Koningen 25. verwijsteksten
38 Dat is, stam, geslacht van Juda.
39 De zin is: Al het leed hetwelk gijlieden tot nog toe gehad hebt, zal in vreugd veranderd worden; te weten voor zover gij u tot den Heere bekeert en naarstig zijt in het opbouwen van Mijn huis.
 
20 Alzo zegt de HEERE der heirscharen: 40Nog zal het geschieden dat de volken en de inwoners van vele steden komen zullen;
40 Dit is een profetie van de roeping en bekering der heidenen tot Christus. Zie de vervulling Hand. 2:5, enz.; 8:27; 10:1. verwijsteksten
 
21 En de inwoners der ene stad zullen gaan tot de inwoners der andere, zeggende: 41Laat ons vlijtig heengaan, om te smeken het aangezicht des HEEREN en om den HEERE der heirscharen te zoeken; 42ik zal ook heengaan.
41 Anders: Laat ons gaan, laat ons gaan. Hebr. Laat ons gaande gaan.
42 Aldus zal de een tot den ander spreken. Anders: laat mij ook heengaan.
 
22 Alzo zullen vele volken en 43machtige heidenen komen, om den HEERE der heirscharen te Jeruzalem te zoeken, en om het aangezicht des HEEREN te smeken.
43 Of: machtig vele, dat is, sterk in getal, grote hopen.
 
23 Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Het zal in die dagen geschieden dat 44tien mannen uit allerlei tongen der heidenen grijpen zullen, ja, 45de slip grijpen zullen van één Joodsen man, zeggende: 46Wij zullen met ulieden gaan, want wij hebben gehoord dat God met ulieden is.
44 Dat is, vele, als Lev. 26:26. Hiermede wordt te verstaan gegeven, dat de heidenen in groten getale en met groten ijver zich zullen begeven tot de christelijke kerk, die eertijds alleen bij de Joden was. Vgl. Jes. 2:3. Micha 4:2. verwijsteksten
45 Of: zoom. Hebr. vleugel, te weten vleugel of slip van het kleed.
46 Of: Laat ons met ulieden gaan.

Einde Zacharia 8