Statenvertaling.nl

sample header image

Zacharia 3 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Zacharia 3

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Het vierde gezicht, te weten de hogepriester Jozua, in wiens persoon afgebeeld wordt, dat God Zijn kerk liefheeft, haar haar zonden vergeeft, haar heiligt en tegen den duivel beschut, vs. 1, enz. Christus wordt beloofd, Die al onze zonden verdelgt en den waren vrede medebrengt, 8.
 
Jozua gerechtvaardigd
1 DAARNA toonde 1Hij mij 2Jozua, 3den hogepriester, staande 4voor het aangezicht van den Engel des HEEREN, en 5de satan stond 6aan zijn rechterhand 7om hem te wederstaan.
1 Te weten de Engel, zie Zach. 2:3, 4. verwijsteksten
2 Van dezen Jozua wordt ook mentie gemaakt Hagg. 1:1, 12; 2:3. Hij wordt alhier gesteld als een beeld der kerk, dewijl hij te dien tijde als de voornaamste opziener of voorstander derzelve op aarde geweest is, zijnde hogepriester; doch anderszins, aangezien hij het volk uit de Babylonische gevangenis geleid en den tempel herbouwd heeft en hogepriester was, is hij ook geweest een voorbeeld van Jezus Christus, in den naam en in de daad. verwijsteksten
3 Hebr. den groten priester.
4 Jozua stond voor dien Engel, dat is, Christus, als een beschuldigde voor zijn rechter, de satan zijnde de aanklager. Anderen nemen hier staan voor dienen, als Ps. 135:2. verwijsteksten
5 Dit betekent een tegenpartijder of wederstander. Zie Job 1 op vers 6. verwijsteksten
6 Te weten aan Jozua’s rechterhand.
7 Dat is, dat hij hem (te weten Jozua) voor Christus aanklaagde en beschuldigde, als niet waardig zijnde dat de tempel onder zijn beleid zou herbouwd worden. Zie Openb. 12:10. De Hebreeuwse woorden die hier gebruikt worden, luiden zoveel alsof wij zeiden: de tegenstander stond om hem tegen te staan. Vergelijk met de woorden van den tekst Ef. 6:12. verwijsteksten
 
2 Doch 8de HEERE zeide tot den satan: 9aDe HEERE 10schelde u, gij satan, ja, de HEERE schelde u, Die Jeruzalem 11verkiest; is 12deze niet 13een vuurbrand 14uit het vuur gerukt?
8 Te weten de Zone Gods, Dien hij tevoren den Engel des Heeren genoemd heeft.
9 Dat is, God de Vader.
a Jud. vs. 9. verwijsteksten
10 Dat is, drijve u terug met uw valse aanklacht, Hij make u te schande, verstote en verdoeme u, en rechtvaardige Zijn getrouwen dienaar Jozua. Zie Jud. vs. 9. verwijsteksten
11 Zie Zach. 1:17; 2:12. verwijsteksten
12 Te weten de hogepriester Jozua.
13 Zie Jes. 7 op vers 4. Anders: als een vuurbrand uit het vuur gered? verwijsteksten
14 Dat is, uit de Babylonische gevangenis; of: uit den algemenen ondergang gered; opdat Ik Mijn genade aan hem bewijzen zou. Waarom begeert gij dan, dat Ik hem zou te schande maken? Zie Amos 4:11. verwijsteksten
 
3 Jozua nu was bekleed 15met vuile klederen, als hij voor het aangezicht 16des Engels stond.
15 Dat is, met bezoedelde, onreine, bevlekte klederen, waarmede zijn zonden en onreinheden werden aangewezen, als blijkt uit vers 4. verwijsteksten
16 Te weten des Engels van Denwelken vers 1 gesproken is, Die de Heere Christus was. verwijsteksten
 
4 Toen 17antwoordde 18Hij en sprak 19tot degenen die voor Zijn aangezicht stonden, zeggende: Doet deze vuile klederen van hem weg. Daarna sprak Hij 20tot hem: b21Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u 22weggenomen en Ik zal u 23wisselklederen aandoen.
17 Dat is, sprak.
18 Te weten Christus, Die de zonden vergeeft en den onrechtvaardige rechtvaardig spreekt. Alzo ook straks wederom: Daarna (te weten nadat zij hem de vuile klederen hadden uitgetrokken) sprak Hij, te weten Christus.
19 Dat is, tot de andere engelen, die Zijn dienaars zijn, altijd vaardig staande om Zijn bevelen te verrichten, Hebr. 1:14. verwijsteksten
20 Te weten tot Jozua.
b Micha 7:18. verwijsteksten
21 Dat is, hieruit zult gij de waarheid dezer zaak vernemen, dat Ik uw ongerechtigheden van u heb weggenomen, die door het vuile kleed vers 3 werden betekend. Vgl. Jes. 6:7. Jer. 1:9. verwijsteksten
22 Zie 2 Sam. 12 op vers 13. verwijsteksten
23 Aldus worden genoemd nieuwe, zuivere, schone klederen, die men alleen op feestdagen aandeed. Zie Richt. 14:12. Hier wordt door de wisselklederen verstaan de gerechtigheid van Christus, ware heiligheid of geestelijk sieraad. Vgl. Matth. 22:11. Luk. 15:22. verwijsteksten
 
5 24Dies zeg Ik: Laat hen een reinen 25hoed op zijn hoofd zetten. En zij zetten dien reinen hoed op zijn hoofd, en zij togen hem 26klederen aan, en de Engel des HEEREN 27stond daarbij.
24 Anders: Toen zeide ik, te weten bij mijzelven, als zijnde woorden van den profeet, wensende dat zulks door den wil des Heeren mocht geschieden.
25 Van het woord hoed zie de aant. Ex. 28 op vers 4. De hoed beduidt het priesterlijk ambt, waartoe de Heere Jozua heeft verordineerd en bevestigd, nadat Hij hem van zijn zonden gereinigd en geheiligd had. Zie 1 Petr. 2:9. verwijsteksten
26 Te weten wisselklederen, als vers 4. verwijsteksten
27 Te weten vaardig om des Vaders bevel uit te voeren.
 
6 Toen betuigde de Engel des HEEREN Jozua, zeggende:
7 Zo zegt 28de HEERE der heirscharen: Indien gij in Mijn wegen zult wandelen, en 29indien gij Mijn wacht 30zult waarnemen, 31zo zult gij ook Mijn huis richten en ook 32Mijn voorhoven bewaren; en 33Ik zal u wandelingen geven onder dezen die hier staan.
28 Te weten God de Vader, Die voor de weldaden waarmede Hij de mensen begenadigt, dankbaarheid is vereisende, namelijk gedurige oefening in de godzaligheid, Luk. 1:74, 75. 1 Petr. 1:15, 16. verwijsteksten
29 Dat is, indien gij Mijn instellingen en geboden naarstiglijk zult onderhouden, gelijk Ik die wil onderhouden hebben.
30 Hebr. zult wachten.
31 Dat is, zo zult gij ook het opzicht en de regering over Mijn kerk hebben, gelijk het uw voorouders gehad hebben. Zie 2 Kron. 19:11. De kerk wordt meermaals Gods huis genoemd, als Num. 12:7. Jer. 11:15; 12:7. Hebr. 3:2. verwijsteksten
32 Dat is, gij zult in uw hogepriesterambt geduriglijk blijven en het opzicht over Mijn kerk hebben en behouden. Het is hetzelfde hetwelk Hij daarstraks met andere woorden gezegd heeft.
33 Dat is, na dit leven zal Ik u opnemen in het eeuwige leven, en zal u doen wandelen onder de heilige engelen die hier staan, en andere hemelse scharen. Vgl. Matth. 22:30. 2 Tim. 4:8. Hebr. 12:22. verwijsteksten
 
8 Hoor nu toe, Jozua, gij hogepriester, gij en 34uw vrienden, die voor uw aangezicht zitten, want zij zijn 35een wonderteken; want zie, 36Ik zal 37Mijn Knecht, 38de cSPRUITE, doen komen.
34 Dat is, uw metgezellen, de priesters, onder uw opzicht staande. Of in het gemeen de vromen die het met u houden.
35 Of: een wonder. Hebr. mannen des wonders. Enigen verstaan dit alzo, dat zij voor een wonder bij de boze mensen gehouden werden, overmits zij des Heeren woord hoorden. Zie Jes. 8:18. Doch sommigen verstaan, dat zij voor een wonder werden aangezien, overmits zij zo wonderbaarlijk uit de Babylonische gevangenis verlost en in hun land wedergebracht waren, zijnde hetzelve een teken van de verlossing door Christus. Zie Ps. 71 op vers 7. verwijsteksten
36 Te weten de Vader; Wiens woorden hier de Heere Christus verhaalt. Zie vers 6. verwijsteksten
37 Dat is, Christus. Zie Jes. 42 op vers 1; 52:13. De zin is: Dezen zal Ik in de wereld doen verschijnen in de volheid des tijds, en Hij zal Mijn wil doen, gelijk een getrouwe knecht den wil en het bevel van zijn heer doet. verwijsteksten
38 Te weten den Messias, Die een Spruit is uit den stam van Isaï. Zie Jer. 23 op vers 5; 33:15. Zach. 6:12. Enigen houden het Hebreeuwse woord zemach in den tekst. verwijsteksten
c Jes. 4:2; 11:1. Jer. 23:5; 33:15. Zach. 6:12. verwijsteksten
 
9 Want zie, aangaande 39dien Steen, Welken Ik gelegd heb voor het aangezicht van Jozua, 40op dien enen Steen zullen 41zeven ogen wezen; zie, 42Ik zal Zijn graveersel graveren, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal de ongerechtigheid 43dezes lands 44op één dag wegnemen.
39 Namelijk Christus (daarstraks een Spruit genoemd, vers 8), Die het Fundament en de Hoeksteen Zijner kerk is. Gelijk Christus eertijds door den hoeksteen des tempels werd afgebeeld, Ps. 118:22. Jes. 28:16, alzo wederom hier, toen de tempel is gefundeerd en vernieuwd geworden in de tegenwoordigheid van Jozua. verwijsteksten
40 Of: in dien Steen, te weten in Christus, zal zijn, vooreerst de volheid der Godheid, en daarna overvloed van geestelijke gaven, en voorts volkomen zorg voor Zijn kerk. Anders: over. Verstaande de grote zorg des Vaders over Christus en Zijn Rijk.
41 Vergelijk met de woorden van dit vers de woorden van Zach. 4:10 en Openb. 5:6. verwijsteksten
42 Dat is, Ik zal Hem kostelijk uithouwen, gelijk men een kostelijken steen fraai polijst en glad maakt, dat is, Ik zal Hem (te weten Christus) versieren met menigerlei geestelijke gaven. Hebr. Ik zal Zijn openingen openen, welke woorden enigen duiden op het lijden en op de wonden van onzen Heere Jezus Christus, waarmede onze ongerechtigheden zijn uitgedelgd en de zaligheid verworven is.
43 Te weten der kerk der Joden en heidenen.
44 Te weten op dien dag als Christus zal gekruist worden.
 
10 Te dien dage, spreekt de HEERE der heirscharen, 45zult gijlieden een iegelijk zijn naaste nodigen, tot onder den wijnstok en tot onder den vijgenboom.
45 Dat is, gij zult in vrede leven, en van alles genoeg hebben. Zie 1 Kon. 4:25. Micha 4:4. Doch versta dit niet zozeer van een tijdelijken vrede en welstand, als van een gerustheid des gemoeds en vrede der consciëntie door het geloof, dat God met ons om Christus’ wil verzoend is. Vgl. Jes. 2:4, 5; 25:6, 7. Hos. 2:14, 17; 14:5, 6, 7. Joël 3:18. Amos 9:13, 14, 15. Micha 4:4; 5:4, 5. In welke plaatsen, onder verbloemde redenen, de vrede van de kerk en van een ieder lidmaat derzelve wordt afgebeeld. verwijsteksten

Einde Zacharia 3