Statenvertaling.nl

sample header image

Zacharia 14 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Zacharia 14

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Jeruzalems nood en uitredding
1 ZIE, de dag komt den HEERE, dat uw roof zal uitgedeeld worden in het midden van u, o Jeruzalem.
2 Want Ik zal alle heidenen tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen; en de stad zal ingenomen, en ade huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen geschonden worden; en de helft der stad zal uitgaan in de gevangenis, maar het overige des volks zal uit de stad niet uitgeroeid worden. a Jes. 13:16. verwijsteksten
3 bEn de HEERE zal uittrekken, en Hij zal strijden tegen die heidenen, gelijk ten dage als Hij gestreden heeft, ten dage des strijds. b Jes. 42:13. verwijsteksten
4 En Zijn voeten zullen te dien dage staan op den Olijfberg, die vóór Jeruzalem ligt, tegen het oosten; en de Olijfberg zal in tweeën gespleten worden, naar het oosten en naar het westen, zodat er een zeer grote vallei zal zijn; en de ene helft des bergs zal wijken naar het noorden, en de helft deszelven naar het zuiden.
5 Dan zult gijlieden vlieden door de vallei Mijner bergen (want deze vallei der bergen zal reiken tot Azal), en gij zult vlieden gelijk als gij vloodt cvoor de aardbeving in de dagen van Uzzia, den koning van Juda; dan zal de HEERE mijn God komen, en al de heiligen met U, o HEERE. c Amos 1:1. verwijsteksten
6 En het zal te dien dage geschieden, dat er niet zal zijn het kostelijk licht en de dikke duisternis.
7 Maar dhet zal een enige dag zijn, die den HEERE bekend zal zijn; het zal noch dag noch nacht zijn; en het zal geschieden ten tijde des avonds, dat het licht zal wezen. d Openb. 21:25. verwijsteksten
8 Ook zal het te dien dage geschieden edat er levende wateren uit Jeruzalem vlieten zullen: de helft van die naar de oostzee, en de helft van die naar de achterste zee aan; zij zullen des zomers en des winters zijn. e Ez. 47:1, enz. Joël 3:18. Openb. 22:1. verwijsteksten
9 En de HEERE zal tot Koning over de ganse aarde zijn; te dien dage zal de HEERE één zijn, en Zijn Naam één.
10 Dit ganse land zal rondom als een vlak veld gemaakt worden, van Geba tot Rimmon toe, zuidwaarts van Jeruzalem; en zij zal verhoogd en bewoond worden in haar plaats, van de poort van Benjamin af tot aan de plaats van de eerste poort, tot aan de Hoekpoort toe, en van den toren Hanáneël tot aan des konings wijnbakken toe.
11 En zij zullen daarin wonen, en er zal geen verbanning meer zijn, want Jeruzalem zal zeker wonen.
12 En dat zal de plaag zijn waarmede de HEERE al de volken plagen zal die tegen Jeruzalem krijg gevoerd zullen hebben: Hij zal eens iegelijks vlees, daar hij op zijn voeten staat, doen uitteren, en eens iegelijks ogen zullen uitteren in hun holen, en eens iegelijks tong zal in hun mond uitteren.
13 Ook zal het te dien dage geschieden, dat er een groot gedruis van den HEERE onder hen zal wezen, zodat zij een ieder zijns naasten hand zullen aangrijpen, en eens ieders hand zal tegen de hand zijns naasten opgaan.
14 En ook zal Juda te Jeruzalem strijden; en het vermogen aller heidenen rondom zal verzameld worden, goud en zilver, en klederen in grote menigte.
15 Alzo zal ook de plaag der paarden, der muildieren, der kemels en der ezels en aller beesten zijn, die in diezelve heirlegers geweest zullen zijn, gelijk de plaag van genen geweest is.
16 En het zal geschieden dat al de overgeblevenen van alle heidenen die tegen Jeruzalem zullen gekomen zijn, die zullen van jaar tot jaar optrekken fom aan te bidden den Koning, den HEERE der heirscharen, en om te vieren het feest der loofhutten. f Jes. 66:23. verwijsteksten
17 En het zal geschieden, zo wie van de geslachten der aarde niet zal optrekken naar Jeruzalem, om den Koning, den HEERE der heirscharen, te aanbidden, zo zal er over henlieden geen regen wezen.
18 En indien het geslacht der Egyptenaars, over dewelke de regen niet is, niet zal optrekken noch komen, zo zal die plaag over hen zijn met dewelke de HEERE die heidenen plagen zal die niet optrekken zullen om te vieren het feest der loofhutten.
19 Dit zal de zonde der Egyptenaars zijn, mitsgaders de zonde van alle heidenen die niet optrekken zullen om te vieren het feest der loofhutten.
20 Te dien dage zal op de bellen der paarden staan: DE HEILIGHEID DES HEEREN. En de potten in het huis des HEEREN zullen zijn als de sprengbekkens voor het altaar;
21 Ja, al de potten in Jeruzalem en in Juda zullen den HEERE der heirscharen heilig zijn, zodat allen die offeren willen, zullen komen en van dezelve nemen en in dezelve koken; en er zal ggeen Kanaäniet meer zijn in het huis des HEEREN der heirscharen te dien dage. g Jes. 35:8. Joël 3:17. Openb. 21:27; 22:15. verwijsteksten

Einde Zacharia 14