Statenvertaling.nl

sample header image

Zacharia 1 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Zacharia 1

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Vermaning tot bekering
1 IN de achtste maand, in het tweede jaar van Daríus, geschiedde het woord des HEEREN tot Zacharía, den zoon van Beréchja, den zoon van Iddo, den profeet, zeggende:
2 De HEERE is zeer vertoornd geweest tegen uw vaders.
3 Daarom, zeg tot hen: Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Keert weder tot Mij, spreekt de HEERE der heirscharen, zo zal Ik weder tot ulieden keren, zegt de HEERE der heirscharen.
4 Weest niet als uw vaders, tot dewelke ade vorige profeten riepen, zeggende: Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Bekeert u toch van uw boze wegen en uw boze handelingen. Maar zij hoorden niet, en zij luisterden niet naar Mij, spreekt de HEERE. a Jes. 31:6. Jer. 3:12; 18:11. Ez. 18:30. Hos. 14:2. verwijsteksten
5 Uw vaders, waar zijn die? En de profeten, zullen zij in eeuwigheid leven?
6 Nochtans, Mijn woorden en Mijn inzettingen, die Ik Mijn knechten, den profeten, geboden had, hebben zij uw vaders niet getroffen? zodat zij wederkerende zeiden: bGelijk als de HEERE der heirscharen gedacht heeft ons te doen naar onze wegen en naar onze handelingen, alzo heeft Hij met ons gedaan. b Klgld. 1:18. verwijsteksten
 
De Man tussen de mirten
7 Op den vier en twintigsten dag, in de elfde maand (die is de maand Schebat), in het tweede jaar van Daríus, geschiedde het woord des HEEREN tot Zacharía, den zoon van Beréchja, den zoon van Iddo, den profeet, zeggende:
8 Ik zag des nachts, en zie, een Man rijdende op een rood paard, en Hij stond tussen de mirten, die in de diepte waren; en achter Hem waren rode, bruine en witte paarden.
9 En ik zeide: Mijn Heere, wat zijn dezen? Toen zeide tot mij de Engel Die met mij sprak: Ik zal u tonen wat dezen zijn.
10 Toen antwoordde de Man Die tussen de mirten stond, en zeide: Dezen zijn het die de HEERE uitgezonden heeft om het land te doorwandelen.
11 En zij antwoordden den Engel des HEEREN, Die tussen de mirten stond, en zeiden: Wij hebben het land doorwandeld; en zie, het ganse land zit en het is stil.
12 Toen antwoordde de Engel des HEEREN en zeide: HEERE der heirscharen, hoe lang zult Gij U niet ontfermen over Jeruzalem en over de steden van Juda, op welke Gij gram geweest zijt deze zeventig jaren?
13 En de HEERE antwoordde den Engel Die met mij sprak, goede woorden, troostelijke woorden.
14 En de Engel Die met mij sprak, zeide tot mij: Roep uit, zeggende: Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Ik ijver over Jeruzalem en over Sion met een groten ijver.
15 En Ik ben met een zeer groten toorn vertoornd tegen die geruste heidenen; want Ik was een weinig toornig, maar zij hebben ten kwade geholpen.
16 Daarom zegt de HEERE alzo: Ik ben tot Jeruzalem wedergekeerd met ontfermingen, Mijn huis zal daarin gebouwd worden, spreekt de HEERE der heirscharen; en het richtsnoer zal over Jeruzalem uitgestrekt worden.
17 Roep nog, zeggende: Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Mijn steden zullen nog uitgespreid worden vanwege het goede; want de HEERE zal Sion nog troosten, en Hij zal Jeruzalem nog verkiezen.
 
Vier hoornen en vier smeden
18 En ik hief mijn ogen op en zag, en zie, er waren vier hoornen.
19 En ik zeide tot den Engel Die met mij sprak: Wat zijn deze? En Hij zeide tot mij: Dit zijn die hoornen welke Juda, Israël en Jeruzalem verstrooid hebben.
20 En de HEERE toonde mij vier smeden.
21 Toen zeide ik: Wat komen die maken? En Hij sprak, zeggende: Dat zijn de hoornen die Juda verstrooid hebben, zodat niemand zijn hoofd ophief; maar dezen zijn gekomen om die te verschrikken, om de hoornen der heidenen neder te werpen, welke den hoorn verheven hebben tegen het land van Juda om dat te verstrooien.

Einde Zacharia 1