Statenvertaling.nl

sample header image

Micha 6 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Micha 6

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

Verkondiging van Gods twist met Zijn volk, vanwege hun ondankbaarheid jegens Zijn gedurige weldadigheid, vs. 1, enz. God verwerpt hun offeranden, en toont wat Zijn eis en hun plicht is, 6. En dewijl het tegendeel onder hen bekend was, te weten onrechtvaardigheid, geweld, leugen en bedrog, insgelijks de afgodische handel van Omri en Achab, dreigt Hij hun de verwoesting, den honger, reddeloosheid en het zwaard, 10.
 
De twist des HEEREN
1 HOORT nu wat de HEERE zegt: Maak u op, twist 1met de bergen, en laat de heuvelen uw stem horen.
1 Sommigen nemen dit als tegen de bergen, verstaande door de bergen de groten, en door de heuvelen den gemenen man; maar het schijnt dat met hier zoveel is alsof de Heere zeide: Neem de bergen als te hulp, tot getuigen. Of: doe het voor, bij, in tegenwoordigheid, enz. Want God gebiedt den profeet in het volgende de bergen aan te spreken, tot overtuiging en beschaming der mensen. Vgl. Deut. 4:26; 32:1. Insgelijks Micha 1:2 met de aantt. verwijsteksten
 
2 Hoort, gij bergen, den twist des HEEREN, mitsgaders gij 2sterke fundamenten der aarde; want de aHEERE heeft een 3twist met Zijn volk, en Hij zal Zich met Israël in rechte begeven.
2 Dat is, gij vastgefundeerde aarde; of: gij gronden, wortelen, afsnijdingen (als Jona 2:6) der bergen, rotsen en klippen, die als een vastigheid of sterkte des aardrijks zijt. verwijsteksten
a Hos. 4:1. verwijsteksten
3 Of: pleit, rechtszaak. Vgl. Jes. 1:18; 5:3, 4; 43:26, met de aantt. verwijsteksten
 
3 O Mijn volk, 4wat heb Ik u gedaan, en waarmede heb Ik u 5vermoeid? Betuig tegen Mij.
4 Vgl. Jer. 2:5, 31. verwijsteksten
5 Of: moede gemaakt, ben Ik u moeilijk, lastig geweest? Alsof de Heere zeide: Gij zijt immers in uw consciënties overtuigd, dat Ik u nooit kwaad, maar integendeel alle goeds heb gedaan; wat reden hebt gij dan, dat gij u zo afkerig en wrevelig tegen Mij gedraagt?
 
4 Immers heb Ik u uit bEgypteland opgevoerd, en u uit het 6diensthuis verlost; en Ik heb voor uw aangezicht heen 7gezonden Mozes, Aäron en 8Mirjam.
b Ex. 12:51; 14:30. verwijsteksten
6 Hebr. huis der dienstknechten of slaven, als dikwijls. Zie Ex. 20:2. verwijsteksten
7 Om u in het geestelijke en lichamelijke te geleiden en te assisteren. Zie Jes. 63:11, 12. verwijsteksten
8 Die ook een profetes was. Zie Ex. 15:20. Num. 12:2. verwijsteksten
 
5 Mijn volk, gedenk toch wat cBalak, de koning van Moab, 9beraadslaagde, en wat hem Bíleam, de zoon van Beor, antwoordde, en wat geschied is van d10Sittim af tot e11Gilgal toe, opdat gij de 12gerechtigheden des HEEREN kent.
c Num. 22:5; 23:7. verwijsteksten
9 Hoe hij met alle middelen Mijn vloek over u zocht te brengen, en hoe Ik dien in zulken heerlijken zegen veranderde. Zie Num. 22:5; 23:7; 24:1, 14. Deut. 23:4, 5. Joz. 24:9, 10. Openb. 2:14. verwijsteksten
d Numeri 25. verwijsteksten
10 Waar gij zo schandelijk hoereerdet met den Baäl-Peor, Numeri 25. verwijsteksten
e Jozua 5. verwijsteksten
11 Waar Ik, volgens Mijn beloften, u, niettegenstaande uw veelvoudige ondankbaarheid, droogvoets door de Jordaan geleid en in het beloofde land gebracht hebbende, Mijn verbond als opnieuw met u bevestigd heb, door de besnijdenis. Zie Jozua 3; 5:2. verwijsteksten
12 Dat is, de rechtvaardige daden, die de Heere voor u gedaan heeft tegen uw vijanden, verlenende u die heerlijke victories, van de koningen der Midianieten, insgelijks Sihon en Og. Zie Num. 31:7, 8. Deut. 2:33; 3:3. Sommigen verstaan door de gerechtigheden des Heeren Zijn grote getrouwheid in het houden Zijner beloften, of Zijn oneindige barmhartigheid. Vgl. Richt. 5:11. 1 Sam. 12:7. Dan. 9:16, met de aantt. verwijsteksten
 
6 13Waarmede zal ik den HEERE 14tegenkomen, en mij bukken voor den 15hogen God? Zal ik Hem tegenkomen met brandoffers, met 16eenjarige kalveren?
13 Hier wordt het volk ingevoerd, als antwoordende op de voorgaande woorden van den profeet, en vragende wat zij dan zouden moeten doen, dat God behagen mocht.
14 Dat is, bejegenen, tegemoetgaan. Alzo wordt het Hebreeuwse woord genomen Deut. 23:4. Neh. 13:2, enz. Of: voorkomen, dat is, Zijn toorn en straf ontgaan. verwijsteksten
15 Hebr. den God der hoogheid.
16 Hebr. zonen of kinderen van een jaar.
 
7 17Zou de HEERE een welgevallen hebben aan duizenden van rammen, aan tienduizenden van oliebeken? 18Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding? De vrucht mijns buiks voor de zonde mijner ziel?
17 Dit kan men nemen als het antwoord van den profeet op de voorgaande vraag van het volk, waarop hij met deze manier van vragen wel uitdrukkelijk ontkent, dat het met het uiterlijk offeren zou te doen zijn, al deden zij dat nog zoveel.
18 Instantie van het volk, alsof zij zeiden: Is het met beesten te offeren niet te doen, zullen wij dan mensen, ja, onze eerstgeboren zonen offeren? Zouden wij daarmede den vrede met God kunnen maken? Gelijk zij gewoon waren hun kinderen, op zijn heidens, den afgoden te offeren. Zie Lev. 18:21. 2 Kon. 23:10. Jer. 7:31; 19:5, 6. Ez. 16:20, 21; 23:39, met de aantt. Aldus drukt de profeet zeer levendig uit met hoedanige gedachten zij zwanger gingen, en waarin zij (als huichelaars) den waren godsdienst en bekering stelden. verwijsteksten
 
8 19Hij heeft u 20bekendgemaakt, o mens, wat goed is; en wat feist de HEERE van u, dan 21recht te doen en weldadigheid lief te hebben, en 22ootmoediglijk te wandelen 23met uw God?
19 Namelijk de Heere.
20 Door Zijn woord; zodat gij geen onwetendheid kunt voorwenden, en evenwel doet gij regelrecht daartegen (als hun in het volgende verweten wordt), en dan wilt gij u nog wijsmaken, dat God met uw offeren moet tevreden zijn, alsof er dan niets aan schort en niet anders van u te eisen is.
f Deut. 10:12. verwijsteksten
21 Of: gericht. Zie Gen. 18:19. 1 Kon. 10:9. Jer. 4:2, met de aantt. Deze eis Gods was zo klaar en overvloedig in Zijn woord uitgedrukt, dat zij, het tegendeel doende (gelijk zij deden), zonder alle onschuld waren. verwijsteksten
22 Hebr. ootmoedig zijn wandelen, of: zich verootmoedigen met wandelen, of wandelende. Zie van zulke samenvoeging van twee woorden Ps. 45 op vers 5. verwijsteksten
23 Zie Gen. 5 op vers 22. verwijsteksten
 
9 De 24stem des HEEREN roept tot de 25stad (want Uw 26Naam ziet 27het wezen): Hoort de 28roede en 29Wie ze besteld heeft.
24 Alsof de profeet zeide: Dat gij nu geheel anders doet, dan gij wel weet dat God van u eist, en dat gij daarmede Zijn straffen verdient en veroorzaakt, zulks wordt u dagelijks door Zijn profeten, en nu door mij, gepredikt en openlijk aangezegd.
25 Jeruzalem; sommigen duiden het op Samaria, uit vers 16, of op beide deze hoofdsteden. verwijsteksten
26 Dat is, Gij Zelf, o Heere (vol van heerlijkheid en majesteit), weet alles. Zie Deut. 28 op vers 58. verwijsteksten
27 Of: wat er is, dat is, alle ding; of: wat er omgaat, hoe het er gesteld is. Anders: ziet naar de wijsheid (die in de ware bekering bestaat). Anders: de wijsheid (dat is, een wijs man) zal Uw Naam zien, dat is, zal merken dat Gij het zijt, dat het Uw woorden en werken zijn, en zich daarnaar richten. Zie van het Hebreeuwse woord Job 5 op vers 12. verwijsteksten
28 Dat is, de profetie van Gods roede, dat is, straffen en plagen. Zie Job 9:34. Jes. 10:5. Klgld. 3:1, met de aantt. verwijsteksten
29 Dien Die deze roede, of dat kwaad, verordineerd, plaats en tijd bestemd heeft. Of vraagswijze: Wie heeft ze besteld? Te weten anders dan God. Zie gelijke woorden van het zwaard des Heeren, Jer. 47:7, en vgl. Jes. 30:32 met de aant. verwijsteksten
 
10 30Zijn er niet nog, in eens ieders 31goddelozen huis, schatten der 32goddeloosheid, en een 33schaarse 34efa, die 35te verfoeien is?
30 Of: Heeft niet nog een ieder een goddeloos huis? (of: een huis eens goddelozen?) En schatten der goddeloosheid? Of (met sommigen) aldus: Zijn er niet nog, in het huis des goddelozen, schatten der goddeloosheid? Maar het schijnt dat de profeet ziet op de algemeenheid der boosheid, dat een ieder steeds met onrechtvaardigheid omging. Vgl. Micha 7:2, 3, enz. Doch het Hebreeuwse woordje (zoals het hier in den Hebreeuwsen tekst staat) kan ook genomen worden voor is of zijn. Zie diergelijks 2 Sam. 14:19 in de aant. Waaruit deze verscheidenheid ontstaat. verwijsteksten
31 Na zovele Goddelijke waarschuwingen en kastijdingen is het nog evenwel overal vol van goddeloosheid en onrecht.
32 Die met goddeloosheid, schenderij en onrecht verkregen zijn.
33 Of: scherpe, dat is, die te klein is. Hebr. een efa der magerheid.
34 Zie Ex. 16 op vers 36. Deut. 25:15, 16. Ez. 45:10, 11, enz. verwijsteksten
35 Of: verfoeid wordt, behoort verfoeid te worden.
 
11 36Zou Ik rein zijn met een 37goddeloze gweegschaal, en met een zak van bedrieglijke 38weegstenen?
36 Dat is, zou iemand kunnen rein zijn, enz.
37 Hebr. weegschalen der goddeloosheid, en alzo weegstenen des bedrogs.
g Hos. 12:8. verwijsteksten
38 Namelijk van gewicht, dat zij in zakjes hadden. Zie Lev. 19 op vers 36. Deut. 25:13, enz. Geenszins (wil de Heere zeggen) zal Ik zulke voor rein houden; maar voor zulke houden en alzo behandelen als volgt. verwijsteksten
 
12 Dewijl 39haar rijke lieden vol zijn van geweld, en 40haar inwoners leugen spreken, en hun tong h41bedrieglijk is in hun mond,
39 Jeruzalems, uit vers 9. Of aldus: welker (namelijk stad Jeruzalem) rijken, enz., en welker inwoners, enz. verwijsteksten
40 Der inwoners.
h Jer. 9:8. verwijsteksten
41 Hebr. bedrog.
 
13 Zo zal Ik 42u ook krenken, u slaande en verwoestende om uw zonden.
42 Gij inwoners van Jeruzalem, of gij volk, Ik zal u krenken, krank, zwak maken, enz.
 
14 Gij zult ieten, maar niet verzadigd worden, en uw 43nederdrukking zal in het 44midden van u zijn; en gij zult 45aangrijpen, maar niet wegbrengen, en wat gij zult 46wegbrengen, zal Ik aan het zwaard overgeven.
i Hos. 4:10. verwijsteksten
43 Gij die nu zo fier daarheen praalt en den kop omhoogsteekt. Zie Micha 2:3. verwijsteksten
44 Of: binnen in u, in uw binnenste. Dit kan men duiden op de grote benauwdheden, die zij binnen de stad zouden lijden ten tijde der Babylonische belegering. Sommigen nemen het alsof God zeide: Gij zelven zult de oorzaak zijn van uw ellenden, en niemand anders, of: gij zult voor uw ogen moeten zien, dat gij van tijd tot tijd zult vervallen, totdat gij te gronde gaat.
45 Of: verrukken, verroeren, overbrengen, van de ene plaats in de andere, te weten vrouw en kinderen, insgelijks goed en have, om die te redden en daarvan te brengen, of te bergen, maar tevergeefs.
46 Dat is, weg zoudt mogen krijgen, en menen al vrij en geborgen te zijn.
 
15 Gij zult kzaaien, maar niet maaien; gij zult 47olijven 48treden, maar u met olie niet zalven; en 49most, maar geen wijn drinken.
k Deut. 28:38. Hagg. 1:6. verwijsteksten
47 Hebr. den olijfboom.
48 Dat is, persen.
49 Dat is, druiven treden. Vgl. Amos 5:11. Zef. 1:13. verwijsteksten
 
16 Want de 50inzettingen van lOmri worden onderhouden, en het ganse werk van het huis van mAchab; en gij wandelt in 51derzelver raadslagen; 52opdat Ik u stelle tot verwoesting, en 53haar inwoners tot 54aanfluiting; alzo zult gij de 55smaadheid Mijns volks dragen.
50 Versta de afgoderijen, die Omri en zijn zoon Achab onder de tien stammen op het allerhoogste hebben bevorderd. Zie 1 Kon. 16:16, 25, 30, 31, met de aantt. verwijsteksten
l 1 Kon. 16:25, 26. verwijsteksten
m 1 Kon. 16:30, enz. verwijsteksten
51 Raadslagen van Omri en Achab, om bij alle wegen en met alle praktijken de afgoderij te stijven en den gansen staat van het land daarnaar te formeren.
52 Waardoor gij het alzo maakt, dat Ik u zal moeten stellen, enz. Vgl. Jer. 18:16; 27:10, 15; 32:31. Klgld. 2:14. Ez. 8:6, enz., met de aantt. verwijsteksten
53 Jeruzalems.
54 Zie 1 Kon. 9 op vers 8. verwijsteksten
55 Dat is, de straf der smaadheid en schande, die gij Mijn volk (bijzonderlijk den armen en nooddruftigen) met de voorzeide schandelijke werken hebt aangedaan. Of: de smaadheid Mijns volks, dat is, die Mijn volk verdiend heeft. Alzo smaadheid mijner jeugd, dat is, die ik in mijn jeugd verdiend of op mijn hals gehaald heb, Jer. 31:19. verwijsteksten

Einde Micha 6