Statenvertaling.nl

sample header image

Amos 7 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Amos 7

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

Drie gezichten
1 DE Heere HEERE deed mij aldus zien; en zie, Hij formeerde sprinkhanen, in het begin des opkomens van het nagras; en zie, het was het nagras na des konings afmaaiingen.
2 En het geschiedde als zij het kruid des lands geheel zouden hebben afgegeten, dat ik zeide: Heere HEERE, vergeef toch; wie zou er van Jakob blijven staan? Want hij is klein.
3 Toen berouwde zulks den HEERE. Het zal niet geschieden, zeide de HEERE.
4 Wijders deed mij de Heere HEERE aldus zien; en zie, de Heere HEERE riep uit dat Hij wilde twisten met vuur; en het verteerde een groten afgrond, ook verteerde het een stuk land.
5 Toen zeide ik: Heere HEERE, houd toch op; wie zou er van Jakob blijven staan? Want hij is klein.
6 Toen berouwde zulks den HEERE. Ook dit zal niet geschieden, zeide de Heere HEERE.
7 Nog deed Hij mij aldus zien; en zie, de Heere stond op een muur die naar het paslood gemaakt was; en een paslood was in Zijn hand.
8 En de HEERE zeide tot mij: Wat ziet gij, Amos? En ik zeide: Een paslood. Toen zeide de Heere: Zie, Ik zal het paslood stellen in het midden van Mijn volk Israël; Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan.
9 Maar Izaks hoogten zullen verwoest en Israëls heiligdommen verstoord worden; en Ik zal tegen Jeróbeams huis opstaan met het zwaard.
 
Amázia zoekt Amos te verschrikken
10 Toen zond Amázia, de priester te Bethel, tot Jeróbeam, den koning van Israël, zeggende: Amos heeft een verbintenis tegen u gemaakt in het midden van het huis Israëls; het land zal al zijn woorden niet kunnen verdragen.
11 Want alzo zegt Amos: Jeróbeam zal door het zwaard sterven, en Israël zal voorzeker uit zijn land gevankelijk worden weggevoerd.
12 Daarna zeide Amázia tot Amos: Gij ziener, ga weg, vlied in het land van Juda; en eet aldaar brood en profeteer aldaar.
13 Maar te Bethel zult gij voortaan niet meer profeteren; want dat is des konings heiligdom, en dat is het huis des koninkrijks.
14 Toen antwoordde Amos en zeide tot Amázia: Ik was geen profeet, en ik was geen profetenzoon, maar ik was een ossenherder en las wilde vijgen af.
15 Maar de HEERE nam mij van achter de kudde, en de HEERE zeide tot mij: Ga heen, profeteer tot Mijn volk Israël.
16 Nu dan, hoor des HEEREN woord: Gij zegt: Gij zult niet profeteren tegen Israël, noch adruppen tegen het huis van Izak. a Ez. 21:2. verwijsteksten
17 Daarom zegt de HEERE alzo: Uw vrouw zal in de stad hoereren, en uw zonen en uw dochters zullen door het zwaard vallen, en uw land zal door het snoer uitgedeeld worden; en gij zult in een onrein land sterven, en Israël zal voorzeker uit zijn land gevankelijk worden weggevoerd.

Einde Amos 7