Statenvertaling.nl

sample header image

Amos 5 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Amos 5

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

Onder een klaaglied voorzegt God Israëls val en vermindering hunner menigte, omdat zij vermaand zijnde den machtigen en vreselijken God te zoeken, en afgoderij te verlaten, evenzeer in gruwelijk onrecht, geweld en menigte van zonden voortgingen, hatende alle bestraffingen, zodat er op Gods oordeel niets zal zijn te zeggen, vs. 1, enz. Vermaant hen dan nog wederom tot bekering, 14. Maar vanwege hun verstoktheid voorzegt Hij hun den schrikkelijken en onvermijdelijken dag Zijner oordelen, waarmede zij nu hun spot dreven, 16. Verfoeit den gansen huichelachtigen schijn hunner godsdienstigheid, dewijl zij onder deksel van dien niets dan afgoderij pleegden, gelijk hun voorvaders, 21.
 
Een klaaglied; oproep tot boete
1 HOORT dit woord dat Ik over ulieden ophef, een klaaglied, o huis Israëls.
2 De 1jonkvrouw Israëls 2is gevallen, zij zal niet 3weder opstaan; zij is verlaten op haar land, er is niemand die haar opricht.1 Versta het koninkrijk en den staat der tien stammen. Vgl. 2 Kon. 19:21. Jes. 23:12; 47:1. Jer. 14:17, enz., met de aantt. verwijsteksten
2 Dat is, zal zekerlijk weldra vallen. Zie Hos. 4:5; 5:5; 14:2. verwijsteksten
3 Hebr. niet toedoen op te staan; als wanneer iemand ter aarde is nedergestoten, en niet kunnende vanzelf weder opstaan, van alle anderen verlaten wordt en ter aarde liggen blijft; alzo zou Israël tot zijn vorigen bloeienden staat niet wederkomen; ofschoon er enig overblijfsel (als volgt) moge worden gelaten.
3 Want zo zegt de Heere HEERE: De stad die 4uitgaat met duizend, zal 5honderd overhouden, en die uitgaat met honderd, zal tien overhouden in het huis Israëls.4 Dat is, die zoveel volk nu ten oorlog uitzendt, waar men met zoveel volk uittrekt, of die zoveel placht uit te leveren.
5 Dat is, daar zal nauwelijks van tien één overblijven. Zie wijders vers 15. Amos 6:9. verwijsteksten
4 Want zo zegt de HEERE tot het huis Israëls: Zoekt Mij en 6leeft.6 Dat is, gij zult bevinden dat gij zekerlijk zult leven. Zie van zulke beloften Ps. 37:3. Spr. 3:3. Ez. 16:6, met de aantt. Alzo vers 6. verwijsteksten
5 Maar zoekt a7Bethel niet, en komt niet te 8Gilgal, en gaat niet over naar 9Berséba; want 10Gilgal zal 11voorzeker gevankelijk worden weggevoerd, en Bethel zal worden tot 12niet.a Amos 4:4. verwijsteksten
7 Om gemeenschap te hebben met de afgoderij die men aldaar bedrijft. Vergelijk dit met Hos. 4:15; 12:12. Insgelijks Amos 4:4. verwijsteksten
8 Zie Hos. 4 op vers 15. verwijsteksten
9 Alwaar men ook al enige afgoderij gesticht had, vanwege der oudvaderen gezichten. Zie Gen. 26:24, 25, en vgl. Amos 8:14. verwijsteksten
10 De afgodische inwoners, en die part en deel hebben aan de afgoderij van Gilgal.
11 Hebr. zal gevankelijk weggevoerd wordende, gevankelijk worden weggevoerd.
12 Hebr. aven, waarvan God Bethel genoemd heeft Beth-Aven, dat is, huis der nietigheid of ijdelheid, enz. Zie Hos. 4 op vers 15. verwijsteksten
6 Zoekt den HEERE en leeft; opdat Hij niet doorbreke in het 13huis van Jozef als een 14vuur en dat vertere, zodat er niemand zij die het blusse, 15in Bethel;13 Dat is, Israël of de tien stammen; waarvan Efraïm, uit Jozefs zoon, de voornaamste was. Vgl. vers 15. verwijsteksten
14 Als Amos 1:4, enz. verwijsteksten
15 Dit kan men met sommigen voegen bij het voorgaande woord vertere, de zaak op hetzelfde uitkomende.
7 16Die het recht in 17alsem verkeren, en de gerechtigheid ter aarde 18doen liggen.16 Dit kan men passen op die van Bethel, of die van het huis van Jozef in het gemeen, in het voorgaande vers vermeld. Sommigen nemen het als een verwijtende aanspraak: Gij die, of: Gij zijt degene die, enz.
17 Dat is, in enkel bitterheid, doende onrecht en leed aan de onschuldigen, die tot het recht (zijnde in zichzelven zeer zoet en aangenaam) hun toevlucht veiliglijk behoorden te nemen en daardoor beschermd te zijn. Vgl. Amos 6:12. verwijsteksten
18 Als een onwaard en veracht ding, dat vertreden wordt.
8 19Die het b20Zevengesternte en den Oríon maakt, en de 21doodsschaduw in den morgenstond verandert, en den dag 22als den nacht verduistert; Die de cwateren der zee 23roept, en giet ze uit op den 24aardbodem, HEERE is Zijn Naam.19 Hierop verstaan sommigen de voorgaande woorden: Zoekt Dien Die, enz. Anderen hechten het aan het volgende vers, beginnende aldus: Diezelve is het Die, enz., beide in een goeden zin. Vgl. Amos 4:13. verwijsteksten
b Job 9:9; 38:31. verwijsteksten
20 Zie hiervan en van Orion Job 9 op vers 9. verwijsteksten
21 Zie Job 3:5. Ps. 23:4, met de aantt. verwijsteksten
22 Of: door den nacht.
c Amos 9:6. verwijsteksten
23 Dat is, beschikt dat zij (als op een uitdrukkelijk bevel) uit de zee opklimmen naar boven en den regen maken, dien God op de aarde uitstort. Vgl. Jer. 25:29 met de aant. verwijsteksten
24 Hebr. op het aangezicht der aarde.
9 Die Zich 25verkwikt door verwoesting over een sterke, zodat de verwoesting komt over een 26vesting.25 Als hebbende een welgevallen aan de werken Zijner gerechtigheid. Aldus wordt het Hebreeuwse woord ook gebruikt voor zich verkwikken, Job 9:27; 10:20. Ps. 39:14. Vgl. wijders Deut. 28:63. Anders: Die den verstoorder, of den verstoorde (die niet was dan enkel verwoesting, ganselijk verwoest), sterkt, of moed, courage geeft over of tegen den of een sterke, dat hij dien overwinne en zijn vestingen inneme. verwijsteksten
26 Daar het menselijk gans ongezien en onverwacht was. Dien behoorde Israël te vrezen en te zoeken, om zulke Zijn oordelen te ontgaan; maar integendeel, enz., als volgt.
10 Zij haten in de 27poort dengene die bestraft, en hebben een gruwel van dien die 28oprechtelijk spreekt.27 Dat is, in het gericht, dat men in de poorten hield. Zie Gen. 22:17. Job 5:4. Ps. 127:5, met de aantt. Alzo vers 12, en vgl. Jes. 29:21. verwijsteksten
28 Of: hetgeen dat oprecht is.
11 Daarom, omdat gij den arme 29vertreedt en een 30last koren van hem neemt, zo hebt gij wel huizen 31gebouwd van dgehouwen steen, maar gij zult daarin niet wonen; gij hebt 32gewenste wijngaarden geplant, maar gij zult derzelver wijn niet drinken.29 Hebr. op den arme treedt, alsof hij stof en slijk ware. Vgl. Amos 2:7 met de aant. verwijsteksten
30 Dat is (als sommigen dit bekwamelijk verstaan), zoveel als een mens, of de arme, op zijn schouders kan dragen, wat hij met zijn zuren arbeid verdiend of verkregen heeft, menende daarvan met zijn huisgezin te leven, dat neemt gij, wolven, van hem. Anders: met of bij lasten neemt gij het koren van hem, door geweld, of afdringende hem zulke ontijdige voldoening als u maar belieft, zonder op enige billijkheid te zien.
31 Versta door veel onrecht, waarvan in het voorgaande en volgende. Vergelijk met dit vers Micha 6:15. Zef. 1:13. Insgelijks Jes. 65:21. verwijsteksten
d Zef. 1:13. verwijsteksten
32 Hebr. wijngaarden van de begeerte of van den wens.
12 Want Ik weet dat uw overtredingen menigvuldig en uw zonden machtig veel zijn; 33zij benauwen den rechtvaardige, nemen 34zoengeld en 35verstoten de nooddruftigen in de 36poort.33 Of: gij benauwt, enz.
34 Of: losgeld, rantsoen, om den schuldige en strafwaardige vrij te laten, tegen Gods wet, Num. 35:31. Of: zij nemen het van den onschuldige, die het hun moet geven, zo hij hun geweld ontgaan wil. verwijsteksten
35 Te weten van zijn recht, of: wijzen hem af, doen hem terzijde afgaan, van zijn recht, buigende en verkerende hetzelve.
36 Als vers 10. verwijsteksten
13 Daarom zal de 37verstandige te 38dien tijde 39zwijgen; want het zal een 40boze tijd zijn.37 Die God vreest, en dienvolgens recht wijs is. Of: de onderwijzer, leraar.
38 Als God dit boze volk straffen zal.
39 Niet murmurerende tegen Gods oordelen en straffen, hoewel zij zeer zwaar zullen zijn, maar Hem in alles recht gevende, omdat de zonden van Israël zo veel en gruwelijk waren, als voorzeid. Vgl. Ps. 37 op vers 7. Sommigen verstaan dat God hen straffen zou met het stilzwijgen der profeten of leraars en andere vromen, die het met God hielden, omdat zij niet wilden onderwezen en gestraft zijn, maar de bestraffers bitterlijk haatten en vervolgden, als vers 10. Vgl. Matth. 7:6. verwijsteksten
40 Of: tijd des kwaads, dat is, der straf, van grote ellende en verwoesting, als Ps. 37:19. Jer. 15:11. Micha 2:3. Sommigen duiden het op de voorgemelde grote boosheid van het volk in dien tijd. verwijsteksten
14 Zoekt het goede en niet het boze, opdat gij leeft; en alzo zal de HEERE, de God der heirscharen, 41met ulieden zijn, gelijk als gij 42zegt.41 Zie Gen. 21 op vers 22. verwijsteksten
42 Dat is, gelijk gij u erop pleegt te roemen, maar ten onrechte, zolang als gij u niet bekeert; of: gelijk gij voorgeeft te begeren, dat God met u mocht zijn.
15 eHaat het boze en hebt lief het goede, en bestelt het recht in de poort; 43misschien zal de HEERE, de God der heirscharen, 44Jozefs overblijfsel genadig zijn.e Ps. 34:15; 97:10. Rom. 12:9. verwijsteksten
43 Vgl. Joël 2:14 met de aant. verwijsteksten
44 Als vers 6. verwijsteksten
16 45Daarom, zo zegt de HEERE, de God der heirscharen, de Heere: Op alle 46straten zal rouwklage zijn en in alle wijken zullen zij zeggen: Och, och! en zullen den akkerman roepen tot treuren, en 47rouwklage zal zijn bij degenen 48die verstand van kermen hebben.45 Omdat gij alle vermaningen en bestraffingen veracht, en geen hoop geeft van bekering.
46 Het zal een universele of gemene ellende zijn, en daarom zal het overal vol misbaar, huilen en wenen zijn.
47 Of: en ter rouwklage, die verstand van kermen hebben.
48 Zie Jer. 9 op vers 17. verwijsteksten
17 Ja, in alle 49wijngaarden zal rouwklage zijn; want Ik zal door het midden van u 50doorgaan, zegt de HEERE.49 Waar men over den wijnoogst placht vrolijk te zingen, enz. Zie Ps. 4:8. Jer. 25:30, met de aantt. verwijsteksten
50 Of: als Ik zal doorgaan, enz., met Mijn plagen; als Ik den verwoestenden vijand door het ganse land zal doen passeren; gelijk God gezegd werd door Egypte te passeren, als Hij den engel zond om de eerstgeborenen te slaan, Ex. 12:12. verwijsteksten
 
De dag van het oordeel des HEEREN
18 fWee dien die des HEEREN 51dag 52begeren! Waartoe toch zal ulieden de dag des HEEREN zijn? Hij zal g53duisternis wezen, en geen licht.f Jes. 5:19. verwijsteksten
51 Den bestemden tijd van Gods oordeel en straf. Zie Joël 1:15. verwijsteksten
52 Door huichelarij, alsof zij onschuldig waren en Gods straffen niet hadden te vrezen, of door spotternij, alsof zij zeiden: Wij mochten dien dag weleens zien, waar blijft hij? Zie Jes. 5:19. Jer. 17:15, met de aantt. Insgelijks Amos 6:3. verwijsteksten
g Jer. 30:7. Joël 2:2. Zef. 1:15. verwijsteksten
53 Zie Joël 2 op vers 2. verwijsteksten
19 54Als wanneer iemand vlood voor het aangezicht eens leeuws, en hem ontmoette een beer; of dat hij kwam in een huis, en leunde met zijn hand aan den wand, en hem beet een slang.54 Zodanig zal des Heeren dag zijn, dat gij de straf niet zult kunnen ontgaan, maar van het ene schrikkelijke gevaar in het andere vallen, totdat gij omkomt. Zie Jes. 24:18. Jer. 48:44. Hos. 13:7, 8. verwijsteksten
20 55Zal dan niet des HEEREN dag duisternis zijn en geen licht? En donkerheid, zodat er geen glans aan zij?55 Ja, gewisselijk, wil de profeet zeggen, gij moogt het loochenen, of u het tegendeel inbeelden zoveel gij wilt, het zal nochtans alzo zijn.
21 Ik 56haat, Ik versmaad uw feesten, hen Ik mag uw 57verbodsdagen niet 58rieken.56 Zie Jes. 1:11, 12, 13, 14, met de aantt. verwijsteksten
h Jes. 1:11. Jer. 6:20. verwijsteksten
57 Zie Lev. 23 op vers 36. verwijsteksten
58 Gelijk wij ook in onze taal spreken van personen en zaken waarvan wij een groten afkeer hebben. Anders: op uw verbodsdagen mag of zal Ik niet rieken, te weten uw reukwerk, dat gij Mij alsdan offert, dat anders in recht gebruik een lieflijke reuk was voor den Heere. Zie Lev. 26 op vers 31. verwijsteksten
22 Want ofschoon gij Mij brandoffers offert, mitsgaders uw spijsoffers, Ik heb er toch geen welgevallen aan; en het 59dankoffer van uw vette beesten mag Ik niet aanzien.59 Of: uw vette dankoffers.
23 Doe het 60getier uwer liederen van Mij weg; ook mag Ik uwer 61luiten 62spel niet horen.60 Het Hebreeuwse woord betekent allerlei gedruis, en ook menigte, overvloed. Het zingen en spelen was mede van God te dien tijde in Zijn uiterlijken dienst ingesteld, maar van hen (als de rest) verdorven door huichelarij en goddeloosheid, en specialijk door die snode afgoderij, bij dewelke zij hun gezang gebruikten. Zie Amos 8:3. verwijsteksten
61 Anders: harpen.
62 Of: melodie, gezang.
24 Maar laat het 63oordeel zich daarheen wentelen als de wateren, en de gerechtigheid als een sterke beek.63 Dat is, weest overvloedig en ijverig in recht en gerechtigheid, dat is het wat Ik eis. Anders: Maar het oordeel zal zich, enz., dat is, Mijn straffen zullen u met geweld en menigte overvallen en overal doordringen, om al uw huichelarij, afgoderij en goddeloosheid.
25 iHebt gij 64Mij veertig jaar in de woestijn slachtoffers en spijsoffer toegebracht, o huis Israëls?i Hand. 7:42. verwijsteksten
64 Geenszins, wil God zeggen; want uw hart is niet bij of met Mij geweest, niet oprecht voor Mij, in dit alles, maar, enz., als volgt. Deze vraag loochent sterkelijk. Vgl. Hand. 7:41, 42, 43. verwijsteksten
26 Ja, gij 65droegt de 66tent van uw 67Melech en den 68Kijûn, uw beelden, de 69ster uws gods, dien gij uzelven hadt gemaakt.65 Dit kan men alzo verstaan, dat zij (als moedwillige en ongebonden afgodendienaars) zulks naar de letter somwijlen mogen hebben gedaan; of alzo, dat hun hart niet bij Gods tent (die zij met het lichaam droegen) en Zijn godsdienst, maar bij hun afgoden geweest is, die zij in het hart droegen, zodat hun uiterlijke huichelachtige godsdienst voor God niets dan enkel afgoderij is geacht geweest.
66 Of: hut, gehemelte, deksel. Het Hebreeuwse woord wordt alleenlijk hier zo gevonden. Het schijnt dat de profeet de heidense afgodische namen honende hier gebruikt, om Israël te beschamen.
67 Dat is, koning; versta den afgod Molech of Milcom, en zie Jer. 49 op vers 1. Insgelijks Amos 7 op vers 13. verwijsteksten
68 Dit houden sommigen voor den naam van een afgod, insgelijks de planeet Saturnus. Doch men kan het ook bekwamelijk met anderen aldus overzetten: en het gereedschap (of stelling, stijlen, het gestoelte) uwer beelden.
69 Dat is, de beeltenis van de ster van uw afgod. Vgl. Hand. 7:41, 42, 43. Insgelijks Jer. 7:18 met de aant. Enigen menen dat Molech Saturnus is geweest, en de andere Baäls de andere planeten of sterren. Anders: het gesternte uwer goden, enz. verwijsteksten
27 Daarom zal Ik ulieden gevankelijk wegvoeren, 70ver boven Damascus heen, zegt de HEERE, Wiens Naam is God der heirscharen.70 Tot de uiterste contreien van Assyrië, ja, boven Babylonië. Zie Hand. 7:43. Insgelijks 2 Kon. 17:6. Van Damascus zie Gen. 14 op vers 15. 2 Sam. 8 op vers 5. Sommigen duiden het ook op de scherpheid dezer gevangenis, die veel harder zou zijn dan die van Syrië, onder Hazaël, 2 Kon. 13:3, 7. verwijsteksten

Einde Amos 5