Statenvertaling.nl

sample header image

Amos 4 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Amos 4

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

God zweert den groten te Samaria en al het volk, dat Hij hen gevankelijk zal laten wegvoeren en verjagen, om hun geweld, zuiperij, afgoderij en onbekeerlijkheid in vele toegezonden plagen, vs. 1, enz. Nodigt hen evenwel nog tot bekering, met voorstelling Zijner majesteit en macht, 12.
 
Israëls onbekeerlijkheid
1 HOORT dit woord, gij 1koeien van Basan, gij die op den berg van Samaría zijt, die de armen verdrukt, die de nooddruftigen verplettert; gij die tot 2hunlieder heren zegt: 3Brengt aan, opdat wij drinken.
1 Vgl. Ps. 22:13 met de aant.; insgelijks Jes. 28:1. Hos. 4:16, en versta hier de goddeloze en trotse regeerders en rechters, die zich mestten van de geschenken der rijken, die de armen voor het gericht betrokken en onderdrukten. Zij worden genoemd koeien van Basan, omdat er vette weiden en koeien in Basan waren. verwijsteksten
2 Der armen rijke schuldheren of crediteuren, die de behoeftige lieden als slaven in hun macht hadden.
3 Brengt ons maar geld of geschenken, opdat wij daarvan mogen zuipen en zwelgen, en maakt gij het dan met de armen, zo gij wilt. Vgl. Hos. 4:18. verwijsteksten
 
2 De Heere HEERE heeft gezworen 4bij Zijn heiligheid, dat er, zie, 5dagen over ulieden zullen komen, 6dat men u zal 7optrekken met haken en uw 8nakomelingen met 9visangels.
4 Zie Gen. 22 op vers 16. verwijsteksten
5 Dat is, bestemde tijden van plagen. Zie Ps. 37:13. Jer. 50:27, 31. Joël 1:15, met de aantt. verwijsteksten
6 Hebr. dat hij, dat is, dat men, of de vijand, enz.
7 Of: wegnemen, wegvoeren. In het volgende met haken. Versta: gelijk men de grote vissen met haken uit de zee optrekt, zal Ik u door den vijand uit uw land wegrukken, hoe node of ongaarne gij ook daaruit zoudt willen. Vgl. Jer. 16:16. Hab. 1:14, 15 en voorts Job 40:21. Jes. 37:29. Ez. 19:4, 9; 29:4. verwijsteksten
8 Of: uw laatsten, achtersten, dat is, die overgebleven mogen zijn, of zich achterlijk houden. Zie van het Hebreeuwse woord Jer. 31 op vers 17. verwijsteksten
9 Die scherp en stekende zijn, als doornen of naar de wijze van die gemaakt, waarop het Hebreeuwse woord ziet. Zie Job 40:21. verwijsteksten
 
3 En 10gij zult door de 11bressen uitgaan, een 12ieder 13voor zich heen; en gij zult 14hetgeen in het paleis gebracht is, wegwerpen, spreekt de HEERE.
10 Koeien van Basan, waarvan vers 1. verwijsteksten
11 Van den stadsmuur, die de vijand daarin zal hebben gemaakt, om te zien of gij zoudt kunnen ontvlieden; of: gij zult door den vijand uitgevoerd worden in gevangenis. Vgl. Ez. 12:5, 12, enz. verwijsteksten
12 Koe van Basan, dat is, een iegelijk van ulieden, die nu zo weelderig en stout zijt.
13 Zonder te denken op de anderen, ziende slechts voor uzelven om een heenkomen, als men zegt. Vgl. Amos 2:15, 16. Of: gij zult een voor een gevangen henen passeren met uw gevangengereedschap. verwijsteksten
14 Dat gij in uw paleizen hebt vergaderd door geweld en roverij. Zie Amos 3:10. Anders: gij zult de paleizen wegwerpen, dat is, verlaten. verwijsteksten
 
4 15Komt te 16Bethel en overtreedt; 17te aGilgal, maakt 18des overtredens veel, en brengt uw offers des morgens, uw tienden om de 19drie dagen;
15 Een bevel, spotswijze gegeven; want aldus bespot de Heere den hittigen brand en de dolligheid der Israëlieten in het bedrijven der afgoderij, die den afgoden gaven wat men God alleen te Jeruzalem moest geven, en daarenboven veel meer deden ter ere der afgoden dan God voor Zich bevolen had. Vgl. Jer. 7:21. Ez. 20:39 met de aant. verwijsteksten
16 Zie Hos. 4:15; 12:5. Amos 5:5. verwijsteksten
17 Versta hierop: komt, gaat vrij naar Gilgal, enz.
a Hos. 12:12. verwijsteksten
18 Hebr. maakt veel of vermenigvuldigt overtredende of met overtreden.
19 Dat is, om alle drie jaren der dagen, dat is, drie volle jaren, naar het bevel Gods, Deut. 14:28. Alzo wordt dagen voor vele dagen of een jaar der dagen (dat is, een vol jaar) genomen, Lev. 25:29. Num. 9:22. 1 Sam. 27:7. Zie de aantt. aldaar. Sommigen verstaan het van de vrolijke maaltijden, die zij op de drie feesten, pascha, pinksteren en der loofhutten, hielden van hun tienden, Deut. 14:22. Enigen menen dat zij wel alle drie dagen den afgoden deden, wat men Gode slechts deed om de drie jaren. verwijsteksten
 
5 En b20rookt van het 21gedesemde een lofoffer en roept vrijwillige offers uit, doet het horen; want alzo 22hebt gij het gaarne, gij kinderen Israëls, spreekt de Heere HEERE.
b Lev. 2:1, 15; 7:13. verwijsteksten
20 Zie Lev. 2:1, 15. verwijsteksten
21 Zie Lev. 2 op vers 11; 7:13. Doch het schijnt dat de Israëlieten een nieuw reukoffer uit zuurdesem hadden versierd, doende alzo vele zonden tegelijk: I. gevende den afgoden wat God toekwam; II. in een andere plaats dan te Jeruzalem; III. nieuwe, overtollige diensten tegen Gods wet invoerende, om kwansuis een ijver te betonen. verwijsteksten
22 Hebr. hebt gijlieden lief, of: bemint gij, gelijk elders; alsof God zeide: Gij wilt het toch zo hebben, doet het dan, maar denkt hoe het u bekomen is en wijders bekomen zal, als volgt.
 
6 Daarom heb Ik ulieden ook 23reinheid der tanden gegeven in al uw steden, en gebrek van brood in al uw plaatsen; nochtans hebt gij u niet bekeerd 24tot Mij, spreekt de HEERE.
23 Dat is, gebrek van spijze, of honger; want waar niets is te eten, daar kleeft geen spijze aan de tanden. Vgl. 1 Koningen 17; 18. Joël 1:1, enz., en zie wijders de aant. op Spr. 14:4. Jes. 3 op vers 26. verwijsteksten
24 Hebr. tot Mij toe. Zie van deze manier van spreken Joël 2 op vers 12. Alzo in het volgende. verwijsteksten
 
7 Daartoe heb Ik ook den 25regen van ulieden geweerd, als er nog drie maanden waren tot den oogst, en heb doen regenen over de ene stad, maar over de andere stad niet doen regenen; het ene stuk land werd beregend, maar het andere stuk land waar het niet op regende, verdorde.
25 Dien de Heere pleegt te geven tegen den oogst, om het koren zwaar en rijp te maken. Zie Joël 2 op vers 23. verwijsteksten
 
8 En twee, drie steden togen om tot één stad, opdat zij water mochten drinken, maar werden niet 26verzadigd; nochtans hebt gij u niet bekeerd tot Mij, spreekt de HEERE.
26 Dat is, zij konden daarvan niet genoeg bekomen tot hun nooddruft.
 
9 Ik heb ulieden geslagen met c27brandkoren en met honingdauw; de 28veelheid uwer hoven, en uwer wijngaarden, en uwer vijgenbomen, en uwer olijfbomen at de d29rups op; nochtans hebt gij u niet bekeerd tot Mij, spreekt de HEERE.
c Deut. 28:22. verwijsteksten
27 Zie van deze beide plagen Deut. 28 op vers 22. verwijsteksten
28 Hebr. het vermenigvuldigen uwer hoven.
d Joël 1:4; 2:25. verwijsteksten
29 Zie Joël 1:4. verwijsteksten
 
10 Ik heb de pestilentie onder ulieden gezonden, naar de 30wijze van Egypte; Ik heb uw jongelingen door het zwaard gedood 31en uw paarden gevankelijk laten wegvoeren; en Ik heb den 32stank uwer heirlegers zelfs in uw neus doen opgaan; nochtans hebt gij u niet bekeerd tot Mij, spreekt de HEERE.
30 Hebr. in of op, naar den weg van Egypte, dat is, naar de wijze (als Gen. 31:35), gelijkerwijs als Ik de sterfte eertijds gezonden heb in Egypte. Zie Ex. 9:3, 6. Ps. 78:50. Anders: op den weg van Egypte, dat is, als gij op den weg waart om in Egypte hulp te zoeken. Zie Hos. 7:11, 12. verwijsteksten
31 Hebr. met gevangenis uwer paarden, die de rijke en prachtlievende jongemannen bij menigten gebruikt hadden.
32 Zo van de gestorvenen door Gods plaag, als van de geslagenen door den vijand.
 
11 Ik heb sommigen onder ulieden 33omgekeerd, gelijk God e34Sódom en Gomórra omkeerde, gij die waart als een 35vuurbrand dat uit den brand gered is; nochtans hebt gij u niet bekeerd tot Mij, spreekt de HEERE.
33 Uw staat bijkans geheel geruïneerd. Zie 2 Kon. 13:3; 14:26. verwijsteksten
e Gen. 19:24. verwijsteksten
34 Met de andere steden. Zie Gen. 19:24. Jes. 13:19. Jer. 49:18. Hos. 11:8. verwijsteksten
35 Gelijk een hout dat half of bijkans verbrand was, als Ik u genadiglijk uit dat verderf uitrukte en herstelde door Jerobeam, den zoon van Joas. Zie 2 Kon. 14:25 en vgl. Zach. 3:2. verwijsteksten
 
12 Daarom zal Ik u 36alzo doen, o Israël; omdat Ik u dan dit doen zal, zo schik u, o Israël, 37om uw God te ontmoeten.
36 Om uw zonden en hardnekkigheid (in het voorgaande verhaald) zal Ik zo met u handelen, als Ik vss. 2 en 3 gedreigd heb. verwijsteksten
37 Hebr. tot ontmoeting uws Gods, dat is, dat gij Hem ontmoet met ware bekering, om Zijn toorn te stillen; of bereid u om (zo gij kunt) tegen Hem aan te gaan, en Zijn aankomst, als van uw vijand, af te keren. Vgl. Ez. 13:5; 22:30. Op beide past het volgende, waarin die God beschreven wordt, met Welken zij te doen hadden, en Die hun dit alles dreigde. verwijsteksten
 
13 Want zie, Die de bergen formeert en den fwind schept en den mens bekendmaakt wat 38zijn gedachte zij, Die den 39dageraad duisternis maakt en op de 40hoogten der aarde treedt, HEERE, God der 41heirscharen, is Zijn Naam.
f Nah. 1:3. verwijsteksten
38 Die het hart des mensen doorgrondt en zijn verborgenste gedachten weet, doende zulks blijken metterdaad, wanneer Hij des mensen allergeheimste aanslagen en voornemens dikwijls wonderbaarlijk ontdekt en belet. Of men kan het nemen voor een bewijs van Gods almacht, dewijl Hij toekomende dingen, die Hij in Zijn raad besloten heeft, den mensen openbaart en evenwel onverhinderd in het werk stelt. Vgl. Jes. 41:22, 26. verwijsteksten
39 Dat is, licht in duisternis verandert, als het Hem belieft. Zie Amos 5:8. Anders: dageraad en de duisternis, dat is, dag en nacht maakt. verwijsteksten
40 Dat is, Die verheven is boven alle heerlijkheid en soevereiniteit, alle wereldse hoogheid als onder Zijn voeten hebbende. Vgl. Micha 1:3. verwijsteksten
41 Zie 1 Kon. 18 op vers 15. verwijsteksten

Einde Amos 4