Statenvertaling.nl

sample header image

Leviticus 17 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Leviticus 17

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Waar en aan Wien men zal offeren
1 VERDER sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
2 Spreek tot Aäron en tot zijn zonen en tot al de kinderen Israëls en zeg tot hen: Dit is het woord hetwelk de HEERE geboden heeft, zeggende:
3 Een ieder van het huis Israëls, die een os of lam of geit in het leger slachten zal, of die ze slachten zal buiten het leger,
4 En dezelve aan de deur van de tent der samenkomst niet brengen zal, om een offerande den HEERE voor den tabernakel des HEEREN te offeren: het bloed zal dienzelven man toegerekend worden, hij heeft bloed vergoten; daarom zal dezelve man uit het midden zijns volks uitgeroeid worden,
5 Opdat, wanneer de kinderen Israëls hun slachtoffers brengen, welke zij op het veld slachten, dat zij die den HEERE toebrengen, aan de deur van de tent der samenkomst, tot den priester, en dezelve tot dankoffers den HEERE slachten.
6 En de priester zal het bloed op het altaar des HEEREN, aan de deur van de tent der samenkomst, sprengen, en hij zal het vet aansteken tot aeen lieflijken reuk den HEERE. a Ex. 29:18. Lev. 4:31. verwijsteksten
7 En zij zullen ook niet meer hun slachtoffers den duivelen, dewelke zij nahoereren, offeren; dat zal hun een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten.
8 Zeg dan tot hen: Een ieder van het huis Israëls en van de vreemdelingen die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die een brandoffer of slachtoffer zal offeren,
9 En dat tot de deur van de tent der samenkomst niet zal brengen om hetzelve den HEERE te bereiden, diezelve man zal uit zijn volken uitgeroeid worden.
 
Geen bloed of aas eten
10 En een ieder uit het huis Israëls en uit de vreemdelingen die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, bdie enig bloed zal gegeten hebben, tegen diens ziel die dat bloed zal gegeten hebben, zal Ik Mijn aangezicht zetten en zal die uit het midden haars volks uitroeien. b Gen. 9:4. Lev. 3:17; 7:27; 19:26. Deut. 12:16, 23. 1 Sam. 14:33. verwijsteksten
11 Want de ziel van het vlees is in het bloed, waarom Ik het u op het altaar gegeven heb om over uw zielen verzoening te doen; want het is het bloed dat voor de ziel verzoening doen zal.
12 Daarom heb Ik den kinderen Israëls gezegd: Geen ziel van u zal bloed eten; noch de vreemdeling die als vreemdeling in het midden van u verkeert, zal bloed eten.
13 Een ieder ook van de kinderen Israëls en van de vreemdelingen die als vreemdelingen in het midden van hen verkeren, die een wild gedierte of gevogelte dat gegeten wordt, in de jacht gevangen zal hebben, die zal deszelfs bloed vergieten en zal dat met stof bedekken.
14 cWant het is de ziel van alle vlees; zijn bloed is voor zijn ziel; daarom heb Ik den kinderen Israëls gezegd: Gij zult geens vleses bloed eten; want de ziel van alle vlees, dat is zijn bloed; zo wie dat eet, zal uitgeroeid worden. c Gen. 9:4. verwijsteksten
15 dEn alle ziel onder de inboorlingen of onder de vreemdelingen, die een dood aas of het verscheurde zal gegeten hebben, die zal zijn klederen wassen en zich met water baden en onrein zijn tot aan den avond; daarna zal hij rein zijn. d Ex. 22:31. Lev. 11:40. Ez. 44:31. verwijsteksten
16 Maar indien hij die niet wast en zijn vlees niet baadt, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.

Einde Leviticus 17