Statenvertaling.nl

sample header image

Leviticus 14 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Leviticus 14

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Wetten van de reiniging van een melaatse, vs. 1, enz. Van de ceremoniën daarin te onderhouden, 3. En de offeranden met de aanhangsels van die voor de rijken, 10. En voor de armen, 21. Van de melaatsheid der huizen, en van de tekenen uit dewelke men dezelve moest kennen, 33. Van de wijze om die te reinigen, 49. Besluit van dit en van het voorgaand hoofdstuk, 54.
 
De reiniging van een melaatse
1 DAARNA sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
2 Dit zal de wet des melaatsen zijn 1ten dage zijner reiniging: adat hij 2tot den priester zal gebracht worden,
1 Dat is, als de priester hem rein zal verklaren.
a Matth. 8:4. Mark. 1:44. Luk. 5:14; 17:14. verwijsteksten
2 Te weten wat nader tot hem, opdat hij niet behoefde zeer ver buiten het leger uit te gaan.
 
3 En de priester zal buiten het leger gaan; als de priester 3merken zal dat, zie, die plaag der melaatsheid van den melaatse genezen is,
3 Deze bezichtiging en de verklaring die daarop volgde, moest van den priester naar de wetten gesteld in het voorgaande hoofdstuk gedaan worden.
 
4 Zo zal de priester gebieden, dat men voor hem die te reinigen zal zijn, twee levende reine 4vogels neme, mitsgaders cederhout en 5scharlaken en 6hysop.
4 Het Hebreeuwse woordje betekent in het gemeen een vogel, Deut. 4:17. Ps. 8:9, in het bijzonder een kleinen vogel, en onder andere een mus, gelijk het van velen genomen wordt, Ps. 84:4; 102:8. verwijsteksten
5 Versta enige stof, als wol, die in de scharlaken verf tweemaal ingedoopt is. Zie Gen. 38 op vers 28 en Ex. 25:4. verwijsteksten
6 Zie Ex. 12:22. verwijsteksten
 
5 De priester zal ook gebieden dat men den enen vogel slachte, in een aarden 7vat, over 8levend water.
7 In hetwelk het bloed van den geslachten vogel druipen moest, en met het water vermengd worden.
8 Versta dat uit een springende fontein of lopende rivier moest genomen zijn, en levend genaamd wordt omdat het in het vloeien zich roert, alsof het leefde. Vgl. Gen. 26:19 en de aant. daarop. verwijsteksten
 
6 Dien levenden vogel zal hij nemen, en het cederhout en het scharlaken en de hysop; en zal die en den levenden vogel dopen in het bloed des vogels die over het levende water geslacht is.
7 En hij zal over hem die van de melaatsheid te reinigen is, zevenmaal sprengen; daarna zal hij hem rein verklaren en den levenden vogel in het 9open veld vliegen laten.
9 Hebr. over het aangezicht des velds uitzenden, of loslaten.
 
8 Die nu te reinigen is, zal zijn klederen wassen en al zijn haar afscheren en zich in het water afwassen, zo zal hij rein zijn; daarna zal hij in het leger komen, 10maar zal buiten zijn tent zeven dagen blijven.
10 Vgl. Lev. 13 de aant. op vers 46; Num. 12 op vers 14 en Num. 31 op vers 19. verwijsteksten
 
9 En het zal ten zevenden dage geschieden, dat hij al zijn haar zal afscheren, zijn hoofd en zijn baard en de wenkbrauwen zijner ogen; ja, al zijn haar zal hij afscheren, en zal zijn klederen wassen en zijn vlees met water baden, zo zal hij rein zijn.
10 En op den achtsten dag zal hij twee volkomen 11lammeren en één 12eenjarig volkomen schaap nemen, mitsgaders 13drie tienden meelbloem ten spijsoffer, met olie gemengd, en één 14log olie.
11 Waarvan het ene ten schuldoffer, het andere ten brandoffer geofferd moest worden. Zie vss. 12, 19. verwijsteksten
12 Hebr. een dochter van haar jaar.
13 Te weten van een efa, dat is, drie gomer. Zie Ex. 16:36. verwijsteksten
14 Een kleine maat van natte waren, houdende vier kwadranten, van welke een was de maat van anderhalve eierschaal, zodat een log zes gemene eierschalen heeft gehouden. Het vierde deel van een kab, dewelke hield vier loggen of vier en twintig eierschalen, dat is, zoveel als in vier en twintig eierschalen gaan kan.
 
11 De priester nu die de reiniging doet, zal den man die te reinigen is en die dingen stellen voor het aangezicht des HEEREN, aan de deur van de tent der samenkomst.
12 En de priester zal dat ene lam nemen en hetzelve offeren tot een schuldoffer met den log olie, ben zal die ten 15beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN bewegen.
b Ex. 29:24. verwijsteksten
15 Zie Lev. 7 op vers 30. verwijsteksten
 
13 Daarna zal hij dat lam slachten in de plaats waar men het zondoffer en het brandoffer slacht, in de 16heilige plaats; want het schuldoffer, cgelijk het zondoffer, is voor den priester; 17het is een heiligheid der heiligheden.
16 Hebr. plaats der heiligheid. Dewelke was in het voorhof bij het brandofferaltaar. Zie Ex. 29:11; Lev. 4:4; 6 op vers 16; 6:26. verwijsteksten
c Lev. 7:7. verwijsteksten
17 Zie Lev. 2 op vers 3. verwijsteksten
 
14 En de priester zal van het bloed des schuldoffers nemen, hetwelk de priester doen zal op het lapje van het rechteroor desgenen die te reinigen is, en op den duim zijner rechterhand en op den groten teen van zijn rechtervoet.
15 De priester zal ook uit den log der olie nemen, en 18zal ze op des priesters linkerhand gieten.
18 Alzo ook vers 26. Dat is, op zijn eigen hand, en dienvolgens niet op de hand desgenen die gereinigd werd. verwijsteksten
 
16 Dan zal de priester zijn rechtervinger indopen, 19nemende van die olie die in zijn linkerhand is, en zal met zijn vinger van die olie zevenmaal sprengen voor het aangezicht des HEEREN.
19 Dit woord wordt hier ingevoegd volgens zeker gebruik van de Hebreeuwse taal, waarvan te zien is Gen. 12 op vers 15. verwijsteksten
 
17 En van het overige derzelver olie die in zijn hand zal zijn, zal de priester doen op het lapje van het rechteroor desgenen die te reinigen is, en op den duim zijner rechterhand, en op den groten teen van zijn rechtervoet, 20boven op het bloed des schuldoffers.
20 Dat is, op de plaats waarop het bloed van het schuldoffer tevoren gestreken was. Zie vss. 14, 28. verwijsteksten
 
18 Wat nog overgebleven zal zijn van die olie die in de hand des priesters geweest is, zal hij doen op het hoofd desgenen die te reinigen is; zo zal de priester over hem verzoening doen voor het aangezicht des HEEREN.
19 De priester zal ook het zondoffer bereiden en voor hem die van zijn onreinheid te reinigen is, verzoening doen; en daarna zal hij het 21brandoffer slachten.
21 Zie op vers 10. verwijsteksten
 
20 En de priester zal dat brandoffer en dat spijsoffer op het altaar 22offeren; zo zal de priester de verzoening voor hem doen, en hij zal rein zijn.
22 Hebr. doen opklimmen.
 
21 Maar indien hij arm is 23en zijn hand dat niet bereikt, zo zal hij één lam ten schuldoffer, ter beweging nemen, om voor hem verzoening te doen; daartoe één tiende meelbloem, met olie gemengd, ten spijsoffer, en een log olie;
23 Dat is, indien hij door zijn armoede zoveel niet kan doen. Zie Lev. 5 op vers 7 en onder, vss. 22, 30, 31, 32, enz. verwijsteksten
 
22 Mitsgaders twee tortelduiven of twee 24jonge duiven, die zijn hand bereiken zal, van welke een ten zondoffer en een ten brandoffer zijn zal.
24 Hebr. zonen ener duif. Alzo vers 30. verwijsteksten
 
23 En hij zal die ten achtsten dage 25zijner reiniging tot den priester brengen, aan de deur van de tent der samenkomst, voor het aangezicht des HEEREN.
25 Of: tot zijn reiniging.
 
24 En de priester zal het lam des schuldoffers en den log der olie nemen, en de priester zal die ten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN bewegen.
25 Daarna zal hij het lam des schuldoffers slachten, en de priester zal van het bloed des schuldoffers nemen en doen op het rechteroorlapje desgenen die te reinigen is, en op den duim zijner rechterhand en op den groten teen van zijn rechtervoet.
26 Ook zal de priester van die olie op 26des priesters linkerhand gieten.
26 Dat is, op zijn eigen hand. Zie op vers 15. verwijsteksten
 
27 Daarna zal de priester met zijn rechtervinger van die olie die op zijn linkerhand is, sprengen, zevenmaal, voor het aangezicht des HEEREN.
28 En de priester zal van de olie die op zijn hand is, doen aan het lapje van het rechteroor desgenen die te reinigen is, en aan den duim zijner rechterhand, en aan den groten teen van zijn rechtervoet, op de plaats van het bloed des schuldoffers.
29 En het overgeblevene van de olie die in de hand des priesters is, zal hij doen op het hoofd desgenen die te reinigen is, om de verzoening voor hem te doen voor het aangezicht des HEEREN.
30 Daarna zal hij de ene van de tortelduiven of van de jonge duiven bereiden, van hetgeen zijn hand bereikt zal hebben.
31 Van hetgeen zijn hand bereikt zal hebben, zal het ene ten zondoffer en het ene ten brandoffer zijn, boven het spijsoffer; zo zal de priester voor hem die te reinigen is, verzoening doen voor het aangezicht des HEEREN.
32 Dit is de wet desgenen in denwelken de plaag der melaatsheid zal zijn, wiens hand in zijn reiniging 27dat niet zal bereikt hebben.
27 Te weten, dat tot de reiniging der melaatsheid is vereist geweest, vers 10. verwijsteksten
 
Melaatsheid in huizen
33 Verder sprak de HEERE tot Mozes en tot Aäron, zeggende:
34 Als gij zult gekomen zijn in het land van Kanaän, hetwelk Ik u tot bezitting 28geven zal, en Ik de plaag der melaatsheid aan een huis van het land uwer bezitting zal gegeven hebben;
28 Hebr. ben gevende, dat is, zekerlijk geven zal. Vgl. Lev. 9 de aant. op vers 4. verwijsteksten
 
35 Zo zal hij van wien dat huis is, komen en den priester te kennen geven, zeggende: 29Het schijnt mij alsof er een plaag in het huis ware.
29 Dat is, het dunkt mij, of: het gelaat zich zo in mijn ogen, het huis wordt voor zodanig van mij aangezien.
 
36 En de priester zal gebieden 30dat zij dat huis 31ruimen, aleer de priester komt om die plaag te bezien, opdat niet al wat in dat huis is, onrein worde; en daarna zal de priester komen om dat huis te bezien.
30 Namelijk de inwoners van dat huis.
31 Te weten, met het huisraad daaruit te nemen en weg te dragen. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk iets uit het gezicht weg te doen.
 
37 Als hij die plaag bezien zal, dat, zie, die plaag aan de wanden van dat huis zijn groenachtige of roodachtige kuiltjes, en hun aanzien lager is dan die wand,
38 De priester zal uit dat huis uitgaan aan de deur van hetzelve huis, en hij zal dat huis zeven dagen doen toesluiten.
39 Daarna zal de priester op den zevenden dag wederkeren; indien hij merken zal dat, zie, die plaag aan de wanden van dat huis uitgespreid is,
40 Zo zal de priester gebieden dat zij de stenen in welke die plaag is, uitbreken, en dezelve tot buiten de stad werpen, aan een onreine plaats;
41 En dat huis zal hij rondom van binnen doen schrabben, en zij zullen het 32stof dat zij afgeschrabd hebben, tot buiten de stad aan een onreine plaats uitstorten.
32 Dat is, het afgeschrabde leem, kalk, enz.
 
42 Daarna zullen zij andere stenen nemen en in de plaats van gene stenen brengen; en men zal ander leem nemen en dat huis bestrijken.
43 Maar indien die plaag wederkeert en in dat huis uitbot, nadat men de stenen uitgebroken heeft, en na het afschrabben van het huis en nadat het zal bestreken zijn,
44 Zo zal de priester komen; als hij nu zal merken dat, zie, die plaag aan dat huis uitgespreid is, het is een 33knagende melaatsheid in dat huis; het is onrein.
33 Vgl. Lev. 13:51. verwijsteksten
 
45 Daarom zal men dat huis, zijn stenen en zijn hout ganselijk afbreken, mitsgaders al het leem van hetzelve huis, en men zal het tot buiten de stad uitvoeren aan een onreine plaats.
46 En wie in dat huis gaat te enigen dage, als men hetzelve zal toegesloten hebben, zal onrein zijn tot aan den avond.
47 Wie ook in dat huis 34te slapen ligt, zal zijn klederen wassen; insgelijks wie in dat huis eet, zal zijn klederen wassen.
34 Of: slaapt. Zie Gen. 19 op vers 4. verwijsteksten
 
48 Maar als de priester zal 35weder ingegaan zijn en zal merken dat, zie, die plaag aan dat huis niet uitgespreid is, nadat het huis zal bestreken zijn, zo zal de priester dat huis rein verklaren, dewijl die plaag genezen is.
35 Hebr. ingaande ingegaan, dat is, weder of meermaals ingegaan.
 
49 Daarna zal hij, om dat huis te 36ontzondigen, twee vogeltjes nemen, mitsgaders cederhout en 37scharlaken en hysop.
36 Dat is, door offerande te reinigen, en tot een eerlijk of rein gebruik te eigenen. Vgl. Lev. 8:15 en de aant. daarop. Insgelijks onder, vss. 52, 53. verwijsteksten
37 Zie op vers 4. verwijsteksten
 
50 En hij zal den enen vogel slachten in een aarden vat, 38over levend water.
38 Zie op vers 5. verwijsteksten
 
51 Dan zal hij dat cederhout en die hysop en het scharlaken en den levenden vogel nemen, en zal die in het bloed des geslachten vogels en in het levende water dopen, en hij zal dat huis zevenmaal besprengen.
52 Zo zal hij dat huis ontzondigen met het bloed des vogels en met dat levend water, en met den levenden vogel en met dat cederhout en met de hysop en met het scharlaken.
53 Den levenden vogel nu zal hij tot buiten de stad, 39in het open veld laten vliegen; zo zal hij 40over het huis verzoening doen, en het zal rein zijn.
39 Hebr. over het aangezicht des velds. Alzo vers 7. verwijsteksten
40 Dat is, het huis ontzondigen, vers 49. Zie daarop de aant. en deze manier van spreken Ex. 29:37. Lev. 16:16, 33. Ez. 45:20. verwijsteksten
 
54 Dit is de wet voor alle plaag der melaatsheid en voor schurftheid,
55 En voor melaatsheid der klederen en der huizen,
56 Mitsgaders voor gezwel en voor gezweer en voor blaren,
57 41Om te leren in welken dag iets onrein en in welken dag iets rein is. Dit is de wet der melaatsheid.
41 Te weten den priester, en door den priester het volk.

Einde Leviticus 14