Statenvertaling.nl

sample header image

Leviticus 10 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Leviticus 10

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Nadab en Abihu zich bezondigende, worden door des Heeren vuur gedood, vs. 1, enz. Mozes hun vader Aäron vermaand hebbende, doet hun dode lichamen buiten het leger voeren, 4. Verbiedt Aäron, en zijn twee anderen zonen, rouw daarover te dragen, 6. Mitsgaders wijn of enigen sterken drank te gebruiken, als zij in de tent der samenkomst zouden gaan, 8. Hij verklaart hun ook, wat zij van de vuuroffers des Heeren eten moesten, 12. En is gram om het ongegeten zondoffer, 16. Maar wordt van Aäron gestild, 19.
 
Vreemd vuur
1 EN de zonen van Aäron, Nadab en Abíhu, namen een ieder zijn 1wierookvat en deden vuur daarin en legden reukwerk daarop, en 2brachten 3vreemd vuur 4voor het aangezicht des HEEREN, hetwelk Hij hun niet geboden had.
1 Een vat om wierook daarin aan te steken; zo ook Num. 16:17. Het Hebreeuwse woord betekent ook een blusvat, Ex. 25:38, en een koolpan, Ex. 27:3. verwijsteksten
2 Anders: offerden, dat is, meenden te offeren.
3 Te weten, dat niet genomen was van het heilig vuur des tabernakels; van hetwelk zie Lev. 1 op vers 7 en 6:12. verwijsteksten
4 Zie Lev. 1 op vers 3. verwijsteksten
 
2 Toen ging een vuur uit 5van het aangezicht des HEEREN en 6verteerde hen; en azij stierven 7voor het aangezicht des HEEREN.
5 Zie Lev. 9 op vers 24. verwijsteksten
6 Dat is, doodde hen, en verteerde hun leven. Want gelijk hun klederen, alzo zijn hun lichamen geheel gebleven, zodat zij door het vuur niet zijn verteerd geweest; gelijk blijkt uit vss. 4, 5. verwijsteksten
a Num. 3:4; 26:61. 1 Kron. 24:2. verwijsteksten
7 Dat is, in het voorhof van de tent der samenkomst.
 
3 En Mozes zeide tot Aäron: Dat is het wat de HEERE 8gesproken heeft, zeggende: bIn degenen 9die tot Mij naderen, zal Ik 10geheiligd worden, en voor het aangezicht van al het volk zal Ik verheerlijkt worden. Doch Aäron 11zweeg stil.
8 Vgl. Lev. 8:35, alwaar gesproken wordt van de straf dergenen die hun ambt in den tabernakel niet wel zouden bedienen. verwijsteksten
b Lev. 8:35. verwijsteksten
9 Dat is, die Mij in den tabernakel dienen, te weten de priesters. Zie Ex. 19:22. Lev. 21:17. Ez. 42:13, 14. verwijsteksten
10 Dat is, heilig verklaard worden, door te straffen degenen die Mijn wetten niet onderhouden. Alzo Ez. 28:22. Zie gelijk gebruik van het woord rechtvaardigen Ps. 51:6. God wordt ook geheiligd als Hij Zijn weldaden bewijst, en daarover mild en goeddadig verklaard wordt, Ez. 20:41. verwijsteksten
11 Niet murmurerende door onverduldigheid tegen de oordelen Gods.
 
4 En Mozes riep 12Mísaël en Elzafan, de zonen van 13Uzziël, Aärons oom, en zeide tot hen: Treedt toe, draagt uw 14broederen weg van voor het heiligdom, 15tot buiten het leger.
12 Hebr. Mischaël en Eltsafan.
13 Hebr. Huzziël, den broeder van Amram, den vader van Aäron en Mozes, Ex. 6:17. Num. 3:19. verwijsteksten
14 Dat is, bloedverwanten, want zij en Aäron waren broederskinderen, maar Nadab en Abihu waren een lid verder. Zie Gen. 24 op vers 27. verwijsteksten
15 Om daar begraven te worden.
 
5 Toen traden zij toe en droegen hen in hun rokken tot buiten het leger, gelijk als Mozes gesproken had.
6 En Mozes zeide tot Aäron en tot 16Eleázar en tot Ithamar, zijn zonen: 17Gij zult uw hoofden niet ontbloten, noch uw klederen verscheuren, opdat gij niet sterft 18en grote toorn over de ganse vergadering kome; maar uw 19broederen, het ganse huis Israëls, zullen 20dezen brand, dien de HEERE aangestoken heeft, bewenen.
16 Hebr. Elhazar.
17 Dat is, gij zult over Nadab en Abihu niet gebruiken enigen rouw, welks tekenen waren de ontbloting van het hoofd en de scheuring van de klederen, Lev. 13:45; 21:10. verwijsteksten
18 Anders: en de Heere over de ganse vergadering zeer toornig worde.
19 Zie Ex. 2 op vers 11. verwijsteksten
20 Waarmede Nadab en Abihu verbrand zijn.
 
7 cGij zult ook uit de deur van de tent der samenkomst 21niet uitgaan, opdat gij niet sterft; want de 22zalfolie des HEEREN is op u. En zij deden naar het woord van Mozes.
c Lev. 21:12. verwijsteksten
21 Versta dit van den tegenwoordigen tijd.
22 Zie Lev. 8:2, 30. verwijsteksten
 
8 En de HEERE sprak tot Aäron, zeggende:
9 Wijn en 23sterken drank zult gij niet drinken, gij noch uw zonen met u, 24als gij gaan zult in de tent der samenkomst, opdat gij niet sterft; het zij een 25eeuwige inzetting onder uw geslachten;
23 Het Hebreeuwse woord schechar betekent allerlei drank waardoor de mensen kunnen dronken worden.
24 Te weten, om uw priesterschap te bedienen.
25 Hebr. een inzetting der eeuwigheid. Zie Gen. 13 op vers 15 en Lev. 3:17. verwijsteksten
 
10 En om onderscheid te maken 26tussen het heilige en tussen het onheilige, en tussen het onreine en tussen het reine;
26 Versta dit alles ten aanzien, ten eerste, van de leer, als in het volgende vers, enz., ten tweede, van de ceremoniën, als in Leviticus 11, enz., ten derde, van de zeden, Leviticus 18, enz. verwijsteksten
 
11 En om den kinderen Israëls te leren al de inzettingen die de HEERE door den 27dienst van Mozes tot hen gesproken heeft.
27 Hebr. door de hand. Zie Lev. 8 op vers 36. verwijsteksten
 
12 En Mozes sprak tot Aäron en tot Eleázar en tot Ithamar, zijn overgebleven zonen: Neemt het spijsoffer dat van de vuuroffers des HEEREN overgebleven is, en eet hetzelve 28ongezuurd bij het 29altaar; want het is een heiligheid der 30heiligheden.
28 Of: ongezuurde koeken, gemaakt van de meelbloem van het spijsoffer dat den HEERE geofferd was. Zie Lev. 2:1. verwijsteksten
29 Te weten des brandoffers, hetwelk was in het voorhof voor de deur van de tent der samenkomst. Vgl. Lev. 1:3. verwijsteksten
30 Zie Lev. 2 op vers 3. verwijsteksten
 
13 Daarom zult gij dat eten 31in de heilige plaats, dewijl het uw bescheiden deel en het bescheiden deel uwer zonen uit des HEEREN vuuroffers is; dwant alzo is mij geboden.
31 Dat is, bij het altaar; in het voorgaande vers, in het voorhof des Heeren. Zie Lev. 6 op vers 16. verwijsteksten
d Lev. 2:3; 6:16. verwijsteksten
 
14 Ook de 32beweegborst en den 33hefschouder zult gij in een 34reine plaats eten, gij en uw zonen en uw dochters met u; want tot uw bescheiden deel en uwer zonen bescheiden deel zijn zij uit de dankoffers der kinderen Israëls gegeven.
32 Hebr. de borst der beweging, of des beweegoffers.
33 Hebr. de schouder der opheffing, of des hefoffers.
34 Rein, te weten naar de wet der ceremoniën, dewelke kon zijn ergens in het leger. Want niet alleen de mannen, maar ook de vrouwen mochten daarvan eten. Dienvolgens is deze reine plaats te onderscheiden van de heilige, gemeld in het voorgaande vers, dewelke was in het voorhof des Heeren.
 
15 Den hefschouder en de beweegborst zullen zij nevens de vuuroffers des vets toebrengen, om ten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN te bewegen; 35hetwelk voor u en uw zonen met u tot een eeuwige inzetting zijn zal; gelijk als de HEERE geboden heeft.
35 Of: hetwelk voor u en uw zonen tot een bescheiden deel zal zijn eeuwiglijk. Hebr. tot een bescheiden deel der eeuwigheid.
 
16 En Mozes 36zocht zeer naarstiglijk den 37bok des zondoffers; en zie, hij was verbrand. Dies was hij op Eleázar en op Ithamar, de overgebleven zonen van Aäron, zeer 38toornig, zeggende:
36 Hebr. zoekende zocht, dat is, hij zocht zeer vlijtiglijk.
37 Die voor de zonde des volks was geofferd geweest, Lev. 9:15, welverstaande het deel daarvan hetwelk den priester toekwam. verwijsteksten
38 Omdat zij niet naar behoren hun ambt bediend hadden, hebbende verbrand wat zij moesten gegeten hebben.
 
17 Waarom hebt gij dat zondoffer niet gegeten in de 39heilige plaats? Want het is een heiligheid der heiligheden, en 40Hij heeft u dat gegeven, opdat gij de ongerechtigheid der vergadering zoudt 41dragen, om over die verzoening te doen voor het aangezicht des HEEREN.
39 Zie vers 13. verwijsteksten
40 De Heere.
41 Zie Ex. 28 op vers 38. verwijsteksten
 
18 Zie, deszelfs bloed is niet binnen in het 42heiligdom gedragen; gij moest dat 43ganselijk gegeten hebben 44in het heiligdom, egelijk als ik geboden heb.
42 Hebr. heiligheid, dat is, in het eerste deel van den tabernakel, anders genaamd: het heilige, in hetwelk dit bloed moest ingebracht wezen. Zie Lev. 4:5, 16. Hetwelk indien het geschied ware, zo had de bok geheel moeten verbrand worden, namelijk buiten het leger. Zie Lev. 4:12, 21; 6:30; 16:27. verwijsteksten
43 Hebr. etende moest gij gegeten hebben.
44 Dat is, bij het heiligdom in het voorhof, alwaar de heilige eetplaats was. Zie vers 12. verwijsteksten
e Lev. 4:5; 6:26; 16:27. verwijsteksten
 
19 Toen sprak Aäron tot Mozes: Zie, heden hebben zij hun zondoffer en hun brandoffer voor het aangezicht des HEEREN geofferd, en zulke dingen zijn mij 45wedervaren; en had ik heden het zondoffer gegeten, zou dat 46goed geweest zijn in de ogen des HEEREN?
45 Of: ontmoet, of bejegend, te weten, dat ik mijn twee zonen Nadab en Abihu verloren heb, en daarover geen rouw heb mogen dragen, zodat ik door de droefheid mijns harten van het offer niet heb kunnen eten.
46 Dat is, zou dat den Heere behaaglijk en aangenaam geweest zijn? Te weten, dat ik, die nog in de droefenis steek over de straf van mijn twee zonen, met bedroefd gemoed het zondoffer zou gegeten hebben?
 
20 Als Mozes dat hoorde, zo was het goed in zijn ogen.

Einde Leviticus 10