Statenvertaling.nl

sample header image

Hosea 8 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Hosea 8

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

God verkondigt Israël de aankomst van den vijand, die hen vervolgen, uitroeien, wegvoeren, en hun landvruchten verteren zal, omdat zij God, Zijn verbond, wet en alle heilzame leringen, kortom, het goede, hebben vergeten, verlaten, veracht, een eigen koninkrijk zonder God opgericht, allerlei afgoderij, huichelachtigen godsdienst, en inzonderheid den verfoeilijken kalverdienst en heidense verbonden gesticht en gezocht hebben, vs. 1, enz. God dreigt ook Juda, 14.
 
Efraïms ondergang is nabij
1 DE 1bazuin aan uw 2mond; 3hij komt als een a4arend tegen het 5huis des HEEREN, omdat zij Mijn bverbond hebben overtreden en zijn tegen Mijn wet 6afvallig geworden.
1 Dit is een haastige en onvolkomen manier van spreken, die men pleegt te gebruiken in een onvoorzienen haastigen overval. Men kan dit nemen als woorden Gods tot den profeet, dien Hij gebiedt zijn stem als een bazuin te verheffen, vanwege de ongevoeligheid en hardnekkigheid van het volk, als Jes. 58:1, enz. Of als een afbeelding van den aanstaanden nood en aankomst van den vijand, wanneer men gewoon is alarm te maken. Zie Hos. 5:8. verwijsteksten
2 Hebr. gehemelte.
3 Te weten de vijand, de koning van Assyrië.
a Deut. 28:49. verwijsteksten
4 Vgl. Jer. 48:40 met de aant. verwijsteksten
5 Te weten Israël, of de tien stammen (als het volgende uitwijst), die dien naam mede voerden en Gods volk wilden geacht zijn. Sommigen menen dat God hier van Juda spreekt, en verstaan den tempel van Jeruzalem, en door den vijand Nebukadnezar.
b Hos. 6:7. verwijsteksten
6 Zie Hos. 7 op vers 13. verwijsteksten
 
2 Dan zullen 7zij tot Mij 8roepen: Mijn God, 9wij, Israël, kennen U.
7 Te weten die van Israël, als het volgende verklaart.
8 Niet uit geloof en bekering, maar alleenlijk uit gevoel van de voorzegde en gedreigde ellende.
9 Wij voeren immers den naam van Uw volk Israël, en hebben Uw woord gehoord en doen professie van Uw dienst. Vgl. Matth. 7:21, 22. Luk. 13:26, 27. Anderen aldus: wij kennen U, wij zijn Israël; in denzelfden zin. verwijsteksten
 
3 Israël heeft het 10goede verstoten; de 11vijand zal hem vervolgen.
10 Al Mijn heilzame leringen en vermaningen, welker navolging hun geestelijke en lichamelijke behoudenis zou geweest zijn.
11 Van welken vers 1 gesproken is. verwijsteksten
 
4 Zij hebben koningen gemaakt, maar niet 12uit Mij; zij hebben 13vorsten gesteld, maar Ik heb het 14niet gekend; van hun zilver en hun goud hebben zij voor zichzelven 15afgoden gemaakt, 16opdat zij uitgeroeid worden.
12 Dat is, zonder Mij in het opwerpen en maken van hun koningen raad te vragen of Mijn bevel te verwachten; alhoewel anderszins de scheiding der tien stammen van Juda niet zonder Gods rechtvaardig bestier en regering geschied is. Zie 1 Kon. 11:31, enz. Hos. 13:11, en vgl. Jes. 30:1; 54:15. verwijsteksten
13 De woorden koningen en vorsten worden hier verwisseld, als Hos. 7:7, 16. verwijsteksten
14 Niet dat den alwetenden God dit enigszins onbekend zou geweest zijn, maar deze manier van spreken wil zeggen, dat God hun maken van koningen niet heeft goedgekeurd. Vgl. Ps. 1:6 met de aant. verwijsteksten
15 Zie van het Hebreeuwse woord 2 Sam. 5 op vers 21, en versta hier de gouden kalveren te Dan en Bethel en andere afgodische beelden, als Hos. 13:2; 14:9. verwijsteksten
16 Hebr. opdat hij uitgeroeid wierd, dat is, elkeen van hen, of Israël. De zin is, dat zij door deze afgoderij hun eigen verderf hebben veroorzaakt. Vgl. Jer. 18:16. Micha 6:16, met de aantt. verwijsteksten
 
5 Uw 17kalf, o Samaría, heeft 18u verstoten; Mijn toorn is tegen hen ontstoken; hoe lang zullen zij de 19reinheid niet 20verdragen?
17 Uw afgodische kalverdienst, dien uw koningen, o Samaria, (die binnen u hun hof houden) gesticht en gevoed hebben.
18 Te weten gij Israëlieten. De zin is: Gelijk zij het goede van zich verstoten hebben (vers 3), zo zal het kwaad dat zij verkoren hebben, te weten de afgoderij, hen uit hun land verstoten, dat is, de oorzaak daarvan zijn. Anders: Uw kalf heeft u verlaten, moetende zelf als in gevangenis ten lande uitgevoerd worden. Zie Hos. 10:6. Of aldus: Hij (de Heere) heeft uw kalf, o Samaria, verstoten; gelijk gij Zijn goed verstoten hebt, alzo verstoot Hij uw kwaad. verwijsteksten
19 Vgl. Jer. 13:27. verwijsteksten
20 Of: vermogen. Het kan ook een afgebroken rede zijn, uit verdriet en toornigheid, aldus: hoe lang zullen zij geen reinheid kunnen, te weten bekomen, doen, plegen?
 
6 Want 21dat is ook uit Israël; een werkmeester heeft het gemaakt, en het is geen God, maar het zal tot 22stukken worden, het kalf van Samaría.
21 Te weten gouden kalf (in het begin van het voorgaande en in het einde van dit vers vermeld) is van Israël afgekomen, zij hebben het van Mij niet geleerd, maar het is een vond en werk van hun eigen goddeloosheid, gelijk eertijds het kalf in de woestijn een vond geweest is van hun voorvaders.
22 Of: klein schaafsel, gruis, morzel. Dit schijnt te zien op de vermaling van het gouden kalf, Ex. 32:20, alsof God zeide: Wat een fijne god is dat, die zichzelven niet beter kan behouden! verwijsteksten
 
7 Want zij hebben 23wind gezaaid en zullen een 24wervelwind maaien; 25het zal geen staand koren hebben, het 26uitspruitsel zal geen meel 27maken; of het misschien maakte, 28vreemden zullen het verslinden.
23 Dat is, afgoderij en heidense verbonden hebben zij nagejaagd, dies zullen zij de vrucht hunner werken genieten; zodanig hun doen is, zodanige straf zal erop volgen. Vgl. Job 4:8 met de aant. Hos. 12:2. verwijsteksten
24 Dat is, Gods schrikkelijke en onvermijdelijke plagen. Zie Job 9:17. Ps. 83:16. Spr. 1:27. Jer. 4:13. Amos 1:14, met de aantt. verwijsteksten
25 Te weten zaad, of: hij, te weten Israël. Gelijk zij met ijdelheid hebben omgegaan, alzo zal al hun arbeid ijdel zijn, of niets voortbrengen, of wat er van mag voortkomen, zal voor den vijand zijn.
26 Of: gewas, zo er iets van voortkomt.
27 Dat is, geven, daar zal geen meel van komen; en zo in het volgende en Hos. 9:16. Zie Ps. 1 op vers 3. verwijsteksten
28 Of: uitlandse, dat is, heidense vijanden.
 
8 Israël 29is verslonden; 30nu zijn zij onder de heidenen geworden gelijk een 31vat waar men geen lust toe heeft.
29 Dat is, zal zekerlijk van de vijanden verteerd worden, waarvan de beginselen klaar zijn.
30 Zij zijn alreeds veracht bij de omliggende heidenen, en zullen het weldra nog meer worden. Vgl. vers 10. verwijsteksten
31 Als Jer. 22:28. Zie aldaar. Insgelijks Ps. 31:13, en vgl. Jes. 30:14. verwijsteksten
 
9 Want zij zijn opgetogen naar 32Assur, een 33woudezel die alleen voor zichzelven is; die van Efraïm hebben 34boelen om hoerenloon gehuurd.
32 Om hun staat door gunst en hulp van den koning van Assyrië te bevestigen. Zie 2 Kon. 15:19, 20. verwijsteksten
33 Dat is, wilden, wreden en onbeleefden, rovende voor zichzelven, niet zoekende dan zijn eigen profijt, om een ander zich niet bekommerende. Zie Job 24:5; 39:8. Sommigen duiden het op Israël, overal om hulp en verbond lopende, als een onbetemde wilde woudezel, die overal op de lucht gaat en dommelijk voeder zoekt, doch dikwijls niet vindt, en zelfs anderen ten roof wordt. Vgl. Jer. 2:24. verwijsteksten
34 Dat is, helpers en bondgenoten, verlatende hun rechten Man, Heere en Bondgenoot, namelijk God. Hebr. liefden, minnen of boelerijen, dat is, boelen, minnaars. Zie Job 35 op vers 13. Jer. 27 op vers 9. verwijsteksten
 
10 35Dewijl zij dan onder de heidenen boelen om hoerenloon gehuurd hebben, zo zal Ik 36die nu ook verzamelen; ja, 37zij hebben al een weinig begonnen vanwege den 38last van den koning 39der vorsten.
35 Of: Schoon zij, hoewel zij, maar ofschoon zij, enz., zo zal Ik hen toch verzamelen, enz., gelijk de Hebreeuwse woordjes genomen zijn Hos. 9:16. Alsof de Heere zeide: Zij mogen zoveel helpers huren als zij willen, het zal hun toch niet helpen. verwijsteksten
36 Die heidense helpers, die zij gehuurd hebben, zal Ik tegen henzelven verzamelen, om, in plaats van hulp, hen te bederven. Vgl. Ez. 16:37. Anders: Ik zal hen (de Israëlieten) verzamelen, te weten om hen aan de vijanden over te geven en het land uit te drijven, gelijk dit woord somtijds ook voor verzamelen ter straf gebruikt wordt. Zie Ps. 26 op vers 9. verwijsteksten
37 De boelen, die zij gezocht en gehuurd hebben tot hun hulp, hebben hen al begonnen te plagen, doch dat is maar een weinig ten aanzien van de rest die volgen zal. Anders: dat zij weinig smart zullen hebben van, enz., dat is, het volgende lijden zal zo groot zijn, dat zij weinig gedenken zullen aan dezen last.
38 Dat is, het tribuut dat de koning van Assyrië Israël had opgelegd. Zie 2 Kon. 15:19, 20; 17:3. verwijsteksten
39 Van den groten koning van Assyrië, die vele vorsten en prinsen onder zich heeft. Vgl. 2 Kon. 18:19, 24. Jes. 10:8. Ezechiël 31. verwijsteksten
 
11 Omdat Efraïm de altaren 40vermenigvuldigd heeft tot zondigen, zo zijn hem de altaren geworden tot zondigen.
40 Dewijl zij enkellijk de gruwelijke zonde der afgoderij hebben willen bedrijven, zonder maat en einde, zo zal Ik hen ook daarin laten voortgaan, en alzo zonde op zonde laten hopen, tot hun rechtvaardige straf; of: Ik zal hen onder de heidenen wegvoeren, waar zij dan der afgodische altaren genoeg of de volheid zullen hebben, en tot allerlei afgoderij gedwongen worden. Zie Jer. 5:19. Hos. 9:3, en van het woord zonde in materie van afgoderij 1 Kon. 14:16; 15:30, 34; 16:2 en 1 Kon. 12:30; 13:34, met de aantt. verwijsteksten
 
12 Ik schrijf hem de 41voortreffelijkheden Mijner 42wet voor, maar 43die zijn geacht als wat 44vreemds.
41 Dat is, de uitnemende, grote, heerlijke en voortreffelijke leringen van Mijn Woord heb Ik hun niet alleen mondeling, maar ook schriftelijk in overvloed laten voordragen, door onderhouding van dewelke zij groot en machtig zouden worden. Vgl. Jes. 42:21. verwijsteksten
42 Of: leer. Zie Ps. 1 op vers 2. verwijsteksten
43 Voortreffelijke leringen van Mijn Woord.
44 Zij verwerpen ze, alsof al Mijn leringen hen in het minst niet aangingen, of zij daarmede niet te doen hadden; wat hunzelven lust, wat zij zelven verzinnen en bedenken, of van de heidenen aannemen, dat behaagt hun alleen.
 
13 Aangaande de offeranden 45Mijner gaven, zij offeren vlees en 46eten het, maar de HEERE heeft 47aan hen geen 48welgevallen. Nu zal Hij hunner ongerechtigheid 49gedenken en hun zonden 50bezoeken; zij zullen weder in 51Egypte keren.
45 Dat is, de vrijwillige dankoffers, die zij Mij menen te offeren (van de gaven die Ik hun in der waarheid gegeven heb) om kwansuis te betonen, dat zij immers naar Mij nog vragen en Mij niet verachten.
46 Veranderende Mijn offeranden in onheilige mestbanketten; zij zijn niet tot Mijn dienst, maar voor hun mond en buik. Vgl. Jer. 7:21. verwijsteksten
47 Te weten aan de offeraars, welker boosheid Hij gedenken wil, als volgt. Anders: daaraan, of: aan die, te weten offeranden. Vgl. Ez. 20:40; 43:27. Amos 5:22. verwijsteksten
48 Want zij offeren niet ter plaatse die van God daartoe is verordineerd, te weten binnen Jeruzalem in den tempel, maar tegen Gods gebod, waar het hun belieft, tot verachting Gods, en voorts zonder geloof en bekering.
49 Betonende zulks door straffen. Alzo Jer. 14:10. Hos. 9:9. Zie Gen. 8 op vers 1, en zie het tegendeel Ps. 79:8. Jer. 31:34. Ez. 18:22, enz. verwijsteksten
50 Te weten met straffen. Zie Gen. 21 op vers 1. verwijsteksten
51 Dat is, in Assyrië, waar zij behandeld zullen worden als voormaals in Egypte; zij zullen wedergevoerd worden in een nieuw Egypte. Vgl. Hos. 9:3; 11:5, 11. Of: zij zullen wederkeren naar Egypte, om met den Egyptenaar te handelen, verlatende den koning van Assyrië, die daarover verstoord zijnde, hen verderven zal. Zie 2 Kon. 17:3, 4, 5. (Aldus zou men door hun ongerechtigheid verstaan de meinedigheid en trouweloosheid begaan tegen den Assyriër. Vgl. Ez. 21:23; 29:16.) Dan zullen er sommigen naar Egypte trekken om de verwoesting der Assyriërs te ontgaan. Zie Hos. 9:6. verwijsteksten
 
14 Want Israël heeft zijn 52Maker vergeten en 53tempels gebouwd, en Juda heeft 54vaste steden vermenigvuldigd; maar Ik zal een 55vuur zenden in zijn steden, dat zal 56haar paleizen verteren.
52 Te weten God, Die hen niet alleen geschapen, maar ook tot Zijn volk gemaakt, bereid en alzo groot gemaakt heeft. Zie Job 4 op vers 17. Ps. 100:3. Jes. 51:13; 54:5. verwijsteksten
53 Afgodische tempelen, tot den kalverdienst, te Dan en Bethel en elders, om daardoor zijn staat vast te maken, het volk van Gods tempel te Jeruzalem af te houden, en te naderen tot de vriendschap en gemeenschap met de afgodische heidenen. Vgl. Ez. 20:32. Anders: paleizen. Zie Jes. 9:9. verwijsteksten
54 Om zich daardoor te verzekeren tegen des vijands aankomst, waarvan de profeten zoveel spraken. Zie Jes. 22:8, 9, enz. verwijsteksten
55 Dat is, vijandelijken oorlog, met de gevolgen van dien, allerlei plagen en ellenden. Zie Job 15 op vers 34. Amos 1:4, enz. verwijsteksten
56 In elkeen der steden van het land van Juda. In het Hebreeuws staat haar, in het enkelvoud en het vrouwelijk geslacht, ziende op het land, of elke stad.

Einde Hosea 8