Statenvertaling.nl

sample header image

Hosea 11 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Hosea 11

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

Gods liefde en vriendelijkheid jegens Israël van Egypte af (waaronder een profetie van Christus verborgen is), met een tegenstelling van hun ongehoorzaamheid, afgoderij, ondankbaarheid en hardnekkigheid, vss. 1, 2, 3, 4, 7. Waarom zij naar Assyrië gevoerd en getiranniseerd zullen worden, 5, 6. Belofte van genadige matiging der straf en Israëls bekering tot Christus, door de predicatie van het Evangelie, 8, enz.
 
Gods liefde jegens Israël
1 ALS Israël 1een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en aIk 2heb Mijn 3zoon uit Egypte geroepen.
1 Zie van het Hebreeuwse woord Jer. 1 op vers 6. De zin is: Als Ik Israël eerst tot Mijn volk aannam en met hen Mijn verbond maakte. Vgl. Jer. 2:2, en zie de aant. aldaar. verwijsteksten
a Matth. 2:15. verwijsteksten
2 En voerde hem door Mijn Goddelijke kracht uit de slavernij van Egypte, door de woestijn, naar het beloofde land.
3 Namelijk Israël, dien God dikwijls, maar bijzonderlijk Ex. 4:22 door Mozes in de aanspraak aan Farao, Zijn zoon, ja, Zijn eerstgeboren zoon noemt; welke plaats hiermede dient vergeleken. Maar dat onder deze woorden wijders een profetie verborgen is van den eniggeboren Zoon des Vaders, onzen Heere Jezus Christus, Die het Hoofd is van Zijn geestelijke Israël of kerk, blijkt Matth. 2:15. Anders: Omdat Israël een kind was, dat Ik liefhad, zo heb Ik Mijn Zoon uit Egypte geroepen. Of: Hoewel Israël een kind is, nochtans heb Ik hem lief; daarom heb Ik, enz., verstaande het eerste lid van Israëls domme onverstandigheid, en het tweede van Christus alleen, Dien de Vader uit Egypte geroepen heeft om in Judea het werk onzer verlossing te verrichten. Anderen aldus: Omdat Hij is een Kind Israëls, en Ik Hem liefheb, daarom heb Ik Mijn Zoon uit Egypte geroepen, verstaande beide leden van dit vers van Christus. verwijsteksten
 
2 Maar 4gelijk zij henlieden riepen, alzo gingen zij van 5hun aangezicht weg; zij offerden den Baäls en rookten den gesneden beelden.
4 Dit is hier ingevoegd tot aanvulling van den zin, passende op het volgende woordje alzo. Zie Ps. 48 op vers 6. De zin is: Hoe meer Mozes en andere vrome dienstknechten Gods de Israëlieten riepen om bij hun goeden God te blijven en Hem aan te hangen, hoe meer zij daarentegen, onder de ogen der vrome profeten, afweken tot alle afgoderij, kerende God en Zijn profeten den rug en het dove oor toe, als men zegt. Vgl. vers 7. Hos. 4:7. verwijsteksten
5 Van het aangezicht der profeten, die hen tot God riepen.
 
3 Ik nochtans 6leerde Efraïm gaan; 7Hij nam hen op Zijn armen, maar zij bekenden niet dat Ik hen 8genas.
6 Dat is, Ik leerde hun de voeten zetten, gelijk een moeder haar kind doet.
7 Dit zijn de woorden van den profeet, die hij tussen Gods woorden invoegt, uit verwondering over Gods vriendelijkheid en goedertierenheid, alsof hij zeide: Immers is het waar, dat Hij hen, als een vader of moeder een kind (zie vers 1), inzonderheid als het moede is van gaan, op de armen gedragen heeft. Zie Ex. 19:4. Deut. 1:31; 32:11, 12. Jes. 63:9, en van Mozes Num. 11:12. Anders: Ik nam hen, of nemende henlieden bij hun (Hebr. zijn) armen; omdat er in het volgende diergelijke verwisseling van het enkelvoud van Efraïm gebruikt wordt. verwijsteksten
8 Dat is, in al hun noden en zwarigheden zeer lieflijk en gemeenzaamlijk bijstond en verloste. Zie Ps. 30 op vers 3, en vgl. Ex. 15:26. Hos. 7:1. verwijsteksten
 
4 Ik trok hen met 9mensenzelen, met touwen der liefde, en was hun als degenen die het 10juk van op hun kinnebakken oplichten, en Ik reikte 11hem voeder toe.
9 Dat is, menselijke, waarmede men mensen trekt, draaglijke, lieflijke en zachte zelen, om hen niet te kwetsen of te bezeren. Vergelijk de manier van spreken met 2 Sam. 7:14. Jes. 8:1. Deze woorden drukken de lieflijkheid, vriendelijkheid en lankmoedigheid Gods in het leiden van Zijn volk zeer levendig uit. verwijsteksten
10 Dat is, de halster of muilband, die op de kinnebakken der beesten blijft, zolang zij arbeiden, en die men oplicht of afneemt als zij rust en voeder zullen nemen. Alzo (wil God zeggen) heb Ik met Israël gehandeld, gevende hem verlichting, rust en hun voeder, als volgt.
11 Efraïm. Hebr. Ik deed spijze of eten tot hem neigen, dat is, als wij zeggen: Ik reikte het hem toe. Niettegenstaande zulks alles zijn zij zo ongehoorzaam geweest, als in het voorgaande en volgende verhaald is; daarom, enz., als volgt.
 
5 12Hij zal in 13Egypteland niet wederkeren, maar Assur, die zal zijn koning zijn; omdat zij zich weigeren te bekeren.
12 Efraïm.
13 Ofschoon zij zouden mogen wensen liever in Egypte weder te keren, gelijk zij zich derwaarts zullen begeven om hulp en toevlucht tegen den Assyriër te zoeken, zo zal het hun toch alzo niet gelukken, maar de tien stammen zullen in het gemeen van den Assyriër uit hun land worden weggevoerd, en veel zwaarder geplaagd dan tevoren in Egypte. Zie Hos. 8:13; 9:6, en de aantt. aldaar, en vgl. Hos. 10 op vers 9. verwijsteksten
 
6 En het 14zwaard zal in 15zijn steden blijven en zijn 16grendels verteren en opeten, vanwege hun 17beraadslagingen.
14 Dat is, krijg, en alle gevolgen van dien. Zie Lev. 26 op vers 7. Ps. 22 op vers 21. verwijsteksten
15 Efraïm.
16 Anders: ledematen, te weten de leden en delen van zijn land als een wild dier verteren en verslinden; of: zijn ranken (als Ez. 17:6), dat is, de dorpen, gelegen buiten de steden, zijnde ten opzichte van de steden gelijk takken van de bomen. verwijsteksten
17 Zie Hos. 10 op vers 6. verwijsteksten
 
7 Want Mijn volk blijft hangen aan de afkering 18van Mij; 19zij roepen 20het wel tot den Allerhoogste, maar 21niet één verhoogt 22Hem.
18 Hebr. aan Mijn afkering, dat is, aan de afkering of afwijking waarmede zij van Mij steeds afwijken, of die zij tegen Mij betonen. Anders: hangen (te weten in onzekerheid en vertwijfeling), om hun afkering van Mij, dat is, zij weten niet waarheen zich te keren, nu hier dan daar lopende om hulp. Beide in een goeden zin.
19 De profeten. Vgl. vers 2. Hos. 7:16. verwijsteksten
20 Mijn volk. Anders: zij roepen hem wel naar boven.
21 Dat is, niemand. Zie van diergelijk gebruik van het Hebreeuwse woordje Ezra 4 op vers 3. Anders: tezamen verhoogt het (volk) Hem niet. Versta: in hun bijeenkomsten eren zij God niet. verwijsteksten
22 Den Allerhoogste, dat hij Hem eer zou geven, zich bekerende, en troost en hulp bij Hem zoekende, of Hem voor Zijn weldaden dankende. Anders: verhoogt of verheft zich. Dat is, niemand heft zich eens op, geeft zich eens daarnaar, dat hij zou horen of luisteren, gelijk opmerkenden plegen te doen, tonende met uiterlijke gebaren des lichaams de beweging huns harten.
 
8 23Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm, u overleveren, o Israël? Hoe zou Ik u maken als b24Adama, u stellen als Zebóïm? Mijn 25hart is in Mij omgekeerd, 26al Mijn berouw is tezamen ontstoken.
23 Alsof God zeide: Gij hadt wel verdiend, dat Ik u gans en ten enenmale zou uitroeien, gelijk Ik Sodom, Gomorra, enz., gedaan heb, Gen. 19:24. Deut. 29:23, maar Mijn barmhartigheid en trouw, die Ik u in den Messias (waarvan in het volgende) beloofd heb, laten het niet toe. verwijsteksten
b Gen. 19:24. verwijsteksten
24 Versta: en de andere naburige steden.
25 Menselijkerwijze van God gesproken, om enigszins uit te drukken de grootheid en onbegrijpelijkheid Zijner barmhartigheid. Zie Gen. 43:30. 1 Kon. 3:26. Klgld. 1:20. verwijsteksten
26 Hebr. alsof men zeide: Mijn berouwingen of berouwenissen of troostelijkheden zijn tezamen ontbrand. Anders: Mijn ingewand. God wordt gezegd berouw te hebben, als Hij de verdiende en gedreigde straffen ophoudt, verzacht of wegneemt, en voorts kan door berouw het medelijden, en het ingewand dat van medelijden beroerd en ontstoken is, verstaan worden. Zie Gen. 6 op vers 6; 43 op vers 30. verwijsteksten
 
9 Ik zal de hittigheid Mijns toorns niet uitvoeren; Ik zal niet 27wederkeren om Efraïm te verderven; want Ik ben 28God en geen mens, de 29Heilige in het midden van u, en Ik zal 30in de stad niet komen.
27 Dat is, Ik zal nu niet wederom alzo aan Efraïm doen, dat Ik hem gans zou vernielen, gelijk Ik eenmaal de voorzeide steden gedaan heb. Vgl. Jes. 12:6; 54:5. Ez. 16:53 met de aant. aldaar. verwijsteksten
28 Waarachtig en onveranderlijk in Mijn beloften, Num. 23:19. Mal. 3:6, enz. verwijsteksten
29 Zie Ps. 71 op vers 22, en dienvolgens zal Ik Mij nog een volk onder u overig behouden, dat Ik heilig om Mij te dienen, enz. Vgl. Ez. 16:60. verwijsteksten
30 Als een vijand, die in een stad invalt en alles daarin vernielt; of gelijk Ik eertijds in de stad Sodom kwam om die te vernielen, als vers 8, hetwelk op de voorgaande woorden: Ik zal niet wederkeren of wederkomen, enz., zeer wel past. Zie de aant. Anders: Ik zal in de stad niet komen, dat is, in geen materiële plaatsen meer wonen, maar in uw harten. Vgl. Joh. 4:21. verwijsteksten
 
10 Zij zullen den 31HEERE achternawandelen, Hij zal 32brullen als een leeuw; wanneer Hij brullen zal, dan zullen de 33kinderen 34van de zee af al bevende aankomen.
31 Jezus Christus, den Messias, hun Hoofd en Koning. Vgl. Hos. 3:5. verwijsteksten
32 Door de openbare, klare en heldere predicatie van het Evangelie, waardoor Hij Zijn uitverkorenen (gelijk een leeuw zijn jongen) bijeen zal roepen, als volgt. Vgl. Jes. 27:13. Amos 3:8. Insgelijks waardoor Hij niet alleen aan de Zijnen Zijn genadewerk zal verkondigen, maar ook aan Zijn en Zijner kerke vijanden Zijn wraak en de overwinning, voornamelijk van alle geestelijke vijanden, die Hij, als de rechte Leeuw van Juda, zal overwinnen en in triomf voeren. Zie Gen. 49 op vers 9. Kol. 2:15. Openb. 5:5, en vgl. wijders Jes. 31:4, 5. Joël 3:16. Amos 1:2. verwijsteksten
33 Dat is, uitverkorenen, die Hem de Vader gegeven heeft, Joh. 17:6. Hebr. 2:13. verwijsteksten
34 Hebr. zullen sidderen of beven van de zee (of het westen) af, dat is, sidderende aankomen tot Zijn en Zijner kerke gemeenschap. Vgl. Jes. 24:14; 49:12. Hos. 3:5, en zie de aantt. Alzo in het volgende vers. Aangaande de manier van spreken, sidderen of beven, voor sidderende gaan, komen, enz., vgl. 1 Sam. 13:7; 16:4. verwijsteksten
 
11 Zij zullen bevende aankomen als een 35vogeltje uit 36Egypte, en als een 37duif uit het land van Assur; en Ik zal hen doen 38wonen in hun huizen, spreekt de HEERE.
35 Dat snellijk vliegt naar zijn aas of nest, of den strik ontvliedt.
36 Dat is, in alle plaatsen waar zij verstrooid zijn, zullen zij zich met ijver begeven tot Dien Die hen verlost uit geestelijk Egypte en Assyrië, dat is, de slavernij des duivels en der zonde. Vgl. Jes. 27:13. Zach. 10:10. verwijsteksten
37 Zie Jes. 60:8. verwijsteksten
38 Dat is, (naar den stijl der profeten) Ik zal hen planten in Mijn kerk, en door Christus geven rust en vrede in hun consciënties, en na dit leven hun plaats in de hemelse woonsteden. Zie Hos. 2:13, 17, met de aantt.; 12:10. verwijsteksten

Einde Hosea 11