Statenvertaling.nl

sample header image

Daniël 9 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Daniël 9

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Daniël bidt den HEERE om de wederoprichting van Jeruzalem, vs. 1, enz. De Heere verhoort hem en onderricht hem, 20. Tegelijk openbaart Hij hem door Gabriël den tijd van de zeventig weken, aan het einde van dewelke niet alleen den Joden, maar ook het ganse menselijke geslacht de ware geestelijke verlossing door Christus, den Vorst, zou worden aangebracht, 24, enz. Ook spreekt de engel van de schrikkelijke verderving, die over het ondankbare en halsstarrige Joodse volk komen zou, 26, 27.
 
Daniëls smeekgebed
1 IN 1het eerste jaar van Daríus, den zoon van 2Ahasvéros, 3uit het zaad der Meden, 4die koning 5gemaakt was over het koninkrijk der Chaldeeën;
1 Zie Dan. 6 op vers 1. verwijsteksten
2 Verscheidene koningen der Perzen hebben dezen naam gehad.
3 Dat is, uit het geslacht, uit de natie der Meden. Dit wordt hierbij gevoegd tot onderscheid van Darius, den koning in Perzië, in wiens tweede jaar de tempel is volbouwd geworden, Ezra 4:24. verwijsteksten
4 Of: in hetwelk, te weten jaar, hij koning geworden was.
5 Zie Dan. 6 op vers 1. verwijsteksten
 
2 In het eerste jaar zijner regering 6merkte ik, Daniël, 7in de boeken, dat het getal der jaren, van dewelke het woord des HEEREN 8tot den profeet Jeremía geschied was, 9in het vervullen der verwoestingen van Jeruzalem, zeventig jaar was.
6 Of: verstond ik, Daniël, uit, enz.
7 Te weten in de Schriften van den profeet Jeremia. Ofschoon Daniël zulk een wijze en treffelijke profeet was, zo heeft hij evenwel niet nagelaten de Heilige Schrift te lezen, gelijk de geestdrijvers en verachters van Gods Woord hetzelve nalaten.
8 Zie Jer. 25:11, 12; 27:7; 29:10. verwijsteksten
9 Dat is, dat wanneer de verwoesting van Jeruzalem een einde zou nemen, zeventig jaar was.
 
3 En 10ik stelde mijn aangezicht tot God den Heere, om Hem te zoeken met het gebed en smekingen, met vasten, en 11zak, en as.
10 Hebr. ik gaf mijn aangezicht.
11 Dat is, in een zakkleed en in de as.
 
4 Ik bad dan tot den HEERE mijn God, en 12deed belijdenis, en zeide: 13Och Heere, Gij grote en 14verschrikkelijke God, aDie het verbond en de weldadigheid houdt dien die 15Hem liefhebben en Zijn geboden houden;
12 Te weten van mijn eigen zonden en van de zonden mijns volks, vers 20. verwijsteksten
13 Vergelijk dit gebed met het gebed Neh. 1:5; 9:32. verwijsteksten
14 Te weten den goddelozen.
a Deut. 7:9. verwijsteksten
15 Verandering van persoon voor die U liefhebben en Uw geboden houden.
 
5 16bWij hebben gezondigd, en hebben onrecht gedaan, en goddelooslijk gehandeld en 17gerebelleerd, met af te wijken van Uw geboden en van Uw 18rechten.
16 Zie meer dergelijke belijdenissen Ps. 106 op vers 6. verwijsteksten
b Ps. 106:6. Jes. 64:5, 6, 7. verwijsteksten
17 Van trap tot trap opklimmende, en niet rustende totdat wij tot den hoogsten trap der zonden gekomen waren.
18 Versta hier, en elders meer, door rechten of oordelen, die wetten waarmede een ieder gegeven wordt wat hem toekomt, en het gelijke van het ongelijke onderscheiden wordt.
 
6 En wij hebben 19niet gehoord naar Uw dienstknechten, de profeten, die in Uw Naam spraken tot onze koningen, onze vorsten en onze vaders, en tot al het volk 20des lands.
19 Dat is, niet gehoorzaamd.
20 Te weten des Joodsen lands.
 
7 21Bij U, o Heere, is 22de gerechtigheid, maar 23bij ons de beschaamdheid der aangezichten, gelijk het is te dezen dage; bij de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem en geheel Israël, die nabij en die verre zijn, in al de landen waar Gij hen heen gedreven hebt om hun overtreding waarmede zij tegen U overtreden hebben.
21 Dat is, aan Uw zijde, U komt de lof der gerechtigheid toe. Of: Uwe is, enz.
22 Zie Deut. 6 op vers 25. verwijsteksten
23 Met deze woorden bekent de profeet, dat de oordelen Gods over Zijn volk rechtvaardig zijn. Vgl. Jer. 7:19. verwijsteksten
 
8 O Heere, bij ons is de beschaamdheid der aangezichten, bij onze koningen, bij onze vorsten en bij onze vaderen, 24omdat wij tegen U gezondigd hebben.
24 Of: wij die tegen U gezondigd hebben.
 
9 cBij 25den Heere onzen God zijn 26de barmhartigheden en vergevingen, alhoewel wij tegen Hem gerebelleerd hebben.
c Ps. 130:3, 7. Klgld. 3:22. verwijsteksten
25 Dat is, aan des Heeren barmhartigheid en genadige vergeving alleen hangt ten enenmale al onze behoudenis; want bij ons is niets dan oorzaak van verderving te vinden.
26 Hij gebruikt deze woorden in het meervoud, om te betekenen de menigvuldige genaden des Heeren in het vergeven der veelvuldige zonden.
 
10 En wij hebben de stem des HEEREN onzes Gods niet gehoorzaamd, dat wij in Zijn wetten wandelen zouden, die Hij gegeven heeft voor onze aangezichten, 27door de hand Zijner knechten, de profeten.
27 Dat is, door den dienst Zijner dienstknechten.
 
11 Maar geheel Israël 28heeft Uw wet overtreden, met af te wijken, dat zij Uw stem niet gehoorzaamden; daarom is over ons 29uitgestort die dvloek en die eed, 30die geschreven is in de wet van Mozes, den knecht Gods, dewijl wij tegen Hem gezondigd hebben.
28 Hebr. hebben overtreden, ziende op den zin.
29 Of: gedrupt.
d Lev. 26:14, enz. Deut. 27:15, enz.; 28:15, enz.; 29:20; 30:17, enz.; 31:17, enz.; 32:19, enz. Klgld. 2:17. verwijsteksten
30 Zie Lev. 26:14, enz. Deut. 27:15, enz.; 28:15, enz.; 29:20; 30:17, enz.; 31:17, 18; 32:19, enz. Klgld. 2:17. verwijsteksten
 
12 En Hij heeft Zijn woorden 31bevestigd, die Hij gesproken heeft tegen ons en tegen onze rechters 32die ons richtten, brengende over ons 33een groot kwaad, hetwelk niet geschied is onder den gansen hemel, gelijk aan Jeruzalem geschied is.
31 Hebr. verwekt, of: doen opstaan.
32 Dat is, die ons regeerden.
33 Te weten het kwaad der straf, dat is, een groot ongeluk, hetwelk in de Klaagliederen van Jeremia in den brede verhaald wordt. Zie aldaar 1:12; 2:13, enz. verwijsteksten
 
13 Gelijk als 34in de wet van Mozes geschreven is, alzo is al dat kwaad over ons gekomen; en wij smeekten het aangezicht des HEEREN onzes Gods niet, afkerende van onze ongerechtigheden en verstandiglijk acht gevende 35op Uw waarheid.
34 Zie vers 11. verwijsteksten
35 Dat is, op de zekerheid Uwer dreigementen.
 
14 36Daarom heeft de HEERE over 37het kwade gewaakt en Hij heeft het over ons gebracht; want de HEERE onze God is rechtvaardig in al Zijn werken die Hij gedaan heeft, dewijl wij Zijn stem niet gehoorzaamden.
36 Of: Daarom is de HEERE wakker geweest met dit kwaad. De zin is: Hij heeft doen blijken, dat Hij niet sliep en Zijn dreigementen niet vergeten had. Terwijl de zondaren in hun zonden gerustelijk slapen, zo waakt de Heere al vast over hun straf. Het Hebreeuwse woord betekent niet alleen waken, maar ook vervroegen, verwakkeren, verhaasten, als Jer. 1:12. Zie de aant. aldaar. verwijsteksten
37 Zie vers 13. verwijsteksten
 
15 eEn nu, o Heere onze God, Gij f38Die Uw volk uit Egypteland uitgevoerd hebt met een sterke hand, en 39hebt U een Naam gemaakt, gelijk hij is te dezen dage; 40wij hebben gezondigd, wij zijn goddeloos geweest.
e Ps. 105:7; 106:47. verwijsteksten
f Ex. 32:11. verwijsteksten
38 Te dien einde heeft God de kinderen Israëls verlost uit Egypteland, om hun daardoor van Zijnentwege te verzekeren, dat Hij hun God wilde zijn en blijven. Zie Lev. 22:33. Ps. 81:11. Jes. 63:16. Daarom is het geen wonder, dat de gelovigen zo menigmaal Gode deze Zijn weldaad voorhouden, zo om hun geloof te sterken, als om den Heere te bewegen aan Zijn oude barmhartigheid te gedenken. Zie Ex. 32:11. Neh. 1:10; 9:10. Ps. 77:8. verwijsteksten
39 De zin is: Gij hebt ons verlost en beschermd om Uws Naams wil, om Uw macht bekend te maken, Ps. 106:8. Wend derhalve Uw toornig gemoed van ons, opdat Uw eer niet gekwetst worde. Zie Ex. 32:12. Ps. 115:1. verwijsteksten
40 Dit moet men zo niet verstaan alsof God onze gebeden verhoorde en ons weldeed omdat wij gezondigd hebben en goddeloos geweest zijn, want daarom is God op ons vertoornd en daarom straft Hij ons. Maar alsdan verhoort Hij onze gebeden, als wij onze zonden belijden en onze onwaardigheid bekennen. Vgl. Ps. 25:11; 106:4, 5, 6. verwijsteksten
 
16 O Heere, 41naar al Uw gerechtigheden, 42laat toch Uw toorn en Uw grimmigheid afgekeerd worden van 43Uw stad Jeruzalem, 44Uw heiligen berg; want om onzer zonden wil en om onzer vaderen ongerechtigheden, zijn Jeruzalem en Uw volk tot versmaadheid 45bij allen die rondom ons zijn.
41 De zin is: Heere, dat Gij Uw dreigementen hebt waargemaakt, ons verlatende en onzen vijanden sterkte tegen ons gevende, enz., dat is alles geschied naar Uw gerechtigheid, want wij hebben het met onze zonden duizendmaal over verdiend; maar, Heere, vergeet ook dat deel Uwer gerechtigheden niet, waardoor Gij allen boetvaardigen houdt hetgeen Gij hun uit genade beloofd hebt. Gelijk God maar één is, alzo is er ook maar één gerechtigheid of rechtvaardigheid in God, maar er zijn velerlei betoningen derzelve; en onder andere betoont Hij dezelve, wanneer Hij den boetvaardigen houdt hetgeen Hij hun uit genade beloofd heeft. Vgl. Neh. 1:8, 9; 9:8. Ps. 51:16. verwijsteksten
42 Dat is, laat toch ophouden die zware straffen, die Gij rechtvaardiglijk over Jeruzalem en het ganse Joodse volk hebt uitgestort om hun zonden te straffen. Zie Micha 7:9. Openb. 15:7. Anders: Uw toorn en Uw grimmigheid wende zich af van, enz. verwijsteksten
43 Alsof hij zeide: Dit is Uw stad, die Gij U verkoren hebt uit al de steden des gansen aardbodems, wend derhalve Uw toorn van dezelve af.
44 Hebr. den berg Uwer heiligheid. Zie Ps. 2 op vers 6. verwijsteksten
45 Hebr. bij al onze rondommigheden, dat is, bij allen die rondom ons gelegen zijn. Vgl. Ps. 44:14, 15, 16, 17; 79:4; 89:42, 51. Klgld. 1:8, enz.; 2:15, 16; 3:14. verwijsteksten
 
17 En nu, o onze God, hoor naar 46het gebed Uws knechts en naar zijn smekingen, en doe Uw aangezicht 47lichten 48over Uw heiligdom, dat verwoest is; 49om des Heeren wil.
46 Dat is, naar mijn gebed, die Uw knecht ben.
47 Dat is, aanschouw Uw heiligdom met een vriendelijk en gunstig gelaat. Van deze manier van spreken zie Num. 6 op vers 25. verwijsteksten
48 Dat is, over Uw tempel, of veelmeer, over de binnenste plaats des tempels, waar God op de ark of cherubs zat.
49 Dat is, doe het niet om onze waardigheid, maar om des Heeren Christus’ wil. Alzo staat er Jes. 10:27: Het juk zal afgescheurd worden om des Gezalfden, of om des Messias’ wil. En Ps. 80:16: om des Zoons wil, en ook Ps. 84:10. verwijsteksten
 
18 50Neig Uw oor, mijn God, en hoor, doe Uw ogen open, en zie 51onze verwoestingen, en de stad 52die naar Uw Naam genoemd is; want 53wij werpen onze smekingen voor Uw aangezicht niet neder 54op onze gerechtigheden, maar op Uw barmhartigheden, die groot zijn.
50 Vergelijk de woorden die de koning Hizkia gebruikt Jes. 37:17. verwijsteksten
51 Dat is, hoe jammerlijk wij verwoest zijn.
52 Dat is, die de stad des Heeren genoemd wordt. Zie Deut. 28 op vers 10. 1 Kon. 14:21. Amos 9:12. Hebr. over welke Uw Naam is (of wordt) aangeroepen of uitgeroepen. verwijsteksten
53 Zie van deze manier van spreken Ps. 141:2. Jer. 36 op vers 7. verwijsteksten
54 Dat is, steunende op onze rechtvaardige daden of werken; of: vanwege.
 
19 O Heere, hoor, o Heere, vergeef, o Heere, merk op en doe het, vertrek het niet; om Uws Zelfs wil, o mijn God; want 55Uw stad en Uw volk is naar Uw Naam genoemd.
55 Zie vers 18. verwijsteksten
 
De zeventig weken
20 Als ik nog sprak en bad, en beleed mijn zonde, en de zonde mijns volks van Israël, en mijn smeking 56nederwierp voor het aangezicht des HEEREN mijns Gods, 57om des heiligen bergs wil mijns Gods,
56 Als vers 18. verwijsteksten
57 Hebr. over of voor den berg der heiligheid mijns Gods, dat is, opdat Gods kerk in haar vorigen stand mocht hersteld worden.
 
21 Als ik nog sprak in het gebed, zo kwam 58de man 59Gabriël, dien ik 60in het begin in een gezicht gezien had, 61snellijk gevlogen, 62mij aanrakende omtrent den tijd van 63het avondoffer.
58 Zie Dan. 8 op vers 15. verwijsteksten
59 Zie van den naam en persoon van dezen engel Dan. 8 op vers 16. verwijsteksten
60 Of: tevoren, of: in het eerst, te weten in het gezicht van den ram met twee hoornen en van den bok, Daniël 8. verwijsteksten
61 Hebr. met vermoeidheid; niet dat de engelen kunnen vermoeid of moede worden, maar het wordt zo gezegd om uit te drukken zulk een snelheid als, naar ons begrip, vermoeidheid moet veroorzaken. Anders: in de vlucht.
62 Bij dit aanraken of aanroeren des engels heeft God den profeet gesterkt. Zie Dan. 10:19. verwijsteksten
63 Dat is, in het laatste vierendeel van den dag, ter welker ure het avondoffer placht geofferd te worden, toen de tempel en Joodse godsdienst nog in wezen waren. Zie Ex. 29:39, 41. Num. 28:4. Te dezen tijde bad ook Elia, 1 Kon. 18:36, enz. Zie ook Hand. 3:1. Hieruit leiden sommigen af dat Daniël hier geopenbaard is, in wat tijd van den dag Christus Zichzelven voor onze zonden zou opofferen. verwijsteksten
 
22 En hij onderrichtte mij en sprak met mij, en zeide: Daniël, nu ben ik 64uitgegaan om u 65den zin te doen verstaan.
64 Te weten uit den hemel, van God gezonden zijnde.
65 Hebr. het verstand; namelijk om u te onderrichten van de wederopbouwing der stad van Jeruzalem en de herstelling van den staat van het Joodse volk.
 
23 66In het begin uwer smekingen is 67het woord uitgegaan, en ik ben gekomen om u dat te kennen te geven, want gij zijt 68een zeer gewenst man; versta dan 69dit woord en 70merk op dit gezicht.
66 Dat is, van dien tijd af dat gij hebt begonnen te bidden voor de verlossing van Israël, heb ik bevel ontvangen van u te antwoorden.
67 Dat is, het bevel.
68 Hebr. begeerten, dat is, een man der begeerten. Zie Dan. 10:11. Dat is, een man dien men zeer begeert, een man Gode en den mensen aangenaam; alzo staat er Dan. 10:3 brood der begeerten, en vaten der begeerten, 2 Kron. 20:25, en klederen der begeerten, Gen. 27 op vers 15. Sommigen menen dat Daniël genoemd wordt een man der begeerten, omdat hij meer dan ooit enig man begeerd en gewenst heeft de verlossing van zijn volk, wederopbouwing van den tempel en den godsdienst, gelijk zulks af te leiden is uit zijn gebed en zijn vasten, Daniël 10. verwijsteksten
69 Of: deze zaak.
70 Of: leer dit gezicht, dat is, deze profetie, die ik u zal te kennen geven, wel terdege verstaan.
 
24 71Zeventig 72weken 73zijn bestemd 74over uw volk en over uw heilige stad, 75om de overtreding te sluiten, en 76om de zonden te verzegelen, en 77om de ongerechtigheid te verzoenen, en 78om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht en 79den profeet te verzegelen, en om 80de Heiligheid der heiligheden 81te zalven.
71 Daniël had maar gebeden om de verlossing van zijn volk uit Babel, de Heere geeft hem dat niet alleen, maar oneindig meer, want Hij openbaart hem daarenboven den tijd, wanneer niet alleen de Joden, maar ook Zijn ganse volk uit de macht des duivels en der eeuwige verdoemenis door den Messias zou verlost worden.
72 Versta hier jaarweken, gelijk Lev. 25:8. Elke week van zeven jaren, tezamen makende vierhonderd en negentig jaren. Waar nu deze vierhonderd en negentig jaren beginnen en waar zij eindigen, daarvan is verscheiden gevoelen. Sommigen beginnen ze van het eerste jaar der monarchie van Cyrus, en eindigen ze in den dood van Christus; hetwelk wel de eenvoudigste mening schijnt te zijn, uit 2 Kron. 36:22, 23. Ezra 1:1. Jes. 44:28; 45:13, enz. Doch anderen beginnen ze van het zevende jaar van Artaxerxes Longimanus, en eindigen ze ook in den dood van Christus. Anderen beginnen ze van het tweede jaar van Darius Nothus, en eindigen ze in de verstoring van Jeruzalem door Titus. Van welk alles de verstandige lezer zal mogen oordelen. verwijsteksten
73 Te weten van God. Hebr. zijn afgehouwen of afgesneden, dat is, bescheiden, besloten.
74 Gedurende welke uw volk en uw heilige stad zal overkomen hetgeen dat ik u straks zal openbaren.
75 Of: om op te sluiten, of: om te bedwingen de overtreding. Anders: dat Hij (te weten Christus) de overtreding besluit, dat is, dat Hij voor de zonden des volks genoegdoe, opdat dezelve als in een kerker besloten worden, dat zij niet meer voor Gods aangezicht komen.
76 Dat is, om te bedekken de zonden der uitverkorenen, dat zij voor het aangezicht Gods niet komen. Dit heeft Christus door Zijn dood teweeggebracht. Anders: om de zonden te verdelgen.
77 Te weten door de offerande van Christus aan het kruis.
78 Hebr. een gerechtigheid der eeuwigheden, door dewelke alleen wie ooit gerechtvaardigd zijn en rechtvaardig zullen worden, moeten gerechtvaardigd worden voor God, Hebr. 9:12. Deze gerechtigheid is gelegen in de vergeving der zonden en toerekening der gerechtigheid van Jezus Christus. verwijsteksten
79 Dat is, de profetie; te weten de profetieën der profeten van Christus’ lijden en de heerlijkheid daarop volgende, 1 Petr. 1:11, welke God den profeten door gezichten heeft geopenbaard. verwijsteksten
80 Dat is, den Heere Christus, Die daar is het waarachtige Heilige der heiligen, omdat in Hem al de schatten van heiligheid, rechtvaardigheid en ook van wijsheid en kennis Gods verborgen zijn, ons ten goede; en dat Hij is de ware Ark des verbonds, door Denwelken God de woorden des levens tot de wereld spreekt; de rechte Genadestoel, door Welken wij de verzoening hebben, enz.
81 Te weten met den Heiligen Geest, dat is, als in te wijden en te bereiden tot Zijn zaligmakend ambt.
 
25 82Weet dan en versta: 83van den uitgang des woords, om te doen wederkeren en om Jeruzalem te bouwen, tot op 84Messías, 85den Vorst, zijn zeven weken, en twee en zestig weken; 86de straten en de grachten zullen wederom gebouwd worden, doch 87in benauwdheid der tijden.
82 Onze Heere Jezus Christus doet even deze zelfde vermaning aangaande deze profetie, Matth. 24:15. verwijsteksten
83 Dat is, van dien tijd af dat er een bevel zal uitgaan dat men het volk (te weten het Joodse volk) wederbrengen, dat is, loslaten zal uit de Babylonische gevangenis, en hetzelve Jeruzalem herbouwen zal. Versta hier door het woord het bevel, als vers 23, te weten het bevel van Cyrus, naar sommiger gevoelen. Zie 2 Kron. 36:22, 23. Ezra 1:1, en boven, de aant. vers 24 van het begin der zeventig weken. Anders: om weder te brengen, dat is, om weder ter hand te stellen, te weten de vaten des tempels, die uit den tempel naar Babel gevoerd waren. Anders: om te herstellen, namelijk den staat der kerk en der regering. verwijsteksten
84 Dat is, tot op Christus; het Hebreeuwse woord Messias (hetwelk even hetzelve dat Christus betekent, namelijk een Gezalfde) staat ook Joh. 1:42; 4:25. verwijsteksten
85 Of: Leidsman, als Jes. 55:4, of: Hertog, als 2 Sam. 7:8. 2 Kon. 20:5. verwijsteksten
86 Hebr. de straat en de gracht. Anders: uitgehouwen gracht. Versta dit van de stadsgrachten.
87 Want al wat onder Ezra aan de muren gebouwd was, dat werd spoedig door de vijanden der Joden weder omvergeworpen, en de poorten met vuur verbrand. En onder Nehemia moesten zij bouwen met den troffel in de ene en het geweer in de andere hand, Neh. 4:17, waarom de Joden zich zozeer haastten, dat zij het gebouw van den muur voltooiden in twee en vijftig dagen. verwijsteksten
 
26 En 88na die twee en zestig weken zal de Messías 89uitgeroeid worden, 90maar het zal niet voor Hemzelven zijn; en 91een volk des vorsten, hetwelk komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en 92zijn einde zal zijn met een overstromenden vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn en 93vastelijk besloten verwoestingen.
88 Namelijk na de negen en zestigste week, want de zeven voorgenoemde weken moeten bij deze twee en zestig weken bijgevoegd worden.
89 Het Hebreeuwse woord betekent somtijds zoveel als een misdadiger om het leven brengen. Zie Lev. 17 op vers 4. verwijsteksten
90 Dat is, niet tot Zijn profijt, maar tot profijt van Zijn uitverkorenen, of: niet om Zijner zonden wil. Anders: doch Hij zal geen schuld hebben, of: maar zonder Zijn misdaad. Of: zonder enige schuld. Anders: en zal geen helper hebben. Zie Dan. 11:45. Anders: en niet meer zijn, te weten onder de mensen, opgenomen zijnde ter rechterhand des Vaders. Vgl. Gen. 5:24. verwijsteksten
91 Dat is, het heirleger der Romeinen.
92 Te weten het einde hetwelk de Romeinse vorst het Joodse volk zal aanbrengen. Of: het laatste dat hij het Joodse volk zal aandoen.
93 De zin is: Zij zijn vastelijk besloten, en de tijd is precies bestemd, wanneer zij komen en wanneer zij ophouden zullen. Sommigen verstaan dit aldus: Totdat Gods oorlog tegen Zijn volk een einde hebbe, zijn de verwoestingen precies bestemd.
 
27 En Hij zal 94velen het verbond versterken 95één week; en 96in de helft der week zal Hij het slachtoffer en het spijsoffer 97doen ophouden, en 98gover den gruwelijken 99vleugel zal een verwoester zijn, ook 100tot de voleinding toe, 1die vastelijk besloten zijnde, zal uitgestort worden over den verwoeste.
94 Of: voortreffelijken, te weten den uitverkorenen en gelovigen.
95 Dat is, zeven jaren, in het midden van dewelke de Heere Christus is gedood, en in den overigen tijd hebben de apostelen de Joden met het Evangelie van Christus bediend.
96 Te weten in het midden derzelver zeventigste week.
97 Te weten door Zijn dood, die een offerande en slachtoffer is, waardoor alle heiligen in der eeuwigheid geheiligd worden, voor dewelke al de Levitische offeranden verdwenen zijn, gelijk de schaduw voor de zon. Want hoewel zij nog een weinig tijds na de hemelvaart van Christus geduurd hebben, zo heeft nochtans met den dood van Christus terstond al haar wettigheid en nuttigheid opgehouden.
98 Hebr. over den vleugel der verfoeiselen of verfoeiingen. Versta het verfoeilijke heidense Romeinse krijgsvolk (Matth. 24:15), over hetwelk een krijgsoverste zal zijn, die deze verwoesting zal aanrichten naar Gods rechtvaardig oordeel. verwijsteksten
g Matth. 24:15. Mark. 13:14. Luk. 21:20. verwijsteksten
99 Of: benden. Zie Ez. 12 op vers 14. verwijsteksten
100 Zie Jer. 4, de aant. op vers 27. verwijsteksten
1 Zie Jes. 28 op vers 22. verwijsteksten

Einde Daniël 9