Statenvertaling.nl

sample header image

Ezechiël 45 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Ezechiël 45

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

Afzondering van een zeker gedeelte van het nieuwe erfland, voor het heiligdom, de priesters, Levieten, de stad en den vorst, vs. 1, enz. Belofte en vermaning voor de vorsten Israëls van recht en gerechtigheid, 8, 9, enz. Ordinantiën van menigerlei offeranden, voor het volk en den vorst, zo gewone als op feesten, 15.
 
Afzondering van een deel des lands
1 ALS1 gijlieden nu het land 2zult doen vallen in erfenis, zo zult gij een 3hefoffer den HEERE offeren, tot een 4heilige plaats, van het land; de lengte zal zijn de lengte van vijf en twintig duizend 5meetrieten en de breedte tienduizend; dat zal 6in zijn gehele grens rondom 7heilig zijn.
1 Dewijl niet alleen de vorige tempel verbrand, maar ook de stad en het ganse land verwoest, en het volk Gods weggevoerd was, en in het voorgaande van den nieuwen tempel gehandeld is, zo wordt nu in het volgende gesproken van het land en volk, met hun vorst; afbeeldende een gehele en volkomen herstelling van dit geestelijke gemenebest onder den Messias.
2 Dat is, door het vallen of werpen van het lot zult delen onder u. Zie Ps. 16:5, 6 met de aant. Alzo Ez. 47:14, 22; 48:29. In allen gevalle ziet de manier van spreken op de loting, hoewel het lot noch hier noch in het volgende uitdrukkelijk vermeld wordt. En het is aanmerkelijk dat den stammen hun landpalen niet bij loting, als in het boek van Jozua, maar door Gods expresse ordinantie in het 48ste hoofdstuk worden toegewezen. Vgl. Matth. 25:34. verwijsteksten
3 Of: gave. Hebr. een heffing heffen, waarmede gezien wordt op de hefoffers der wet, die van de rest als opgeheven of opgenomen en den Heere opgedragen en geheiligd werden.
4 Te weten afzonderende dezelve van de rest des lands tot een heilig gebruik; of men kan (met sommigen) deze woorden voegen bij het woord offeren aldus: Gij zult den Heere offeren van het land een heilig deel; alzo vers 4. Hebr. een heiligheid. verwijsteksten
5 Dit ingevoegde wordt genomen uit Ez. 42:15, 16, 17, 18, 19, 20, en hier het volgende vers, alwaar naar de eerste maat der rieten de ellen in het bijzonder gespecificeerd worden voor het ledig of buitenruim. verwijsteksten
6 Dat is, zo wijd en ver als het reikt.
7 Hebr. een heiligheid. Zie Ez. 43:12. verwijsteksten
 
2 8Hiervan 9zullen tot het heiligdom zijn vijfhonderd 10met vijfhonderd, vierkant rondom; en het zal vijftig ellen hebben tot een 11buitenruim rondom.
8 Deze materie, die hier begonnen en vers 9 afgebroken is, wordt in Ez. 48:8, enz., vervolgd. Men kan het in het gros bekwamelijk aldus met sommigen verstaan, dat dit afgezonderd gedeelte des lands, van vijf en twintig duizend in lengte en breedte, enz., aan zijn vier hoeken, verder is afgedeeld in drie delen: de eerste tienduizend in breedte, voor het heiligdom met zijn buitenruim en de woningen der priesters; de tweede tienduizend voor de Levieten; de resterende vijfduizend voor de stad; en wat er voorts oostwaarts en westwaarts tussen de zuidergrenzen van Juda en de noordergrenzen van Benjamin overschoot, voor de officieren of dienaars der stad (Ez. 48:18, 19), en wijders voornamelijk voor den vorst; waarop in het volgende dient gelet. verwijsteksten
9 Hebr. zal.
10 Of: door, bij, dat is (naar sommiger gevoelen), vijfhonderd rieten in lengte, met gelijke vijfhonderd in breedte; of vijfhonderd corresponderende met andere vijfhonderd in het vierkant rondom gemeten. Vgl. Ez. 48:20. verwijsteksten
11 Zie van het Hebreeuwse woord (dat anderszins met voorstad wordt overgezet, als er van steden gesproken wordt) Ez. 36 op vers 5. verwijsteksten
 
3 Alzo zult gij meten 12van deze maat, de lengte van vijf en twintig duizend en de breedte van tienduizend; en daarin zal het heiligdom zijn met het 13heilige der heiligen.
12 Dat is, met of naar deze maat.
13 Hebr. heiligheid der heiligheden. Zie Ex. 26:33, 34. Lev. 4:6, met de aantt. verwijsteksten
 
4 Dat zal een 14heilige plaats zijn van het land; zij zal zijn voor de priesters die het heiligdom bedienen, die naderen om den HEERE te dienen; en het zal hun een plaats zijn tot huizen, en een heilige plaats voor het heiligdom.
14 Als vers 1. verwijsteksten
 
5 Voorts zullen de Levieten, de dienaars des huizes, ook 15de lengte hebben van vijf en twintig duizend en de breedte van tienduizend, hunlieden tot een bezitting, voor twintig kamers.
15 Zie Ez. 48:13. verwijsteksten
 
6 En tot bezitting van de 16stad zult gij geven de breedte van vijfduizend, en de lengte van vijf en twintig duizend, tegenover het 17heilig hefoffer; voor het ganse huis Israëls zal het zijn.
16 Die niet genoemd wordt. Zie Ez. 40 op vers 2. verwijsteksten
17 Hebr. hefoffer der heiligheid, waarvan vers 1. Alzo in het volgende. verwijsteksten
 
7 De 18vorst nu zal zijn deel hebben van deze en van gene zijde des heiligen hefoffers en der bezitting der stad, 19vóór aan het heilig hefoffer en vóór aan de bezitting der stad; van den 20westerhoek westwaarts, en van den oosterhoek oostwaarts; en de lengte zal zijn tegenover een der delen, van de westergrens tot de oostergrens toe.
18 Door dezen vorst, van welken in dit en het volgende hoofdstuk veel wordt gesproken, verstaan sommigen (als Ez. 44:3) den hogepriester, of onzen Heere Christus den Messias Zelven, Die niet alleen in Zijn huis woont en dat met Zijn heerlijkheid vervult, maar ook rondom hetzelve Zich (om zo te spreken) legert, om dat als Koning te beschermen; en Die als onze Hogepriester en Borg al onze schuld op Zich genomen hebbende, voor dezelve (alsof het Zijn eigen ware) betaald, en Zichzelven voor ons (alsof het ware voor Zichzelven, omdat Hij in onze plaats stond) vrijwilliglijk opgeofferd heeft; insgelijks Die niet alleen een Koning of Vorst is, maar ook een Broeder en Medegenoot der gelovigen, die Hij Zijn mede-erfgenamen maakt, zijnde steeds in het midden van hen en met hen, tot aan de voleinding der wereld, biddende voor hen als hun Middelaar, hebbende alleen de macht en het privilege van Zijns weegs in en uit te gaan, Zijn leven te laten en weder te nemen, de poort des heiligdoms te openen en te sluiten, enz. Anderen verstaan hier een burgerlijken christelijken vorst of regent, en daardoor wijders alle christelijke regenten en overheden, die God Zijn kerk in het Nieuwe Testament, naar verscheidene profetieën van het Oude Testament, zou verlenen, welker eerste en voornaamste zorg moet wezen voor den welstand van Gods kerk, die zij met hun beschutting moeten als omringen, in de oefening van den waren godsdienst en het respect van den kerkendienst het volk met hun voorbeeld voorgaan, ook zich in dezen houden en gedragen als broeders, medegenoten en medeleden der kerk; voorts recht en gerechtigheid aanstellen en handhaven, alle onrecht, overlast, tirannie en geweld afschaffen, en den onderdanen een gerust en stil leven verzorgen, totdat de volmaakte gerechtigheid, heiligheid en vrede in het andere leven daarop volgt. verwijsteksten
19 Hebr. voor, of tegen het aangezicht; zo in het volgende.
20 Hebr. hoek der zee, naar de zee toe, alzo in het volgende zee voor het westen.
 
8 21Dit land aangaande, het zal hem tot een bezitting zijn in Israël; en Mijn vorsten zullen Mijn volk niet meer 22verdrukken, maar het huis Israëls het land 23laten, naar hun stammen.
21 Anders: Hij zal het in het land hebben tot, enz. Of: Van het land zal hij dit hebben, enz.
22 Vgl. Ps. 72:2, 4, 14. Jes. 11:3, 4, 5, enz.; 29:18, 19, 20; 42:1, 3, 4; 60:17, 18. Zef. 3:13. verwijsteksten
23 Hebr. eigenlijk: geven.
 
De vorst en de offeranden
9 Alzo zegt de Heere HEERE: 24Het is te veel voor u, gij vorsten Israëls; doet geweld en verstoring weg, en doet recht en gerechtigheid; neemt uw 25uitstotingen op van Mijn volk, spreekt de Heere HEERE.
24 Zie Ez. 44 op vers 6. Sommigen verstaan dit alsof God zeide: Gij hebt land meer dan genoeg voor u, aan hetgeen dat Ik u toegelegd heb, daarom, enz. Anderen houden het voor een verbloemde bestraffing van de overleden koningen van Juda, tot dewelke God spreekt alsof zij tegenwoordig waren; of van de antichristelijke kerkelijke en burgerlijke tirannen, die Gods volk zeer en lang zouden plagen. verwijsteksten
25 Dat gij hen uit het hunne verdrijft en uitstoot, trekkende dat aan u; zulken overlast zult gij van hen wegnemen, hen daarvan ontlasten. Zie gelijke manier van spreken Jes. 57:14. verwijsteksten
 
10 Een 26rechte awaag en een rechte 27efa en een rechten 28bath zult gijlieden hebben.
26 Hebr. waag of weegschalen der gerechtigheid, en alzo in het volgende. Als Lev. 19:36. verwijsteksten
a Lev. 19:35, 36. verwijsteksten
27 Zie Lev. 5 op vers 11. verwijsteksten
28 Zie 1 Kon. 7 op vers 26. verwijsteksten
 
11 Een efa en een bath 29zullen van 30enerlei maat zijn, dat een bath het tiende deel van een 31homer houde; ook een efa het tiende deel van een homer; de maat daarvan zal zijn naar den 32homer.
29 Hebr. zal.
30 Een efa in droge, en een bath in natte waren.
31 De grootste maat van droge waren. Anders ook genoemd kor. Zie vers 14. 1 Kon. 4 op vers 22. verwijsteksten
32 Als zijnde de grootste maat, naar dewelke de andere moesten gereguleerd zijn.
 
12 En de b33sikkel zal zijn van twintig 34gera; twintig sikkelen, vijf en twintig sikkelen en vijftien sikkelen zal ulieden een 35pond zijn.
b Ex. 30:13. Lev. 27:25. Num. 3:47. verwijsteksten
33 Zie Gen. 23 op vers 15; 24 op vers 22. verwijsteksten
34 Zie Lev. 27 op vers 25. Het is bij ons zoveel (gelijk het sommigen bekwamelijk op onze munt gepast hebben) als een halve braspenning, van welke twintig een kwart rijksdaalder maken, zoveel als een gemene of burgerlijke sikkel bedroeg, van welken hier gesproken wordt. verwijsteksten
35 Hebr. maneh, dat is, mina. Zie 1 Kon. 10:17. 2 Kron. 9:16. Ezra 2:69, met de aantt. De zin is, dat zestig sikkelen een pond of mina van goud of zilver zouden maken. Dit wordt gehouden, bij sommigen, voor een nieuwe ordinantie, dewijl de oude mina maar vijftig sikkelen des heiligdoms, en honderd gemene hield; maar hier staat van zestig sikkelen, hetwelk zoveel meer zou moeten zijn in het heilige en burgerlijke. Enigen menen dat er zodanige drie verscheidene soorten van munt zouden geweest zijn, die tezamen een pond of mijn zouden maken. God wil zeggen, dat de gerechtigheid in alles striktelijk en op het nauwste zal worden onderhouden. verwijsteksten
 
13 Dit is het 36hefoffer dat gijlieden offeren zult: het 37zesde deel van een efa van een homer tarwe; ook zult gij het zesde deel van een efa geven van een homer gerst.
36 Of: de offeranden die, enz. Hebr. de heffing die gij zult heffen. Dit verstaan sommigen van hetgeen dat het volk het ganse jaar door zou opbrengen tot de gewone offeranden des tempels. (Anderen duiden het op de inwijding des tempels.) Van de offeranden in het gemeen zie Ez. 40 op vers 39. verwijsteksten
37 Hebr. alsof men zeide: zessen, dat is, het zesde deel geven; gelijk vertienden het tiende deel geven.
 
14 Aangaande de inzetting van olie, van een bath olie; gij zult offeren het tiende deel van een bath uit een 38kor, hetwelk is een homer van tien bath, want tien bath zijn een homer.
38 Zie op vers 11. verwijsteksten
 
15 Voorts één lam uit de kudde, uit de tweehonderd, uit het 39waterrijke land van Israël, tot spijsoffer en tot brandoffer en tot dankoffers, om verzoening over hen te doen, spreekt de Heere HEERE.
39 Dat is, uit de beste en vetste weiden. Anders: boven den wijn of den drank van Israël, dat is, dien Israël zou opbrengen tot drankoffers. Vgl. vers 17. verwijsteksten
 
16 Al het volk des lands zal 40in dit hefoffer zijn, 41voor den vorst in Israël.
40 Of: zullen tot dit hefoffer (waarvan in het voorgaande gesproken) gehouden of verplicht zijn.
41 Of: omwille van den vorst. Sommigen verstaan het alzo, dat zij met deze contributie zouden vervullen hetgeen anderszins de vorst zou doen. Vgl. 2 Kron. 31:3 met de aant. Anders: met den vorst; insgelijks tot den vorst toe, zodat de vorst daartoe niet gehouden is, als wiens bijzondere offeranden in het volgende verhaald worden. Men zou het ook kunnen nemen als een inhoud of titel van het volgende, en daarbij voegen aldus: Aangaande den vorst in Israël, of: van den vorst, enz. (gelijk zulke titels bij de profeten gevonden worden), die zal doen als volgt. verwijsteksten
 
17 En het zal den vorst 42opliggen te offeren de brandoffers en het spijsoffer en het drankoffer, op de feesten en op de nieuwe maanden en op de sabbatten, 43op alle gezette hoogtijden van het huis Israëls; hij zal het zondoffer en het spijsoffer en het brandoffer en de dankoffers 44doen, om verzoening te doen voor het huis Israëls.
42 Hebr. op den vorst zal zijn, dat is, het zal zijn plicht zijn.
43 Of: in alle gezette bijeenkomsten.
44 Of: bereiden, dat is, geven, aanbrengen, laten toemaken.
 
18 45Alzo zegt de Heere HEERE: In de eerste maand, op den eerste der maand, zult gij een volkomen var, een 46jong rund, nemen, en gij zult het heiligdom ontzondigen.
45 De volgende nieuwe ordinantie hebben enigen wel aangemerkt dat aan Mozes nergens tevoren gegeven was, gelijk ook, buiten dat, het onderscheid dat er is tussen verscheidene nieuwe offeranden en ceremoniën die hier worden vermeld, en de oude voorgaande, uit de vergelijking klaarlijk kan worden afgeleid, tot een teken van de afschaffing van de oude ceremoniën en van het vorige priesterdom door de komst en het enige volkomen offer van den Messias, dat hier door vele offeranden wordt afgebeeld naar den stijl van het Oude Testament en den eis van dien tijd, als de klarigheid des lichts en de tijd der herstelling nog niet gekomen was. Zie Gal. 3:23, 24, 25; 4:1, 2, 3. Insgelijks Hebr. 9:8, 10. verwijsteksten
46 Hebr. kind of zoon van een rund.
 
19 En de priester zal van het bloed des zondoffers nemen en het doen aan de 47posten des huizes en aan de vier hoeken van het afzetsel des altaars, en aan de posten der poort van het binnenste voorhof.
47 Hebr. post; en zo in het volgende.
 
20 Alzo zult gij ook doen op den zevende in die maand, 48vanwege den afdwalende en vanwege den slechte; alzo zult gijlieden het huis verzoenen.
48 Dat is, voor zodanigen die door enige afdwaling, of slechtheid, onwetendheid, onverstand, het huis des Heeren mogen hebben ontsticht of verontreinigd, maar niet door moedwil en met opgeheven hand. Deze ordinantie beeldt af, hoe men den zwakken gevallen boetvaardige zal te hulp komen en oprichten, door het middel van een welgeregelde en christelijke discipline. Vgl. Matth. 16:19; 18:18, 21, enz. Joh. 20:23. Rom. 14:4, 10, 13. Gal. 6:1, enz. Jak. 5:19, 20. 1 Joh. 5:16, enz. verwijsteksten
 
21 cIn de eerste maand, op den veertienden dag der maand, zal ulieden het pascha zijn; een feest van zeven dagen; ongezuurde broden 49zal men eten.
c Ex. 12:3; 23:15. Lev. 23:5. Num. 9:3; 28:16, 17. Deut. 16:1. verwijsteksten
49 Hebr. zal gegeten worden.
 
22 En de vorst zal op denzelven dag voor zichzelven, en voor al het volk des lands, bereiden een var 50des zondoffers.
50 Een var tot een zondoffer. Hebr. een var der zonde, dat is, des zondoffers, als doorgaans in deze materie. Zie Lev. 4 op vers 3. verwijsteksten
 
23 En de zeven dagen van het feest zal hij een brandoffer den HEERE bereiden, van zeven varren en zeven rammen, die volkomen zijn, dagelijks, de zeven dagen lang, en een zondoffer van een geitenbok, dagelijks.
24 Ook zal hij een spijsoffer bereiden, een efa tot een var en een efa tot een ram; en een 51hin olie tot een efa.
51 Zie Lev. 19 op vers 36. verwijsteksten
 
25 dIn de zevende maand, op den vijftienden dag der maand, zal hij op het 52feest 53desgelijks doen, zeven dagen lang; gelijk het zondoffer, gelijk het brandoffer, en gelijk het spijsoffer, en gelijk de olie.
d Lev. 23:33. Num. 29:12. Deut. 16:13. verwijsteksten
52 Versta het feest der loofhutten of tabernakelen. Merk dat aan het pinksterfeest hier niet gedacht wordt. Vgl. Zach. 14:16, 19. verwijsteksten
53 Hebr. naar of gelijk die, dat is, zoals hij op het voorgaande feest gedaan zal hebben met al deze offeranden, die tevoren verhaald zijn en hier kortelijk worden aangeroerd.

Einde Ezechiël 45