Statenvertaling.nl

sample header image

Ezechiël 44 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Ezechiël 44

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

Bijzonder gebruik van de oostpoort van het heiligdom, voor den vorst, vs. 1, enz. De Heere, Wiens heerlijkheid in den tempel was, spreekt den profeet weder aan, vermaant hem tot opmerking, met last om Zijn volk te straffen over het vorig instellen van onwettige en ondeugdelijke dienaars in Zijn huis, 4. Wie daarvan ten enenmale moeten geweerd worden, 9. Wie in hun dienst vernederd zullen zijn, 10. De kinderen Zadoks worden in hun dienst bevestigd, van hun ambt onderwezen en van hun onderhoud verzekerd, 15.
 
De oosterpoort toegesloten
1 TOEN deed Hij mij wederkeren den weg naar de poort van het buitenste heiligdom die naar het oosten zag; en die was toegesloten.
2 En de HEERE zeide tot mij: Deze poort zal toegesloten 1zijn, zij zal niet geopend worden, noch iemand door dezelve ingaan, omdat de HEERE, de God Israëls, door 2dezelve is ingegaan; daarom zal zij toegesloten zijn.
1 Dat is, blijven. Zie Jer. 27 op vers 22. Alzo in het volgende. verwijsteksten
2 Zie Ez. 43:2, 4. verwijsteksten
 
3 De 3vorst, de vorst, die zal 4in dezelve zitten om 5brood te eten voor het aangezicht des HEEREN; door den weg van het voorhuis der poort zal hij ingaan en 6door den weg van hetzelve zal hij 7uitgaan.
3 Of: overste, waardoor men met sommigen hier kan verstaan den hogepriester (zie Jer. 35 op vers 4), afbeeldende onzen Heere Christus, als den enigen Hogepriester, insgelijks Vorst, Prins en Koning (Ez. 34:22, 23) Zijner kerk. Of (als anderen): den Heere Christus Zelven, Die de Heere van dit geestelijk huis is, en alleen bekwaam om tot God voor ons te naderen en voor Zijn aangezicht te verschijnen (zie Jer. 30 op vers 21), Die alleen den Vader kent en openbaart, alleen sluit en opent, de enige Poort en Deur des hemels, Die alleen den weg en ingang in het heiligdom voor ons heeft geopend en bereid, en ter rechterhand der Majesteit Gods als Koning gezeten is, nemende Zijn vreugde in Zijn genadewerk en geestelijk gebouw, op welke dit ganse gezicht voornamelijk slaat. Vgl. Matth. 3:17; 11:27. Joh. 1:18; 3:13; 10:9. Hebr. 6:19, 20; 8:1, 2; 9:8; 10:19, 20. Openb. 3:7; 5:5, enz. Insgelijks Jes. 53:11. verwijsteksten
4 Anders: aan dezelve.
5 Dat is, maaltijd te houden (gelijk tevoren geschiedde van de offeranden), en voorts gemeenzaamlijk voor des Heeren aangezicht te verkeren. Vgl. Ex. 29:32. Lev. 8:31; 24:9, en wijders Gen. 31 op vers 54. Deze omstandigheden schijnen onderscheid te maken tussen dezen vorst en den vorst waarvan Ezechiël 45; 46. Doch beide vorsten (de hogepriester en koning) kunnen aangemerkt worden als afbeeldende, elk in het zijne, en naar der zaken natuur, den Heere Christus. Zie de voorgaande aant. verwijsteksten
6 Of: zijns weegs.
7 Dit duiden sommigen op Christus’ wederkomst ten oordeel. Vgl. Hand. 1:11. Hebr. 9:28. verwijsteksten
 
De wacht des heiligdoms
4 Daarna bracht Hij mij den weg der noorderpoort, 8vóór aan het huis; en ik zag, en zie, de heerlijkheid des HEEREN had het huis des HEEREN vervuld; toen 9viel ik op mijn aangezicht.
8 Hebr. tegen het aangezicht.
9 Als Ez. 43:3. verwijsteksten
 
5 En de HEERE zeide tot mij: Mensenkind, zet er uw hart op, en zie met uw ogen, en hoor met uw oren alles wat Ik met u spreken zal, van alle inzettingen van het huis des HEEREN, en van al zijn wetten; en zet uw hart op den ingang van het huis, met alle 10uitgangen des heiligdoms.
10 Of: voortgangen.
 
6 En zeg tot die wederspannigen, tot het huis Israëls: Zo zegt de Heere HEERE: 11Het is te veel voor ulieden, vanwege al uw gruwelen, o huis Israëls;
11 Dat is, gij hebt daarvan te veel gemaakt, het is te hoog en te grof geweest, laat het genoeg zijn, gij zult moeten afhouden van, enz. Vgl. Num. 16:3. 1 Kon. 19:4, met de aantt. Alzo Ez. 45:9. Met deze ingevoegde bestraffing heeft God Zijn volk, aan hetwelk de profeet dit gezicht belast was bekend te maken, opnieuw willen inscherpen hun gruwelijke zonden, om welker wil Hij den vorigen tempel, stad en land verlaten had, opdat zij door ware bekering en geloof mochten zoeken gemeenschap te hebben met dit nieuwe onverdiende genadewerk, dat God door den Messias zou aanstellen, en dat door dit gezicht was afgebeeld. verwijsteksten
 
7 Dewijl gijlieden 12vreemden hebt ingebracht, onbesnedenen van hart en 13onbesnedenen van vlees, om in Mijn heiligdom te zijn, om dat te 14ontheiligen, te weten Mijn huis; als gij Mijn 15brood, het 16vette en het bloed offerdet, en 17zij Mijn verbond verbraken, nevens al 18uw gruwelen.
12 Hebr. kinderen of zonen van een vreemden of uitlandsen, dat is, die geen Israëlieten, noch Gods bondgenoten, noch leden van Zijn volk waren. Zie 2 Sam. 22:45 met de aant. Alzo vers 9. Of: die niet van priesterlijk geslacht waren, als Lev. 22:10 (zie de aant. aldaar), en daarenboven goddeloos, als volgt. verwijsteksten
13 Dit nemen enigen als twee soorten van ondeugdelijke bedienaars van het heiligdom, zijnde sommigen Israëlieten, maar goddeloos, anderen uitlandsen en geen Israëlieten, gans vreemd van God en Zijn volk. Anderen verstaan hier zodanigen die noch van binnen enige godzaligheid hadden, noch van buiten enigen schijn daarvan, zijnde goddeloos van hart en wandel. Zie Deut. 10:16. Jer. 4:4; 9:25, 26, met de aantt. verwijsteksten
14 Door hun onwaardigheid, afgoderijen, bijgelovigheden en menselijke inzettingen. Vgl. 2 Kon. 23:5. 2 Kron. 34:5. Ez. 43:7, 8, met de aantt. verwijsteksten
15 Dat is, spijze. Versta het geofferde. Zie Lev. 3 op vers 11; 21:8. Num. 28:2. Mal. 1:12. verwijsteksten
16 Vgl. vers 15. Lev. 3:16, 17. Maar dit hadden zij geofferd door onwettige en goddeloze priesters. verwijsteksten
17 De vreemde priesters, doende tegen al Mijn ordinantiën, en alzo het verbond des priesterdoms verbrekende en vernietigende.
18 Boven de andere gruwelen, die gij zelven bedreeft. Anders: om, ter oorzake van, vanwege, enz.
 
8 En gijlieden hebt de 19wacht van Mijn 20heilige dingen niet waargenomen, maar gij hebt 21uzelven enigen tot wachters Mijner wacht gesteld in Mijn heiligdom.
19 Vgl. Ez. 40:45 met de aant. verwijsteksten
20 Hebr. van Mijn heiligheden.
21 Die gij zelven daartoe verkoren hebt, buiten en tegen Mijn last.
 
9 22Alzo zegt de Heere HEERE: 23Geen vreemde, onbesneden van hart en onbesneden van vlees, zal in Mijn heiligdom ingaan, van enigen vreemde die in het midden der kinderen Israëls is.
22 Hier volgen nu de wetten van reformatie in de kerkelijke diensten, aanwijzende wie daartoe ondeugdelijk of deugdelijk zijn. Vergelijk de apostolische bevelen, inzonderheid in de brieven aan Timotheüs en Titus. Insgelijks Openbaring 2; 3, enz. verwijsteksten
23 Hebr. Alle kind of zoon eens vreemden zal niet, enz. Dat is, geen van hen; geen die ondeugdelijk is in geloof of leer en leven.
 
10 24Maar de 25Levieten die verre van Mij geweken zijn als Israël ging dolen, die van Mij zijn afgedwaald, hun 26drekgoden achterna, zullen wel hun 27ongerechtigheid dragen;
24 Of: Ja, ook, zelfs, enz.
25 Hierdoor verstaan sommigen de priesters uit de Levieten, zijnde van Ithamar en Abjathar afkomstig, uit vers 13 en de tegenstelling van vers 15, en Ez. 40:46; 43:19. Zie 1 Kon. 2 op vers 27. Dit is een afbeelding van de discipline die er in Gods kerk moet geoefend worden over zulke bedienaars van Gods huis, die van den waren godsdienst en religie afwijkende, Gode en Zijn kerk ontrouw zijn geworden, wanneer zij zich daarvan komen te bekeren. Vgl. 2 Kon. 23:9 met de aant. aldaar. verwijsteksten
26 Zie Lev. 26 op vers 30. verwijsteksten
27 Dat is, straf hunner ongerechtigheid. Zie Lev. 5 op vers 1. verwijsteksten
 
11 Nochtans zullen zij in Mijn heiligdom 28bedienaars zijn, in de ambten aan de poorten van het huis, en zij zullen het huis bedienen; zij zullen het brandoffer en het slachtoffer voor het volk slachten, en zullen voor hun aangezicht staan om hen te dienen.
28 Van slechtere en mindere diensten dan zij tevoren bedienden (dat is, zij zullen gedegradeerd worden), 1 Kron. 23:28, 29. Insgelijks vers 14. Num. 3:7, 8. verwijsteksten
 
12 Omdat zij 29henlieden gediend hebben voor het aangezicht hunner drekgoden, en het huis Israëls tot een aanstoot der ongerechtigheid geweest zijn, daarom heb Ik Mijn 30hand tegen hen opgeheven, spreekt de Heere HEERE, dat zij hun ongerechtigheid zullen dragen.
29 Het volk.
30 Dat is, Ik heb gezworen. Zie Gen. 14 op vers 22. verwijsteksten
 
13 En zij zullen tot Mij niet naderen om Mij het priesterambt te bedienen, en om te naderen tot al Mijn 31heilige dingen, tot de 32allerheiligste dingen; maar zullen hun schande dragen, en hun 33gruwelen die zij gedaan hebben.
31 Hebr. heiligheden.
32 Of: in de allerheiligste plaatsen. Hebr. heiligheden der heiligheden.
33 Dat is, de straf van die, als vers 10. verwijsteksten
 
14 Daarom zal Ik hen stellen tot wachters van de 34wacht des huizes, aan al zijn dienst, en aan alles wat daarin zal gedaan worden.
34 Vgl. vers 11. Ez. 40:45 met de aant. verwijsteksten
 
15 Maar de 35Levitische priesters, de 36kinderen Zadoks, die de 37wacht Mijns heiligdoms hebben waargenomen als de kinderen Israëls van Mij afdwaalden, die zullen tot Mij naderen om Mij te dienen, en zullen voor Mijn aangezicht staan om Mij het vette en het bloed te offeren, spreekt de Heere HEERE.
35 Anders: de priesters en de Levieten. Vgl. Ez. 40:45, 46 met de aant. verwijsteksten
36 Dat is, nakomelingen van Zadok, die afkomstig was van Aäron door Eleazar en Pinehas (welken een eeuwig priesterdom was toegezegd, Num. 25:13), en in Abjathars plaats hogepriester werd. Zie 1 Kon. 2:27, 35, met de aantt. Zadok heet zoveel als rechtvaardig zijn, of een gerechtvaardigde. Deze kinderen Zadoks worden hier gesteld als een patroon van alle wettige, waardige en bekwame dienaars der kerk van Christus (den Koning der gerechtigheid en Hogepriester naar de ordening of wijze van Melchizedek), die hier van God in hun dienst vastgesteld, vereerd en gezegend worden. verwijsteksten
37 Hun bevolen dienst getrouwelijk en bestendiglijk hebben verricht, of rein en zuiver zijn gebleven in het geloof en den waren godsdienst.
 
16 Die zullen in Mijn heiligdom ingaan en die zullen tot Mijn 38tafel naderen om Mij te dienen, en zij zullen 39Mijn wacht waarnemen.
38 Zie Ez. 41 op vers 22. verwijsteksten
39 Zie Lev. 8 op vers 35. Num. 3 op vers 7. verwijsteksten
 
Inzettingen voor de priesters
17 En het zal geschieden als zij tot de poorten van het binnenste voorhof zullen ingaan, dat zij 40linnen klederen zullen aantrekken; maar wol zal op hen niet komen, als zij dienen in de poorten van het binnenste voorhof en inwaarts.
40 Wat rein, luchtig, blank, lieflijk, en niet bezwaarlijk, lastig of hinderlijk is in den dienst, als wel is een wollen kleed. Zie van de priesterlijke klederen Ez. 42 op vers 14. Vgl. Matth. 17:2; 28:3. Openb. 4:4; 7:13. verwijsteksten
 
18 Linnen 41huiven zullen op hun hoofd zijn en linnen onderbroeken zullen op hun lendenen zijn; zij zullen zich niet gorden in het 42zweet.
41 Het Hebreeuwse woord heeft den naam van versieren, en het dekken van het hoofd wordt genomen voor een teken van onderwerping en onderdanigheid, 1 Kor. 11:10. Alzo is der leraren sieraad hun Hoofd Christus onderdanig en onderworpen te zijn. Vgl. Ex. 28:40; 39:28. verwijsteksten
42 Of: met zweet, dat is, alzo of met zulke begording of kleding, dat zij daarvan zouden zweten; of (als sommigen): aan zweterige plaatsen van het lichaam, waar de mens gemeenlijk meest zweet. Anders: naar het zweet. Dit houden sommigen als een afbeelding van de wakkerheid en kuisheid des harten, die bij de bedienaars van Gods kerk in het verrichten van den dienst moet zijn.
 
19 En als zij uitgaan tot het buitenste voorhof, namelijk tot het buitenste voorhof tot het volk, zullen zij hun klederen in dewelke zij gediend hebben, uittrekken en dezelve heenleggen in de 43heilige kamers, en zullen andere klederen aantrekken, opdat zij het volk niet 44heiligen met hun klederen.
43 Hebr. kamers der heiligheid. Zie Ez. 42:14. verwijsteksten
44 Door het aanroeren der heilige klederen, die met de heilige olie gezalfd en alleen voor de priesters waren, geheiligd tot den godsdienst, welke heiliging met de anderen niet mocht gemeen gemaakt worden. Zie Ex. 29:37; 30:29. Insgelijks Ez. 46:20. Sommigen nemen het alsof God Zijn dienstknechten daarmede wil verbieden een huichelachtigen schijn van heiligheid voor de gemeente te voeren, en daarentegen bevelen gemeenzaamheid met de broederen. Vgl. Matth. 6:5, 6, 16, 17 en 18. verwijsteksten
 
20 En zij zullen hun 45hoofd niet glad 46afscheren, ook de lokken niet 47lang laten wassen; 48behoorlijk zullen zij hun hoofden bescheren.
45 Niet gans kaal scheren, noch het haar lang laten wassen, maar matiglijk korten, afsnijden of scheren, vgl. Lev. 21:5, betekenende eerbaarheid, zedigheid en matigheid in den uiterlijken wandel. verwijsteksten
46 Te weten met een scheermes, als enigen dit nemen.
47 Hebr. laten uitschieten, uitslaan, voortschieten, dat is, lang laten wassen.
48 Hebr. bescherende zullen zij bescheren. Anders: ganselijk of in alle manieren afsnijden, en dan in het voorgaande bescheren. Het Hebreeuwse woord wordt alleenlijk hier gevonden.
 
21 Ook zal 49geen priester 50wijn drinken, als zij in het binnenste voorhof zullen ingaan.
49 Hebr. alle priester zullen niet, enz. Dat is, geen van hen zal, enz.
50 Dat is, hij zal zijn dienst met een nuchter, aandachtig, opmerkend en heilig gemoed verrichten, en alles vermijden wat hem daarin zou mogen hinderen. Vgl. Lev. 10:9. 1 Tim. 3:3. Tit. 1:7. Insgelijks Matth. 24:48, 49, enz. verwijsteksten
 
22 51Ook zullen zij zich geen aweduwe of verstotene tot vrouwen nemen; maar jongedochters van het zaad van het huis Israëls, of een weduwe die een weduwe zal geweest zijn van een priester, zullen zij nemen.
51 Vgl. Lev. 21:13, enz. Deze ordinantie wil zeggen, dat Gods dienaars stichtelijk en in den Heere zullen huwen, vermijdende hetgeen dat de eer en waardigheid van hun dienst zou mogen verduisteren, of een onstichtelijke huishouding veroorzaken. Vgl. 1 Tim. 3:2, 4. Insgelijks 1 Kor. 7:39; 9:5. verwijsteksten
a Lev. 21:13, 14. verwijsteksten
 
23 En zij zullen Mijn volk 52onderscheid leren tussen het heilige en onheilige, en hun bekendmaken het onderscheid tussen het onreine en reine.
52 Vgl. Lev. 10:10. Ez. 22:26. Mal. 2:7. 1 Tim. 6:20. 2 Tim. 1:13; 2:15, 16. Tit. 1:9. Openb. 2:2, 14, 15, 16, 20, enz. verwijsteksten
 
24 En over een 53twistzaak zullen zij 54staan om te richten; naar Mijn rechten zullen zij haar richten; en zij 55zullen Mijn wetten en Mijn inzettingen op al Mijn 56gezette hoogtijden houden en Mijn 57sabbatten heiligen.
53 Vgl. Deut. 17:8, 9, enz. 2 Kron. 19:10, 11. Dit ziet op de kerkelijke judicatuur, of de oordelen, die in Gods huis bij kerkelijke vergaderingen naar Gods Woord moeten gehouden worden, tot onderrichting der consciënties in zaken van geloof en leven, wegneming en voorkoming van ergernissen, en behoudenis van vrede en enigheid onder broederen. verwijsteksten
54 Of: bij recht blijven staan, dat is, bestendiglijk volharden in hetgeen dat recht en conform Mijn Woord is. Vgl. 2 Kon. 23 op vers 3, en de manier van spreken gebruikt Deut. 25:8. verwijsteksten
55 Vgl. 1 Tim. 6:13, 14, enz. verwijsteksten
56 Anders: in of met al Mijn bijeenkomsten, dat is, zowel het een als het ander, wat van Mij is ingesteld, dat zullen zij onderhouden, bijzonderlijk wat aangaat de vergaderingen der gelovigen en den publieken godsdienst in dezelve.
57 Zie Ex. 20 op vers 8. Insgelijks Hebr. 4:9, 10, 11. verwijsteksten
 
25 Ook zal 58geen van hen tot een doden mens ingaan, dat hij onrein worde; maar om een vader of om een moeder, of om een zoon of om een dochter, om een broeder of om een zuster die geens mans geweest is, zullen zij zich mogen verontreinigen.
58 Hebr. hij zal niet, enz., dat is, geen der priesters. Vgl. Lev. 21:1, 2, 3, 4, enz. Deze ordinantie beveelt zulke matigheid in rouw, dat de godsdienst gerespecteerd en de band der natuur en des geestes onder de Christenen niet veracht, en ook de hoop des eeuwigen levens niet verduisterd worden; met bekentenis onzer zwakheid en gebrekkelijkheid in dezen, waarvan wij vergeving door Christus moeten verzoeken. Vgl. Joh. 11:33, 35. Hand. 9:39. 1 Thess. 4:13, enz. verwijsteksten
 
26 En na 59zijn reiniging zullen zij hem zeven dagen tellen.
59 Van den priester die verontreinigd was over een dode. Vgl. Num. 6:9, enz.; 19:11, 12, enz. verwijsteksten
 
27 En ten dage als hij in het heilige zal ingaan, in het binnenste voorhof, om in het heilige te dienen, zal hij zijn zondoffer offeren, spreekt de Heere HEERE.
28 60Dit nu zal hun tot een erfenis zijn: bIk ben hun Erfenis; daarom zult gij hunlieden geen bezitting geven in Israël; Ik ben hun Bezitting.
60 Vergelijk deze wetten met Num. 18:8, 20, 24. Deut. 10:9; 12:12; 14:27; 18:1, 2; 26:12. Onder dezelve wordt den kerkendienaren van God verordineerd hun behoorlijk onderhoud. Zie Matth. 10:10. Luk. 10:7. 1 Kor. 9:4, 6, 7, enz., en zeer klaarlijk vss. 13, 14 aldaar. verwijsteksten
b Num. 18:20. Deut. 18:1. verwijsteksten
 
29 Het spijsoffer en het zondoffer en het schuldoffer, die zullen zij eten; ook zal al het 61verbannene in Israël hunne zijn.
61 Hebr. ban. Zie Lev. 27 op vers 21. verwijsteksten
 
30 En cde 62eerstelingen van alle eerste 63vruchten van 64alles, en alle 65hefoffer van alles, van al uw hefoffers, zullen der priesters zijn; ook zult gij 66de eerstelingen van uw deeg den priester geven, om den 67zegen op uw huis te doen rusten.
c Ex. 13:2; 22:29, 30. Num. 18:11. verwijsteksten
62 Hebr. het eerste, het voornaamste van alle eerstelingen uit alles. Zie Ex. 13:2; 22:29, 30. Num. 18:11. verwijsteksten
63 Of: van hetgeen eerst voortkomt.
64 Dat is, allerlei; en zo in het volgende.
65 Of: alle offerande, enz.
66 Vgl. Num. 15:20. Neh. 10:37, enz. verwijsteksten
67 Vgl. Deut. 14:29, en zie het tegendeel Ez. 5:13. verwijsteksten
 
31 d68Geen aas, noch wat verscheurd is, van het gevogelte of van het vee, zullen de priesters eten.
d Lev. 22:8. verwijsteksten
68 Hebr. Allen aas, enz., zullen zij (de priesters) niet, enz., dat is, geen aas, niets verscheurds; vgl. Ex. 22:31. Lev. 22:4, 8. Ez. 4:14; betekenende dat de kerkendienaars onstraffelijk en heilig moeten zijn, niet genegen tot den verdervenden toorn, roverij, onrechtvaardig gewin, enz. Vgl. Matth. 23:25. 1 Tim. 3:3. Hetwelk ook allen gelovigen (als geestelijke priesters) bevolen moet zijn, gelijk deze wet ook gans Israël gegeven is, Ex. 22:31. verwijsteksten

Einde Ezechiël 44