Statenvertaling.nl

sample header image

Ezechiël 40 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Ezechiël 40

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

De nieuwe tempel
1 IN het vijf en twintigste jaar onzer gevankelijke wegvoering, in het begin des jaars, op den tiende der maand, in het veertiende jaar nadat de stad ageslagen was; even op dienzelven dag, was de hand des HEEREN op mij en Hij bracht mij derwaarts. a Ez. 33:21. verwijsteksten
2 In de gezichten Gods bracht Hij mij in het land Israëls; en Hij zette mij op een zeer hogen berg, en aan denzelven was als een gebouw ener stad tegen het zuiden.
3 Als Hij mij daarheen gebracht had, zie, zo was er een Man, Wiens gedaante was als de gedaante van koper; en in Zijn hand was een linnen snoer en een meetriet; en Hij stond in de poort.
4 En die Man sprak tot mij: Mensenkind, zie met uw ogen, en hoor met uw oren, en zet uw hart op alles wat Ik u zal doen zien; want opdat Ik u zou doen zien, zijt gij herwaarts gebracht; verkondig daarna het huis Israëls alles wat gij ziet.
5 En zie, er was een muur buiten aan het huis rondom heen, en in des Mans hand was een meetriet van zes ellen, elke el van een el en een handbreed; en Hij mat de breedte des gebouws, één riet, en de hoogte, één riet.
6 Toen kwam Hij tot de poort welke zag den weg naar het oosten, en Hij ging bij derzelver trappen op, en mat den dorpel der poort, één riet de breedte, en den anderen dorpel, één riet de breedte;
7 En elk kamertje één riet de lengte, en één riet de breedte; en tussen de kamertjes vijf ellen; en den dorpel der poort, bij het voorhuis der poort van binnen, één riet.
8 Ook mat Hij het voorhuis der poort van binnen, één riet.
9 Toen mat Hij het andere voorhuis der poort, acht ellen, en haar posten twee ellen; en het voorhuis der poort was van binnen.
10 En de kamertjes der poort, den weg naar het oosten, waren drie van deze en drie van gene zijde; die drie hadden enerlei maat; ook hadden de posten van deze en van gene zijde enerlei maat.
11 Voorts mat Hij de wijdte der deur van de poort, tien ellen; de lengte der poort dertien ellen.
12 En er was een ruim vóór aan de kamertjes, van één el van deze, en een ruim van één el van gene zijde; en elk kamertje zes ellen van deze en zes ellen van gene zijde.
13 Toen mat Hij de poort van het dak van een kamertje af tot aan het dak van een ander; de breedte was vijf en twintig ellen; deur was tegenover deur.
14 Ook maakte Hij posten van zestig ellen, namelijk tot den post van het voorhof, rondom de poort heen.
15 En van het voorste deel van de poort des ingangs, tot aan het voorste deel van het voorhuis van de binnenpoort, waren vijftig ellen.
16 En er waren gesloten vensters aan de kamertjes, en aan hun posten inwaarts in de poort rondom heen; alzo ook aan de voorhuizen; de vensters nu waren rondom heen inwaarts, en aan de posten waren palmbomen.
17 Voorts bracht Hij mij in het buitenste voorhof, en zie, er waren kamers, en een plaveisel, dat gemaakt was in het voorhof rondom heen; dertig kamers waren er op het plaveisel.
18 Het plaveisel nu was aan de zijde van de poorten, tegenover de lengte van de poorten; dit was het benedenste plaveisel.
19 En Hij mat de breedte, van het voorste deel der benedenste poort af, vóór aan het binnenste voorhof, van buiten, honderd ellen, oostwaarts en noordwaarts.
20 Aangaande de poort nu die den weg naar het noorden zag, aan het buitenste voorhof, Hij mat derzelver lengte en derzelver breedte.
21 En haar kamertjes, drie van deze en drie van gene zijde, en haar posten en haar voorhuizen waren naar de maat der eerste poort: vijftig ellen haar lengte, en de breedte van vijf en twintig ellen.
22 En haar vensters en haar voorhuizen en haar palmbomen waren naar de maat der poort die den weg naar het oosten zag; en men ging daarin op met zeven trappen, en haar voorhuizen waren vóór aan dezelve.
23 De poort nu van het binnenste voorhof was tegenover de poort van het noorden en van het oosten; en Hij mat van poort tot poort honderd ellen.
24 Daarna voerde Hij mij den weg naar het zuiden; en zie, er was een poort den weg naar het zuiden; en Hij mat derzelver posten en derzelver voorhuizen naar deze maten.
25 En zij had vensters, ook aan haar voorhuizen, rondom heen, gelijk deze vensters; de lengte was vijftig ellen en de breedte vijf en twintig ellen.
26 En haar opgangen waren van zeven trappen, en haar voorhuizen waren vóór aan dezelve; en zij had palmbomen, één van deze en één van gene zijde, aan haar posten.
27 Ook was er een poort in het binnenste voorhof, den weg naar het zuiden; en Hij mat van poort tot poort, den weg naar het zuiden, honderd ellen.
28 Voorts bracht Hij mij door de zuiderpoort tot het binnenvoorhof; en Hij mat de zuiderpoort naar deze maten.
29 En haar kamertjes en haar posten en haar voorhuizen waren naar deze maten; en zij had vensters, ook in haar voorhuizen, rondom heen; de lengte was vijftig ellen en de breedte vijf en twintig ellen.
30 En er waren voorhuizen rondom heen; de lengte was vijf en twintig ellen, en de breedte vijf ellen.
31 En haar voorhuizen waren aan het buitenste voorhof, ook waren er palmbomen aan haar posten, en haar opgangen waren van acht trappen.
32 Daarna bracht Hij mij tot het binnenste voorhof, den weg naar het oosten; en Hij mat de poort naar deze maten;
33 Ook haar kamertjes en haar posten en haar voorhuizen naar deze maten; en zij had vensters, ook aan haar voorhuizen, rondom heen; de lengte was vijftig ellen en de breedte vijf en twintig ellen.
34 En haar voorhuizen waren aan het buitenste voorhof; ook waren er palmbomen aan haar posten, van deze en van gene zijde; en haar opgangen waren van acht trappen.
35 Daarna bracht Hij mij tot de noorderpoort; en Hij mat naar deze maten
36 Haar kamertjes, haar posten en haar voorhuizen; ook had zij vensters rondom heen; de lengte was vijftig ellen en de breedte vijf en twintig ellen.
37 En haar posten waren aan het buitenste voorhof; ook waren er palmbomen aan haar posten, van deze en van gene zijde; en haar opgangen waren van acht trappen.
38 Haar kamers nu en haar deuren waren bij de posten der poorten; aldaar wies men het brandoffer.
39 En in het voorhuis der poort waren twee tafels van deze en twee tafels van gene zijde, om daarop te slachten het brandoffer en het zondoffer en het schuldoffer.
40 Ook waren er aan de zijde van buiten des opgangs, aan de deur der noorderpoort, twee tafels; en aan de andere zijde die aan het voorhuis der poort was, twee tafels.
41 Vier tafels van deze en vier tafels van gene zijde, aan de zijde der poort; acht tafels waarop men slachtte.
42 Maar de vier tafels voor het brandoffer waren van gehouwen stenen, de lengte één el en een halve, en de breedte één el en een halve, en de hoogte één el; op dezelve nu legde men het gereedschap heen waarmede men het brandoffer en slachtoffer slachtte.
43 De haardstenen nu waren een handbreed dik, ordentelijk geschikt in het huis rondom heen; en op de tafels was het offervlees.
44 En van buiten de binnenste poort waren de kamers der zangers, in het binnenste voorhof, dat aan de zijde van de noorderpoort was; en het voorste deel derzelve was den weg naar het zuiden; één was er aan de zijde van de oostpoort, ziende den weg naar het noorden.
45 En Hij sprak tot mij: Deze kamer, welker voorste deel den weg naar het zuiden is, is voor de priesters die de wacht des huizes waarnemen.
46 Maar de kamer welker voorste deel den weg naar het noorden is, is voor de priesters die de wacht des altaars waarnemen; dat zijn de kinderen Zadoks, die uit de kinderen van Levi tot den HEERE naderen om Hem te dienen.
47 En Hij mat het voorhof: de lengte honderd ellen en de breedte honderd ellen, vierkant; en het altaar was vóór aan het huis.
48 Toen bracht Hij mij tot het voorhuis des huizes, en Hij mat elken post van het voorhuis, vijf ellen van deze en vijf ellen van gene zijde; en de breedte der poort, drie ellen van deze en drie ellen van gene zijde;
49 De lengte van het voorhuis twintig ellen en de breedte elf ellen; en het was met trappen, bij dewelke men daarin opging; ook waren er pilaren aan de posten, één van deze en één van gene zijde.

Einde Ezechiël 40