Statenvertaling.nl

sample header image

Ezechiël 4 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Ezechiël 4

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

Den profeet wordt van God bevolen de toekomstige belegering van Jeruzalem op een tichelstenen plaat af te beelden, vs. 1, enz. Mitsgaders den tijd der verdraagzaamheid Gods over den afval van Israël en Juda, 4. Insgelijks den groten hongersnood, die gedurende de belegering binnen Jeruzalem zou zijn, 9, enz.
 
Het beleg van Jeruzalem afgebeeld
1 EN gij, mensenkind, neem u een 1tichelsteen, en leg dien voor uw aangezicht, en 2bewerp daarop de stad Jeruzalem.1 Versta een platvormige effen tafel van tichelsteen gemaakt, waarop men iets schrijven, graveren of afbeelden kon; gelijk bij ons de leien tot zulken einde gebruikt worden.
2 Het woord betekent hier eigenlijk: uitdrukken, insnijden, afmalen, graveren met een griffie. Vgl. Ez. 23:14. verwijsteksten
2 En 3maak een belegering tegen haar, en bouw tegen haar 4asterkten, en 5werp tegen haar een 6wal op, en stel legers tegen haar, en zet tegen haar 7stormrammen rondom.3 Te weten in afbeelding of afmaling.
4 Zie van het Hebreeuwse woord 2 Kon. 25 op vers 1. verwijsteksten
a 2 Kon. 25:1. verwijsteksten
5 Hebr. stort of giet uit.
6 Zie 2 Sam. 20 op vers 15. verwijsteksten
7 Te weten waarmede de muren der steden en sterkten gebroken werden; genaamd bij de Latijnen arietes. Het woord betekent ook hoofdmannen of krijgsoversten, als 2 Kon. 11:4, 19, in welken zin het hier ook van enigen genomen wordt, als ook Ez. 21:22. verwijsteksten
3 Verder, neem gij u 8een ijzeren pan en stel ze tot een ijzeren muur tussen u en tussen die stad; en 9richt uw aangezicht tegen haar, dat zij in belegering 10kome, en gij zult ze belegeren. Dit zij den huize Israëls een 11teken.8 Te weten tot een teken van Gods vast en onbeweeglijk voornemen, dat Hij had om Jeruzalem te verderven en niet te verschonen.
9 Dat is, heb een vast voornemen om die door de belegering uit te roeien. Vergelijk de manier van spreken met Lev. 17:10, en zie de aant. De profeet wordt hier belast, door middel van afbeelding het werk te doen tegen Jeruzalem, dat God Zelf voorhad, Jer. 21:10. verwijsteksten
10 Hebr. worde of zij.
11 Te weten dat Jeruzalem zal belegerd, ingenomen en verstoord worden.
4 12Lig gij ook neder op uw 13linkerzijde en leg daarop de ongerechtigheid van het huis Israëls; 14naar het getal der dagen dat gij daarop zult liggen, zult gij 15hun ongerechtigheid dragen.12 Te weten tot een teken dat God zo lang gelijk stil en slapende was geweest, verdragende Zijns volks misdaden. Nu houdt men dit van den profeet geschied te zijn, niet dadelijk in zijn persoon, maar in een profetisch gezicht en afbeelding deszelven, die hij in het prediken het volk vertonen moest. Doch enigen menen dat ook iets van dezen in de daad het volk vertoond is.
13 Te weten om daarmede te betekenen dat deze eerste nederligging was ten aanzien van de kinderen Israëls (hoewel sommigen hier niet alleen de tien stammen, maar ook Juda verstaan, vanwege de gemeenschap hunner zonden, inzonderheid der afgoderij), welker hoofdstad Samaria dengenen die tussen dezelve en de stad Jeruzalem met hun aangezichten naar het oosten stonden, aan de linkerzijde was, dat is, noordwaarts; gelijk Jeruzalem de hoofdstad der Joden aan de rechterzijde, dat is, zuidwaarts. Of versta door de linkerzijde, dat de Israëlieten de onwaardigsten waren van Gods volk, omdat zij onder Jerobeam van den rechten godsdienst afgevallen waren. Zie vers 6. verwijsteksten
14 Dit woordje is hier ingevoegd uit het volgende vers.
15 Te weten niet als Christus, om de schuld en straf der ongerechtigheid door voldoening weg te nemen; maar als een Goddelijk teken hun door deze afbeelding voorgesteld, beduidende Gods lankmoedigheid, waardoor Hij vele jaren hun moedwilligheid verdragen had, en de zwaarte der straf die zij nu hadden te verwachten.
5 Want Ik heb u 16gegeven 17de jaren hunner ongerechtigheid, naar het getal der dagen, 18driehonderd en negentig dagen, dat bgij de ongerechtigheid van het huis Israëls dragen zult.16 Dat is, bescheiden, geordineerd en bevolen, om zoveel dagen als die jaren zijn, hun ongerechtigheid te dragen.
17 Dewelke hier door de dagen der nederligging van den profeet als volgt te kennen gegeven worden. Zij zijn in getal driehonderd en negentig, beginnende van den afval der tien stammen onder Jerobeam, 1 Kon. 12:16. 2 Kron. 10:16, waarop ook terstond gevolgd is de afval der Joden, 1 Kon. 14:22. 2 Kron. 12:1, en eindigende met de belegering of inneming van de stad Jeruzalem en de verstoring van den tempel, geschied door Nebukadnezar, 2 Koningen 25. 2 Kronieken 36, welverstaande dat onder de voorgemelde driehonderd en negentig jaren ook begrepen zijn de veertig jaren gemeld in het volgende vers, van welker begin zie aldaar. Dit is af te leiden uit het volgende 9de vers, alwaar den profeet de leeftocht voorgeschreven wordt, alleen voor driehonderd en negentig dagen. Enigen beginnen de jaren, door deze dagen betekend, van het zeven en twintigste jaar van den koning Salomo, als hij en het land begonnen in openbare afgoderij te vervallen, 1 Kon. 11:4. verwijsteksten
18 Dit getal wordt alzo precies gesteld, omdat de vaste en nauwe belegering van Jeruzalem zoveel tijd duren zou, overeenkomende met den tijd der jaren, in dewelke de Israëlieten en Joden zich met de afgoderij besmet hadden, tot een openbaar bewijs van Gods rechtvaardig oordeel. Uit Jer. 52:4, 5, 6 blijkt dat er meer dagen zijn verlopen van het begin der belegering tot het innemen der stad; maar men moet weten dat de belegering een tijdlang gestaakt is geweest om het optrekken der Egyptenaars, Jer. 37:5, welke tijd hier van Ezechiël wordt overgeslagen en niet gerekend. verwijsteksten
b Num. 14:34. verwijsteksten
6 19Als gij nu deze voleinden zult, 20lig ten anderen male neder op uw 21rechterzijde, en gij zult de ongerechtigheid van het huis van Juda 22dragen, 23veertig dagen; Ik heb u gegeven 24elken dag voor elk jaar.19 Dat is, als gij niet ver van het voleinden dezer dagen zult wezen, hebbende van dezelve driehonderd en vijftig afgedaan, zodat er maar veertig resteren.
20 Zie op vers 4. Deze tweede nederligging was ten aanzien van de zonden der Joden. verwijsteksten
21 Juda, ten opzichte van Samaria en de Israëlieten, was zuidwaarts gelegen, dat is, aan de rechterzijde der wereld. Zie op vers 4. De rechterzijde kan ook betekenen de waardigheid die de Joden boven de Israëlieten hadden, omdat bij hen was de tempel, de godsdienst en het huis Davids. verwijsteksten
22 Zie op vers 4. verwijsteksten
23 Deze dagen, die veertig jaren betekenden, worden begonnen van het achttiende jaar van het koninkrijk van Josia, in dewelke de Joden wel het verbond met God vernieuwd hebben, maar alzo, dat zij terstond daarna weder tot afgoderij vervallen zijn. Zij worden geëindigd met de belegering of verstoring van de stad Jeruzalem en van den tempel, of de laatste vervoering naar Babel, geschied door Nebuzaradan, 2 Koningen 25. verwijsteksten
24 Hebr. een dag voor een jaar, een dag voor een jaar. Zie Gen. 7 op vers 2. Lev. 24 op vers 8. verwijsteksten
7 Daarom zult gij uw 25aangezicht richten tegen 26de belegering van Jeruzalem, en uw arm 27zal ontbloot zijn; en gij zult tegen haar profeteren.25 Zie op vers 3. verwijsteksten
26 Dat is, het belegerde Jeruzalem.
27 Tot een teken dat de Chaldeeën zeer vaardig, wakker en bereid zullen zijn om Jeruzalem met geweld en met loutere kracht haastelijk in te nemen. Vgl. Jer. 21:5. verwijsteksten
8 En zie, 28Ik zal dikke touwen aan u leggen, dat gij u niet omkeert 29van uw ene zijde tot uw andere zijde, totdat gij de dagen 30uwer 31belegering voleind hebt.28 Hij geeft hiermede te verstaan dat Zijn besluit, van de stad te verderven, onveranderlijk was, en dat daarom de profeet moest volharden in dit zijn profeteren en in het voorstellen van zijn profetische afbeelding.
29 Hebr. van uw zijde tot uw zijde.
30 Zijne wordt ze genaamd, omdat hem de afbeelding en de voorzegging daarvan bevolen was, of omdat ze zijn stad aangingen.
31 Anders: belegeringen, in het meervoud, uit oorzaak dat er toenmaals twee belegeringen van de stad van Jeruzalem geweest zijn. Want als de Chaldeeën gehoord hadden dat de koning van Egypte den koning Zedekia te hulp kwam, zijn zij van de belegering afgetrokken, maar als zij vernamen dat hij weder in Egypte gekeerd was, hebben zij de belegering hervat.
9 En 32neem gij voor u tarwe en gerst, en bonen en linzen, en 33heers en spelt; en doe die 34in één vat en maak die u tot brood; naar het getal der dagen die gij op uw zijde nederliggen zult; 35driehonderd en negentig dagen zult gij dat eten.32 Hiermede en met het volgende wordt betekend de grote benauwdheid en hongersnood, die den belegerden overkomen zou.
33 Anders genaamd: geers of gierst.
34 Dat is, niet elke soort in een onderscheiden vat, maar alle ondereengemengd in een enig vat; hetwelk pleegt te geschieden in tijd van nood, als er groot gebrek van broodkoren is.
35 Dat is, omtrent de veertien maanden zal de belegering van Jeruzalem duren.
10 Uw spijze nu die gij eten zult, zal in gewicht zijn twintig 36sikkelen des daags; 37van tijd tot tijd zult gij die eten.36 Versta gemene of burgerlijke sikkelen, van welke één deed omtrent een kwart van een rijksdaalder, Gen. 20 op vers 16. Vier van deze maakten het gewicht van een ons, dat is, van een rijksdaalder. Zo was dan het gewicht van twintig sikkelen vijf onzen. verwijsteksten
37 Dat is, telkendage zult gij maar zoveel eten, te weten tot een teken van hongersnood, die in Jeruzalem wezen zal. Alzo in het volgende vers, van den dagelijksen drank. Vgl. 2 Kon. 25:3. Jer. 37:21. verwijsteksten
11 Gij zult ook water naar zekere maat drinken, het zesde deel van een 38hin; van tijd tot tijd zult gij het drinken.38 Een maat van natte waren, inhoudende zoveel als in twee en zeventig gemene eierschalen zou kunnen gaan. Zie Lev. 19 op vers 36. Alzo was de maat van den drank zoveel als in twaalf hoendereieren gaan kon. verwijsteksten
12 En gij zult 39een gerstekoek eten, en dien zult gij met 40drek van des mensen afgang bakken 41voor hun ogen.39 Anders: gij zult dat als gerstekoek eten. Versta de spijze, vermeld vss. 9, 10. Dat is, in zulken vorm bereid en toegemaakt als gerstekoeken. verwijsteksten
40 Hetwelk hun in plaats van hout zou moeten wezen, om daarmede hun spijze te koken, of ook hun koeken te bakken op een haard met mensendrek heet gemaakt. Zo wordt betekend, dat zij in de belegering groot gebrek van hout zouden hebben; ja, ook van vee, overmits de mest daarvan minder verfoeilijk gehouden werd.
41 Hieruit leiden sommigen af dat deze dingen den profeet niet alleen in een gezicht zijn vertoond geweest van God, maar dat hij ook dezelve in een afbeelding het volk vertoond heeft.
13 En de HEERE zeide: Alzo zullen de 42kinderen Israëls hun brood c43onrein eten, onder de 44heidenen waarheen Ik hen verdrijven zal.42 Dat is, de Joden, mitsgaders die van de tien stammen onder hen woonden. Zie 2 Kron. 21 op vers 2. verwijsteksten
c Hos. 9:3. verwijsteksten
43 Zo wordt het genoemd om de manier of wijze der voorgemelde koking of bakking. Vgl. Deut. 23:12, enz. verwijsteksten
44 Versta de Chaldeeën, onder dewelke de Joden zouden zijn, als zij van hen belegerd en daarna weggevoerd zouden worden.
14 Toen zeide ik: Ach Heere HEERE, zie, 45mijn ziel is niet 46verontreinigd geweest; want ik heb van mijn jeugd af tot nu toe geen 47dood aas, noch dat 48verscheurd is gegeten, en geen 49verfoeilijk vlees is in mijn mond gekomen.45 Dat is, mijn persoon. Zie 1 Kon. 19 op vers 4. verwijsteksten
46 Te weten met enige ceremoniële onreinheid, die velerlei is geweest, van welke drie soorten hier genaamd worden, waaronder al de andere te verstaan zijn, en die den priesters verboden waren, Leviticus 21; 22. verwijsteksten
47 Zie van deze soort der onreinheid Lev. 11:40. verwijsteksten
48 Zie van deze soort Ex. 22:31. verwijsteksten
49 Hebr. vlees des verfoeisels of des stanks. Zie Lev. 7 op vers 18. verwijsteksten
15 En Hij zeide tot mij: Zie, 50Ik heb u rundermest gegeven voor mensendrek; zo zult gij uw brood daarmede bereiden.50 Alzo verzoet de Heere Zijn voorgaande bevel ten aanzien van den persoon des profeten, die dit voor de ogen des volks afbeelden moest, vers 12; maar niet ten aanzien van de Joden die binnen Jeruzalem belegerd zouden worden. verwijsteksten
16 Daarna zeide Hij tot mij: Gij mensenkind, zie, Ik d51breek den staf des broods in Jeruzalem, en zij zullen het brood 52met gewicht en met 53kommer eten, en het water met zekere maat en met 54verbaasdheid drinken;d Lev. 26:26. Jes. 3:1. Ez. 5:16; 14:13. verwijsteksten
51 Zie Lev. 26 op vers 26. verwijsteksten
52 Gelijk God gedreigd had, Lev. 26:26. verwijsteksten
53 Te weten waardoor zij nog meerdere ellende zullen vrezen.
54 Dat is, waardoor zij zo verslagen zullen zijn, dat zij bedwelmd zullen staan, als wanhopende mensen.
17 55Opdat zij des broods en des waters gebrek hebben, en 56de een met den ander verbaasd worden, en 57in hun ongerechtigheid uitteren.55 Of: Zodat zij des broods, enz., gebrek zullen hebben.
56 Hebr. de man en zijn broeder.
57 Vgl. Lev. 26:39. Ez. 24:23; 33:10. verwijsteksten

Einde Ezechiël 4