Statenvertaling.nl

sample header image

Ezechiël 36 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Ezechiël 36

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

Onder de aanspraak tot de bergen Israëls, profeteert God dat Hij in groten ijver wraak zal doen aan de vijanden Zijner kerk, die haar bespot, verdrukt en verwoest hebben, vs. 1, enz. En dat Hij haar heerlijk zal herstellen, vermenigvuldigen en zegenen, 8. Verklaart dat Hij haar om harer zonden wil ter ere van Zijn heiligen Naam heeft moeten straffen en tuchtigen, 16. Maar dat Hij haar om Zijns Naams wil uit louter genade wederom grotelijks zal begenadigen, reinigen, door Zijn Heiligen Geest heiligen, en met allerlei zegeningen vervullen en eeuwiglijk zaligen, 21, enz.
 
De bergen Israëls zullen weder bewoond worden
1 EN gij, mensenkind, profeteer 1tot de abergen Israëls, en zeg: Gij bergen Israëls, hoort des HEEREN woord.
1 Als Ez. 6:2. God spreekt de bergen, dat is, het bergachtige land (als vers 6) van Israël aan, tot onderwijs der mensen (om welker zonden wil zij woest lagen en bespot werden) en om te tonen dat de goddeloze beschimpingen van Zijn land en volk Hemzelven raakten. Vgl. Joël 2:18, en zie wijders van zulke aanspraken Ez. 14 op vers 17. verwijsteksten
a Ez. 6:2. verwijsteksten
 
2 Alzo zegt de Heere HEERE: Omdat de 2vijand van u zegt: 3Heah, zelfs de 4eeuwige hoogten zijn ons ten berve geworden!
2 Zie vers 5. verwijsteksten
3 Zie Job 39 op vers 28. Ps. 35 op vers 21. Vgl. Ez. 25:3; 26:2. verwijsteksten
4 Hebr. hoogten der eeuwigheid, dat is, oude vermaarde bergen, insgelijks vaste, duurzame, enz. Vgl. Deut. 33:15. Hab. 3:6 met de aant. Men zou dit anders ook kunnen duiden op den berg Sion en Moria, waar Davids slot en de tempel geweest waren. Vgl. Ps. 78:69. Ez. 35:10. Aldus zou dit een goddeloze roem zijn over God en de verstoring van Zijn heiligdom, genoemd Gods eeuwige woonstede, als zijnde nu in der vijanden macht en bezit vervallen. In het volgende zijn, Hebr. is. Versta elkeen derzelver hoogten. verwijsteksten
b Ez. 35:10. verwijsteksten
 
3 Daarom, profeteer en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Daarom, omdat men 5u van rondom verwoest en 6opgeslokt heeft, 7opdat gij voor het 8overblijfsel der heidenen ten erve zoudt zijn, en gij 9gebracht zijt op de 10klapachtige lip en in opspraak des volks;
5 Gij bergen Israëls, omsingeld met Ammonieten, Moabieten, Edomieten, Filistijnen, Tyriërs, Sidoniërs, Syriërs, enz.
6 Vgl. Ps. 56:2. verwijsteksten
7 Of: zodat gij geworden zijt, enz.
8 De anderen, de rest, die van de gemene verwoestingen overig zijn, of zouden mogen overblijven; alzo vss. 4, 5. Vgl. ook vers 36. verwijsteksten
9 Hebr. opgebracht.
10 Hebr. lip der tong, dat is alsof men zeide, tongachtige lip, dat is, klapachtige, kakelachtige lip; zodat een ieder den mond van u vol heeft en spottende van u spreekt, spreekwoorden van u maakt.
 
4 Daarom, gij bergen Israëls, hoort het woord des Heeren HEEREN: Zo zegt de Heere HEERE tot de bergen en tot de heuvelen, tot de stromen en tot de dalen, tot de verwoeste eenzame plaatsen en tot de verlaten steden, die tot een roof en tot een spot geworden zijn voor het overblijfsel der heidenen die rondom zijn;
5 Daarom, zo zegt de Heere HEERE: 11Zo Ik niet 12in het vuur Mijns ijvers gesproken heb tegen het overblijfsel der heidenen en tegen het ganse Edom; die 13Mijn land 14zichzelven ten erve gegeven hebben met blijdschap des gansen harten, met 15begerige plundering, opdat de 16landerij 17daarvan ten roof zou zijn!
11 Zie Ez. 34:8 met de aant., en vul deze rede aan uit vers 7. verwijsteksten
12 Of: in Mijn vurigen ijver, te weten voor Mijn land en volk; en tegen Mijn en hun vijanden. Vgl. op vss. 1, 6. Deut. 4:24. Ez. 5:13, met de aantt. verwijsteksten
13 Kanaän. Zie Ps. 68 op vers 10. Hos. 9 op vers 3. Alzo vers 20. verwijsteksten
14 Zie Ez. 35:10. verwijsteksten
15 Hebr. plundering of versmading der ziel, dat is, verachtende of plunderende Mijn volk en land met een innerlijken lust en vurige genegenheid of begeerte, zonder enig medelijden. Zie Ps. 27 op vers 12. verwijsteksten
16 Het Hebreeuwse woord betekent voorsteden, landen of velden, vrije ledige ruimten, plaatsen voor of buiten en omtrent de steden of andere gebouwen gelegen, hoeven, uithoven, erven, enz., omdat zij daarvan afgezonderd zijn, waarop het oorspronkelijke Hebreeuwse woord ziet, betekenende ook anderszins uitwerping, uitdrijving, waarom anderen dit aldus overzetten: om hetzelve land ten roof uit te zetten. Hebr. om- of opdat deszelfs landerij, of uitzetting, uitwerping, ten roof zou zijn.
17 Van Mijn land Kanaän.
 
6 Daarom, profeteer van het land Israëls, en zeg tot de bergen en tot de heuvelen, tot de stromen en tot de dalen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik heb in Mijn ijver en in Mijn grimmigheid gesproken, omdat gij den c18smaad der heidenen gedragen hebt;
c Ez. 34:29. verwijsteksten
18 Als vers 15. Ez. 34:29. verwijsteksten
 
7 Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Ik heb 19Mijn hand opgeheven; zo niet de heidenen die rondom u zijn, zelven hun schande zullen dragen!
19 Dat is, bij Mijzelven gezworen; gelijk mensen bij God zweren met opheffing of opsteking der hand. Zie Gen. 14 op vers 22. verwijsteksten
 
8 Maar gij, o bergen Israëls, gij zult weder 20uw takken geven en uw vrucht voor Mijn volk Israël dragen, want 21zij naderen te komen.
20 Dat is, weder groenen en vruchtbaar worden.
21 De Israëlieten zullen spoedig wederkomen uit de gevangenis; waarop het voornaamste zal volgen, de verlossing en oprichting der algemene kerk door den Messias.
 
9 Want zie, Ik ben bij 22u; en Ik zal u 23aanzien, en gij zult gebouwd en bezaaid worden.
22 O gij bergen Israëls, om u te redden en goed te doen. Anders: Ik wil aan u. Welke manier van spreken hier niet (als elders; zie Jer. 21 op vers 13. Ez. 13:8) in het kwade of vijandelijk, maar in het goede en vriendelijk moest genomen worden; gelijk men ook wel somtijds doet in onze taal, wanneer men vijandelijk aan iemand wil, of ook ten beste, om iemand of iets te redden, enz. verwijsteksten
23 Of: Mijn aangezicht tot u wenden of keren; dat is, Mij uwer genadiglijk ontfermen, zendende u den Messias, op Wiens komst en weldaden aan Zijn kerk deze profetie meest ziet, als in het vervolg blijkt.
 
10 En Ik zal 24mensen op u vermenigvuldigen, het 25ganse huis Israëls, ja, dat geheel; en de steden zullen bewoond, en de eenzame plaatsen bebouwd worden.
24 Hebr. mens, en zo in het volgende vers mens en beest. Vgl. vss. 37, 38. Jer. 31:27 met de aant. verwijsteksten
25 Mijn ganse kerk, het gehele lichaam, onder één Hoofd, den Messias. Zie Ef. 2:12, 13, 19, 20, 21, 22. Kol. 2:19. Vgl. Ez. 37:16, 17, 19, 24, enz. verwijsteksten
 
11 Ja, Ik zal mensen en beesten op u vermenigvuldigen, en zij zullen vermenigvuldigd worden en vruchtbaar zijn; en Ik zal u doen bewonen als in uw vorige tijden, ja, Ik 26zal het beter maken dan in uw beginselen; en gij zult weten dat Ik de HEERE ben.
26 Daarom wordt het nieuwe verbond een beter verbond, en de tijd van den Messias tijden der verbetering of herstelling genoemd, Hebr. 8:6; 9:10, enz. verwijsteksten
 
12 En Ik zal mensen op u doen wandelen, namelijk Mijn volk Israël, die zullen u erfelijk bezitten, en gij zult hun ter erfenis zijn; en gij zult hen 27voortaan niet meer beroven.
27 Hebr. niet toedoen haar meer of voortaan te beroven, te weten van alles wat hun lief is, kinderen, mensen in het gemeen, landvruchten, enz. Zie Jer. 15 op vers 7. Alzo vss. 13, 14, 15. De zin is, dat het land niet meer alzo zou gesteld zijn als tevoren, toen de mensen door krijg, honger en pestilentie daarin vergingen, gij van hen en zij van u beroofd werden; waarom de smaadredenen van het land gebruikt werden die in het volgende verhaald worden. God spreekt het land aan, alsof datzelve zulks had gedaan, met een verbloemde rede, en ten aanzien van het zeggen der vijanden, die het hielden voor een vervloekt land, waarin niemand kon welvaren of met vrede wonen. Vgl. Num. 13:32. verwijsteksten
 
13 Zo zegt de Heere HEERE: Omdat zij tot u 28zeggen: Gij zijt een land dat mensen opeet, en gij zijt een land dat 29uw volken 30berooft;
28 Door schimp en spot.
29 Der twaalf stammen; alzo in de twee volgende verzen en Ez. 37:22. verwijsteksten
30 Zie op het voorgaande vers.
 
14 Daarom zult gij niet meer mensen opeten en uw volken niet meer 31doen struikelen, spreekt de Heere HEERE.
31 En dienvolgens beroven. Zie op vers 12. verwijsteksten
 
15 En Ik zal maken dat men den 32schimp der heidenen niet meer over u hore, en gij zult den smaad der natiën niet meer dragen; en gij zult uw volken niet meer doen struikelen, spreekt de Heere HEERE.
32 Als vers 6. verwijsteksten
 
Een nieuw hart en een nieuwe geest
16 Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
17 Mensenkind, het huis Israëls, als zij in hun land woonden, toen verontreinigden zij datzelve met hun 33weg en met hun handelingen; hun weg was voor Mijn aangezicht als de onreinheid ener 34afgezonderde vrouw.
33 Zie Gen. 6 op vers 12. verwijsteksten
34 Zie Lev. 15:19, 24, met de aantt. verwijsteksten
 
18 Daarom 35goot Ik Mijn grimmigheid over hen uit, om des bloeds wil dat zij 36in het land vergoten hadden, en om hun 37drekgoden, waarmede zij dat verontreinigd hadden.
35 Zie Ps. 79 op vers 6. verwijsteksten
36 Of: op de aarde.
37 Zie Lev. 26 op vers 30. verwijsteksten
 
19 En Ik verstrooide hen onder de heidenen, en zij werden verspreid in de landen; Ik oordeelde hen naar hun weg en naar hun handelingen.
20 Als zij nu tot de heidenen kwamen waarheen zij getogen waren, dontheiligden zij 38Mijn heiligen Naam, omdat men van hen zeide: Dezen zijn het volk des HEEREN, en zijn uit 39Zijn land uitgegaan.
d Jes. 52:5. Rom. 2:24. verwijsteksten
38 Hebr. den Naam Mijner heiligheid; en zo in het volgende. De reden is, omdat de Israëlieten zelven de oorzaak waren dat hen God uit Zijn land verstoten had; hetwelk de vijanden duidden tot Gods oneer, alsof Hij niet machtig genoeg ware geweest om Zijn land en volk te bewaren, of niet getrouw in Zijn beloften. Daartoe kwam dit, dat zij overal waar zij kwamen, alzo zich gedroegen, dat God van hen niets dan oneer behaalde; waardoor Hij genoodzaakt werd dit alles om Zijns Naams wil te redden, waarvan in het volgende.
39 Als vers 5. Anders: zij zijn, de een voor, de ander na, uit hun land uitgegaan, dat is, hebben het moeten ruimen elkeen voor zich, eerst Israël, daarna Juda; het is wat vreemds met dit volk en land. verwijsteksten
 
21 Maar Ik 40verschoonde hen om Mijn heiligen Naam, dien het huis Israëls ontheiligde onder de heidenen waarheen zij gekomen waren.
40 Of: Ik verschoonde Mijn heiligen Naam.
 
22 Daarom, zeg tot het huis Israëls: Zo zegt de Heere HEERE: Ik doe het niet om uwentwil, gij huis Israëls, maar om Mijn heiligen Naam, dien gijlieden ontheiligd hebt onder de heidenen waarheen gij gekomen zijt.
23 Want Ik zal Mijn groten Naam 41heiligen, die onder de heidenen ontheiligd is, dien gij in het midden van hen ontheiligd hebt; en de heidenen zullen weten dat Ik de HEERE ben, spreekt de Heere HEERE, als Ik aan u voor 42hun ogen zal 43geheiligd zijn.
41 Vgl. Ez. 28 op vers 22. verwijsteksten
42 Anders: uw ogen.
43 Of: Mij geheiligd hebben, dat is, Mijn heiligheid, macht en trouw aan u zal hebben bewezen.
 
24 Want Ik zal 44u uit de heidenen 45halen, en zal u uit al de landen vergaderen, en Ik zal u in uw land brengen.
44 Eerst, en eensdeels, u Joden met weinig Israëlieten, uit Babel, enz. Maar zulks zal een voorbeeld zijn van het grote geestelijke genadewerk, dat Ik doen zal ten tijde van den Messias en van het Nieuwe Testament, vergaderende Mijn algemene kerk uit de ganse wereld, en die zegenende, als volgt. Vgl. Ez. 11:17. verwijsteksten
45 Hebr. nemen. Zie Jer. 37 op vers 17. Alzo Ez. 37:21. verwijsteksten
 
25 Dan zal Ik rein 46water op u sprengen en gij zult rein worden; van al uw 47onreinheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen.
46 Het dierbaar bloed van het onbevlekte Lam Jezus Christus zal Ik u door Mijn Woord en Mijn Geest toepassen tot reiniging uwer zielen. Zie Ef. 5:26. Hebr. 9:14. 1 Petr. 1:2, 19. 1 Joh. 1:7, enz. verwijsteksten
47 Vgl. Ez. 37:23; 43:7. verwijsteksten
 
26 En Ik zal u een e48nieuw hart geven, en zal een nieuwen fgeest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlezen hart geven.
e Jer. 32:39. Ez. 11:20. verwijsteksten
48 Zie hiervan Ez. 11 op vers 19. verwijsteksten
f Ez. 11:19. verwijsteksten
 
27 En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen en Mijn rechten zult bewaren en doen.
28 En gij zult wonen in het land dat Ik uw vaderen gegeven heb, en gij zult Mij tot een 49volk zijn, en Ik zal u tot een 50God zijn.
49 Zie Deut. 7 op vers 6. verwijsteksten
50 Zie Gen. 17 op vers 7. verwijsteksten
 
29 En Ik zal u verlossen van al uw onreinheden, en Ik zal 51roepen tot het koren en zal dat vermenigvuldigen, en Ik zal geen ghonger op u leggen.
51 Allerlei zegen door Mijn krachtige werking beschikken, dat elders Gods gebieden genoemd wordt (zie Lev. 25 op vers 21), gelijk de Heere ook gezegd wordt de plagen te roepen. Zie Ps. 105:16. Jer. 25:29, met de aantt. Door deze lichamelijke zegeningen worden meest (als elders) de geestelijke afgebeeld, alzo nochtans dat de godzaligheid ook de belofte heeft van dit leven (zie Joël 2 op vers 23. 1 Tim. 4:8), maar zonder strijd en kruis uit te sluiten (zie Ps. 37 op vers 1), waarvan Ezechiël 38. verwijsteksten
g Ez. 34:29. verwijsteksten
 
30 En Ik zal de vrucht van het geboomte en de inkomst des velds vermenigvuldigen, opdat gij de smaadheid des hongers niet meer ontvangt onder de heidenen.
31 Dan zult gij h52gedenken aan uw boze wegen en uw handelingen die niet goed waren; en gij zult een iwalging van 53uzelven hebben over uw ongerechtigheden en over uw gruwelen.
h Ez. 16:61, 63. verwijsteksten
52 Zie Ez. 6:9 met de aant. verwijsteksten
i Ez. 6:9; 20:43. verwijsteksten
53 Hebr. uw aangezichten, als Ez. 6:9. verwijsteksten
 
32 Ik doe het niet om 54uwentwil, spreekt de Heere HEERE, het zij u bekend; schaamt u en wordt schaamrood van uw wegen, gij huis Israëls.
54 Gij hebt het in het minste niet verdiend; maar Ik doe het uit louter genade, om de eer van Mijn heiligen Naam. Dit wil God ernstiglijk hebben dat zij weten, en met schaamachtige bekentenis hunner onwaardigheid bekennen zullen. Vgl. 1 Kor. 1:29, 30, 31. Ef. 2:8, 9. verwijsteksten
 
33 Alzo zegt de Heere HEERE: Ten dage als Ik u reinigen zal van al uw ongerechtigheden, dan zal Ik de steden doen 55bewonen en de eenzame plaatsen zullen bebouwd worden.
55 Met inwoners bezetten.
 
34 En het verwoeste land zal bebouwd worden, in plaats dat het een verwoesting was voor de ogen van een ieder die er doorging.
35 En zij zullen zeggen: Dit land, dat verwoest was, is geworden als een hof van k56Eden; en de eenzame en de verwoeste en verstoorde steden zijn vast en bewoond.
k Jes. 51:3. Ez. 28:13. verwijsteksten
56 Dat is, lusthof, paradijs. Vgl. Ez. 28:13 met de aant. verwijsteksten
 
36 Dan zullen de heidenen die in de plaatsen rondom u zullen overgelaten zijn, weten dat Ik, de HEERE, de verstoorde plaatsen 57bebouw en het verwoeste beplant; lIk, de HEERE, heb het gesproken en zal het doen.
57 Of: de verstoorde steden bebouwd, beplant heb.
l Ez. 17:24; 22:14; 37:14. verwijsteksten
 
37 Alzo zegt de Heere HEERE: Daarenboven zal Ik hierom van het huis Israëls 58verzocht worden, dat Ik het hun doe; Ik zal hen vermenigvuldigen 59van mensen als schapen.
58 Of: Mij verzoeken of vragen laten, dat is, hiertoe gewillig presenteren, hierin Mij laten vinden (vgl. Jes. 65:1), dat Ik (dewijl de genade overvloedig en de ruimte groot is, zodat er maar mensen schijnen te ontbreken, die ze genieten) deze weldaad nog daartoe doe, dat Ik Mijn kerk met gelovige mensen, als schapen, uit de Joden en voornamelijk uit de heidenen, vervul. Vgl. vers 10. Hoogl. 8:8, enz. Jes. 49:19, 20; 54:2, enz. Joh. 10:16. verwijsteksten
59 Of: als met mensenkudden.
 
38 Gelijk de geheiligde 60schapen, gelijk de schapen van Jeruzalem op haar gezette hoogtijden, alzo zullen de eenzame steden vol zijn van mensenkudden; en zij zullen weten dat Ik de HEERE ben.
60 Hebr. schapen der heiligheden. Versta het offervee, dat bij grote menigte tegen de jaarlijkse feesten binnen Jeruzalem ten offer gebracht werd.

Einde Ezechiël 36