Statenvertaling.nl

sample header image

Ezechiël 21 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Ezechiël 21

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

God beveelt den profeet zeer scherp te profeteren tegen Jeruzalem, den tempel en het ganse land, hogen en lagen, van het zwaard des Heeren, waarover de profeet, het volk tot een teken, moet zuchten en misbaar bedrijven, vss. 1, 2, enz. Voorzegt dat de koning van Babel in beraad zal staan, of hij eerst Jeruzalem, of het land der Ammonieten zal aantasten, doch dat hij eerst zal trekken naar Jeruzalem, om haar meinedigheid, 18. Profetie tegen het koninkrijk van Juda, en van de komst van Christus, 26. Insgelijks tegen de Ammonieten, 28.
 
Het zwaard tegen Jeruzalem
1 EN des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
2 Mensenkind, 1zet uw aangezicht tegen Jeruzalem, en 2drup tegen 3de heiligdommen, en profeteer tegen het 4land van Israël,
1 Zie Ez. 20 op vers 46. verwijsteksten
2 Dat is, stel leer, straf en vermaning voor. Zie Deut. 32 op vers 2. verwijsteksten
3 Versta den tempel des Heeren, over denwelken de Joden alzo roemden en pochten, alsof hij niet had kunnen uitgeroeid worden, Jer. 7:4. Het meervoud wordt gebruikt, omdat deze tempel verscheidene delen had. Zie Lev. 26 op vers 31. verwijsteksten
4 Versta het land van Juda, hetwelk een deel was van het land Kanaän, dat de Heere den Israëlieten tot hun erfdeel beloofd had. Zie Ez. 6 op vers 2. verwijsteksten
 
3 En zeg tot het land van Israël: Alzo zegt de HEERE: Zie, 5Ik wil aan u, en Ik zal Mijn 6zwaard uit zijn schede trekken, en Ik zal van u uitroeien den 7rechtvaardige en den goddeloze.
5 Alsof de Heere zeide: De Babyloniërs hebben het niet alleen tegen u, maar Ik Zelf ben uw Wederpartij, bereid om u te verderven. Zie Ez. 13:8. verwijsteksten
6 Menselijkerwijze van God gesproken, als ook Lev. 26:33. Zwaard voor de straf van den oorlog, Lev. 26:6. Somtijds schijnt het nog andere straf te begrijpen, als Job 19:29, gelijk de oorlog een zee van alle plagen is. Zie ook Ps. 22 op vers 21. verwijsteksten
7 Versta den rechtvaardige in schijn, en niet in waarheid, als Ez. 3:20. Zie de aant. Of den rechtvaardige in vergelijking met den goddeloze, die onrechtvaardiger is. Die minder goddeloos is, wordt gerechtvaardigd van dengene die goddelozer is, dat is, rechtvaardiger geacht ten aanzien van hem. Zie Ez. 16:51, 52. Zo men het woord rechtvaardig verstaan wil van den waren vrome, zo wordt hij met den goddeloze gestraft, omdat hij bij denzelven blijft, hoewel de vrome niet vergaat gelijk de goddeloze. Vgl. Openb. 18:4. verwijsteksten
 
4 Omdat Ik dan van u uitroeien zal den rechtvaardige en den goddeloze, daarom zal Mijn zwaard uit zijn schede uitgaan 8tegen alle vlees, van het zuiden tot het noorden.
8 Zie Ez. 20 op vss. 47, 48. verwijsteksten
 
5 En alle vlees zal weten dat Ik, de HEERE, Mijn zwaard uit zijn schede getrokken heb; het zal 9niet meer wederkeren.
9 Dat is, niet weder in de schede gestoken worden; dat is, niet ophouden te verderven, voordat het Mijn volle wraak zal uitgevoerd hebben.
 
6 Maar gij, mensenkind, 10zucht; zucht voor 11hun ogen met 12verbreking der lendenen en 13met bitterheid.
10 Te weten om af te beelden het gekerm en gehuil, dat de Joden zouden maken als zij de tijding krijgen zouden van de aankomst der Chaldeeën.
11 Te weten van het volk bij hetwelk gij woont. Want de daad van den profeet moest de gemeente een zeker voorteken zijn van de straffen die over de Joden in Judea en Chaldea komen zouden.
12 Dat is, met zulke zware ophaling van den adem uit de diepte van het lijf, en met zodanigen gang en wringing der leden, alsof hem de lendenen verbroken waren.
13 Dat is, met zeer innerlijke smartende droefheid. Vgl. 2 Kon. 4 op vers 27. verwijsteksten
 
7 En het zal geschieden als zij tot u zeggen zullen: Waarom zucht gij? dat gij zeggen zult: Om het 14gerucht, want het komt; en alle hart 15zal aversmelten, en alle handen 16zullen bverslappen, en alle 17geest zal 18cinkrimpen, en alle dknieën als water 19heenvlieten; zie, het 20komt en het zal geschieden, spreekt de Heere HEERE.
14 Dat is, de zekere tijding van de komst der Chaldeeën, om u te verderven.
15 Te weten door vrees. Zie Deut. 1 op vers 28. Joz. 2 op vers 11. verwijsteksten
a Jer. 49:23. verwijsteksten
16 Door verbaasdheid en ontsteltenis. Zie 2 Sam. 4 op vers 1. verwijsteksten
b Jer. 6:24. Ez. 7:17. verwijsteksten
17 Dat is, moed en courage. Zie Spr. 15 op vers 13. verwijsteksten
18 Dat is, door het gevoelen zijner ellenden benauwd, geperst en geprangd zijn. Het tegendeel is als het hart zich wijd uitbreidt, Ps. 119:32. verwijsteksten
c Ez. 4:17. verwijsteksten
d Ez. 7:17. verwijsteksten
19 Hebr. heengaan, dat is, hun kracht verliezen. Zie Ez. 7 op vers 17. verwijsteksten
20 Te weten het gerucht, even tevoren vermeld.
 
8 Wederom geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
9 Mensenkind, profeteer en zeg: Alzo zegt de HEERE: Zeg: 21Het zwaard, 22het zwaard is 23gescherpt, en ook 24gevaagd.
21 Versta door het zwaard de plaag van den oorlog. Zie Lev. 26 op vers 6. verwijsteksten
22 Het woord is verdubbeld, om de grootheid en zekerheid der zaak die verhaald wordt, mitsgaders de beweging desgenen die het verhaal doet, uit te drukken, alsook om degenen dien het verhaal aangaat, tot hartelijke beweging te verwekken. Vgl. vers 28. 2 Kon. 4:19. Jes. 26:5. Jer. 4:19. verwijsteksten
23 Te weten om u te straffen en te verderven.
24 Dat is, schoon, net en sierlijk gemaakt.
 
10 Het is gescherpt, opdat het 25een slachting slachte; het is gevaagd, opdat het 26een glinster hebbe; 27of wij dan zullen vrolijk zijn? 28Het is 29de roede 30Mijns zoons, 31die 32alle hout 33versmaadt.
25 Versta hierdoor de doding en vermoording der Joden door het zwaard en de wapenen der Chaldeeën. Het Hebreeuwse woord is ook zo genomen Ps. 37:14. Jes. 34:6. Jer. 25:34. Anders betekent het de slachting der beesten ter spijze en voeding des mensen, Gen. 43:16. Spr. 9:2. Zie de aantt. verwijsteksten
26 Dat is, bekwaam zij om te verschrikken en te vermoorden. Vgl. Deut. 32:41. Job 20:25 en de aantt. verwijsteksten
27 Sommigen nemen dit voor de woorden van den profeet tot de Joden, met dewelke hij reden geeft waarom men moest zuchten, gelijk hem belast was, vers 6; namelijk omdat er geen oorzaak was van blijdschap, maar wel van zwaar zuchten. Hebr. of wij zullen vrolijk zijn. verwijsteksten
28 Te weten het voorgemelde zwaard. Dit zijn de woorden Gods tot den profeet.
29 Dat is, de gesel of straf. Zie Job 9 op vers 34. verwijsteksten
30 Dat is, waarmede Ik Mijn zoon kastijd, te weten Mijn volk Israël, hetwelk zo genaamd wordt ten aanzien van het verbond der genade. Zie Ex. 4:22 en de aant. Of versta den natuurlijken en eeuwigen Zone Gods, door Denwelken de Vader Zijn oordelen uitvoert, Ps. 2:7, 8, 9, 12. verwijsteksten
31 Te weten roede.
32 Sommigen: alle geboomte, dat is, alle mensen die in Juda overig waren, hogen en lagen, vorsten en de gemeente. Zie vers 12. verwijsteksten
33 Dat is, zo sterk en taai is, dat zij tegen geen hout, hoe hard het ook zij, met slaan wordt gebroken. Anders: de stam Mijns zoons versmaadt alle hout, dat is, Mijn volk vraagt naar geen Vaderlijke kastijding, daarom zal Ik met het zwaard straffen.
 
11 En 34Hij heeft 35hetzelve te vagen gegeven, opdat men het met de hand handelen zou; het zwaard is gescherpt en het is gevaagd, om hetzelve in de hand 36des doodslagers te geven.
34 Namelijk God.
35 Te weten zwaard.
36 Dat is, van den koning van Babel en van zijn heirleger.
 
12 Schreeuw en huil, o mensenkind, want 37hetzelve zal zijn 38tegen Mijn volk, het zal zijn tegen al de vorsten van Israël; e39verschrikkingen zullen vanwege het zwaard bij Mijn volk zijn; daarom, 40fklop op de heup.
37 Te weten dat gescherpte en gevaagde zwaard.
38 Te weten om dat te verdelgen en uit te roeien.
e Ez. 7:27. verwijsteksten
39 Anders: zij, te weten de voorgemelde vorsten, zullen in het zwaard nedergestoten worden met Mijn volk, dat is, zullen in het zwaard vallen en door oorlog omkomen.
40 Te weten tot een teken van grote droefheid. Zie Jer. 31:19. verwijsteksten
f Ez. 6:11. verwijsteksten
 
13 Als er 41beproeving gwas, 42wat was het toen? 43Zou er dan 44ook geen 45versmadende roede 46zijn? spreekt de Heere HEERE.
41 Te weten waardoor Ik Mijn volk hiertevoren beproefd heb door de Chaldeeën en andere vijanden, die hen zeer geplaagd hebben, 2 Kon. 23:33; 24:1, enz. 2 Kron. 36:3, enz. Anders: Indien het een beproeving ware, wat zou het zijn? Zou hij evenwel niet een versmadende stam zijn? verwijsteksten
g Jes. 1:5. Jer. 6:28, enz. verwijsteksten
42 Dat is, wat heeft het geholpen, te weten tot verbetering Mijns volks? Hij wil zeggen: Niet met al.
43 Anders: Zou het dan (te weten Mijn volk) ook onder de versmadende roede niet zijn?
44 Te weten, naardien het volk zich langs zo erger aanstelt.
45 Zie op vers 10. verwijsteksten
46 Door dewelke zij naar behoren gestraft worden.
 
14 Daarom, gij mensenkind, profeteer, en 47sla hand tegen hand; want het zwaard zal verdubbeld worden 48ten derden male, het is het zwaard 49dergenen die verslagen zullen worden; het is het zwaard der 50groten die verslagen zullen worden, dat 51tot hen in de binnenste kamers indringen zal.
47 Dat is, sla de handen tezamen, te weten tot een teken van ontsteltenis en droefheid over de moedwillige verkeerdheid der Joden en van hun schrikkelijken ondergang. Alzo Ez. 6:11. Zie de aant. Het kan ook zijn, dat den profeet dit handklappen bevolen wordt, om te betekenen hoe de Chaldeeën elkander ophitsen zouden om de Joden aan te vallen. Vgl. het volgende 17de vers. Ez. 22:13. verwijsteksten
48 Dat is, dikwijls gebruikt worden om de Joden te verderven. Of versta dit van drie grote slachtingen, die de Chaldeeën onder de Joden gedaan hebben. Zie van de eerste 2 Kon. 25:5, 6, 7. Jer. 52:8, 9, 10, 11, van de tweede 2 Kon. 25:8, 9, 10, enz. Jer. 52:12, 13, 14, enz., en van de derde, die na den dood van Gedalia onder de Joden die in Egypte gevlucht waren, van de Chaldeeën ook gedaan is, zie Jeremia 41; 42; 43; 44; 45; 46. verwijsteksten
49 Dat is, hetwelk vele mensen verslaan of ombrengen zal.
50 Dat is, waarmede niet alleen geringe en gemene lieden, maar ook heren en vorsten verslagen zullen worden. Zie van het woord groten, aldus genomen, 2 Kon. 5:1; 10:6, en de aantt. verwijsteksten
51 Dat is, tot degenen die zich in de verborgenste plaatsen versteken zullen om het zwaard te ontgaan. Vgl. 1 Kon. 20:30; 22:25. Hebr. dat tot hen in het binnenste inkameren zal, of is inkamerende. verwijsteksten
 
15 Ik heb de 52punt des zwaards gezet tegen al 53hun poorten, opdat het hart 54versmelte en 55de aanstoten vermenigvuldigen. 56Ach, h57het is toegemaakt 58opdat het glinstere, het 59is ingewonden om te slachten.
52 Of: scherpte, of: glans. Anderen vertalen het woord met schrik, slachting, of geroep. Het wordt maar hier gevonden.
53 Dat is, tegen hun steden, sterkten, dewelke eertijds bestonden in hun poorten. Zie Gen. 22 op vers 17. verwijsteksten
54 Dat is, door angst en vrees verga en alle kracht verlieze. Alzo Joz. 2:9, 24. Job 30:22. verwijsteksten
55 Dat is, gelegenheden van vallen, waarin zij zich storten en verderven zullen, zoekende wel de gevaren te ontkomen, en hun leven te behouden; maar zouden zich van het ene ongeluk in het andere vinden. Vgl. Ez. 7:19. verwijsteksten
56 Dit zijn de woorden van den profeet, beklagende de ellende zijns volks.
h vers 28. verwijsteksten
57 Te weten het zwaard.
58 Hebr. ter glinstering, dat is, opdat het bekwaam zij om de moedwillige Joden te verschrikken en te verderven. Vgl. vss. 10, 28. verwijsteksten
59 Dat is, weggelegd om hetzelve ter slachting gereed te hebben. Anders: gescherpt.
 
16 60Houd u bijeen, o zwaard, keer u rechtsom, schik u, keer u linksom, 61waarheen uw aangezicht gesteld is.
60 Hebr. Houd u bijeen, ga ter rechterhand, schik u, ga ter linkerhand. Zie van deze manier van spreken Ps. 45 op vers 5. De Heere spreekt hier het zwaard toe, alsof het de krijgsman ware, die het gebruiken moest. Zie Job 14 op vers 7. Hij beveelt het dat het zich voege en tezamen verenige met de andere zwaarden of krijgslieden zijner bende, om met één moed en kracht den vijand op het lijf te vallen, hetzij ter rechter- of ter linkerhand. verwijsteksten
61 Dat is, tot welk deel of oord van Judea het zou mogen wezen dat gij gelast zijt, om daar moorderij en verwoesting aan te richten. Spaar niets en niemand.
 
17 En Ik Zelf zal ook Mijn hand tegen Mijn hand 62slaan, en 63Mijn grimmigheid doen rusten; Ik, de HEERE, heb het gesproken.
62 Te weten om den Chaldeeën moed te geven, hen aan te hitsen en op te jagen tot het verderven en uitroeien der Joodse natie. Zie de aant. op vers 14. Versta dat dit zo blijken zou door de uitkomst der zaak, dat het doen der Chaldeeën met Gods rechtvaardigen wil overeenkwam. verwijsteksten
63 Dat is, Mijn moed aan u koelen en Mijn toorn aan u verzadigen. Vgl. Ez. 5 op vers 13. verwijsteksten
 
18 Wederom geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
19 Gij nu, mensenkind, 64stel u 65twee wegen voor waardoor het zwaard des konings van Babel komt; uit 66één land zullen zij beide voortkomen; en kies een 67zijde, kies ze 68aan het hoofd van den weg der stad.
64 Te weten door op een tafereel af te malen en uit te drukken, als Ez. 4:1, 2. verwijsteksten
65 Te weten beide voortkomende uit het land van Babylonië; waarvan de ene was ter rechterhand, om in Judea te komen, de andere ter linkerhand, om te komen in der Ammonieten land. Nebukadnezar nu beraadde zich welk land hij in dezen tocht eerst aantasten zou, hetwelk hier met deze twee wegen betekend wordt.
66 Te weten Babylonië. Of: uit het land van één, dat is, van den koning van Babel.
67 Hebr. hand. Zie Spr. 8:3 en de aant. Versta vanwaar de koning van Babel in het Joodse land invallen zou. verwijsteksten
68 Dat is, aan het begin van den tweesprong, te weten aan den weg die naar de stad van Jeruzalem loopt. Het is een profetie dat Nebukadnezar eerst het Joodse land zou zien aan zich te brengen, om daarna de Ammonieten te overweldigen.
 
20 Gij zult een weg voorstellen waardoor het zwaard inkomen zal tegen 69Rabba der kinderen Ammons, of tegen Juda, tot de vaste stad Jeruzalem.
69 Zie 2 Sam. 11 op vers 1. verwijsteksten
 
21 Want de koning van Babel 70zal aan de 71wegscheiding 72staan, aan 73het hoofd van de twee wegen, om 74waarzegging te gebruiken; hij zal zijn pijlen 75slijpen, hij zal den 76terafim 77vragen, hij zal de 78lever bezien.
70 Te weten als hij met een heirleger uit zijn land zuidwaarts optrekken zal, om een krijgstocht te doen. In het Hebreeuws wordt de verleden tijd gebruikt: heeft gestaan, om te tonen de zekerheid van dit verhaal, alsof het alrede geschied ware.
71 Hebr. moeder van den weg. Versta een tweesprong, of tweeweg, die in twee wegen gedeeld wordt. De wegscheiding is een moeder der wegen genaamd, omdat daaruit andere wegen voortkomen, gelijk uit een moeder kinderen.
72 Te weten gelijk een die twijfelt welken weg hij ingaan zal, namelijk die ter rechterhand leidt, of die leidt ter linkerhand.
73 Dat is, het begin, den ingang. Zie Ez. 16:25 en de aant. verwijsteksten
74 Hebr. waarzegging te waarzeggen, dat is, waarzegging te gebruiken, of met waarzegging om te gaan. Zie van het woord waarzegging Spr. 16 op vers 10. De zin is, dat hij de kunst zijner afgodische waarzegging zou in het werk stellen, om te zien welken weg hij ingaan zou. verwijsteksten
75 Te weten teneinde dat zij hem, als hij die naar zijn bijgelovige manier gebruikt zou hebben, te verstaan mochten geven welken weg hij kiezen zou. Anderen vertalen het woord pijlen met messen, dewelke gevaagd en gereinigd werden, als men vele offeranden daarmede gedaan had, uit dewelke de heidenen hun waarzeggingen maakten.
76 Zie Gen. 31 op vers 19. verwijsteksten
77 Te weten om raad.
78 Te weten van hun geslachte beesten. Uit de gestaltenis nu der lever oordeelden zij naar hun afgodisch bijgeloof, wat hun te doen of te laten stond.
 
22 De waarzegging zal aan zijn rechterhand zijn 79op Jeruzalem, om 80hoofdmannen 81te stellen, om 82den mond te openen in het doodslaan, om 83de stem op te heffen met gejuich, om 84stormrammen te stellen tegen de poorten, om isterkten op te werpen, om bolwerken te bouwen.
79 Dat is, de waarzegging zal uitwijzen dat Nebukadnezar de rechterhand moest kiezen, om Jeruzalem eerst te belegeren.
80 Het Hebreeuwse woord is alzo genomen 2 Kon. 11:4. Maar in het volgende van dit vers betekent het stormrammen, gelijk ook Ez. 4:2. verwijsteksten
81 Dat is, de belegering tegen Jeruzalem aan te grijpen en te ordineren.
82 Dat is, met groot geroep de krijgslieden tot het vermoorden en verderven der Joden aan te drijven, of: tot opening van enig gat in den muur, waardoor zij mochten inbreken. Het volgende woord gejuich kan ook overgezet worden met een gebroken geklank.
83 Dat is, met een vreselijk veldgeschrei de vijanden te verwarren en de stad aan te vallen.
84 Zie Ez. 4 op vers 2. verwijsteksten
i Ez. 4:2; 17:17. verwijsteksten
 
23 85Dit zal 86hun 87in hun ogen als een 88ijdel waarzeggen zijn, omdat zij met eden beëdigd zijn 89onder hen; maar 90hij zal der 91ongerechtigheid gedenken, 92opdat zij 93gegrepen worden.
85 Dat is, deze uw profetie.
86 Te weten den Joden.
87 Dat is, in hun oordeel. Zie Job 18 op vers 3. verwijsteksten
88 Hebr. een waarzeggen der ijdelheid of leugen. Vgl. vers 29. verwijsteksten
89 Namelijk de Joden met de Egyptenaars, of ook andere omliggende volken, die den Joden met den eed beloofd hadden, dat zij dezelve tegen de Chaldeeën beschermen zouden. Sommigen verstaan het van den eed met denwelken zij aan den koning van Babel verplicht waren; uit het volgende.
90 Namelijk de koning van Babel.
91 Versta de ontrouw en meinedigheid, die de koning Zedekia in het breken van het verbond, gemaakt met Nebukadnezar, bewezen had.
92 Namelijk de Joden in Jeruzalem wonende en daaronder ressorterende.
93 Of: gevangen, of ingenomen worden, dat is, door wapenen overwonnen, overweldigd en gevankelijk weggevoerd worden.
 
24 Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Omdat gijlieden uwer ongerechtigheid 94doet gedenken, doordien uw overtredingen ontdekt worden, zodat uw zonden gezien worden in al uw handelingen; omdat uwer gedacht wordt, zult gij met de 95hand gegrepen worden.
94 Te weten Mij en den koning van Babylonië doet gij ze gedenken, door in uw meinedigheid moedwilliglijk en openbaarlijk voort te gaan, en daarin u te versterken door nieuwe verbonden, die gij met andere volken tegen den koning van Babel hebt opgericht.
95 Te weten van Nebukadnezar, dat is, door zijn machtig heirleger.
 
25 En gij, 96o onheilig, 97goddeloos vorst van Israël, wiens 98dag komen zal ten 99tijde der uiterste ongerechtigheid;
96 Hij meent Zedekia, den koning van Juda.
97 Te weten door afgoderij tegen God, meinedigheid tegen den koning Nebukadnezar, wreedheid tegen zijn onderzaten, enz.
98 Te weten van uw straf en ondergang. Zie Job 18:20 en de aant. Ps. 37 op vers 13. Insgelijks onder, vers 29. verwijsteksten
99 Dat is, als de ongerechtigheid op het hoogste gekomen en vol zal zijn, Gen. 15:16. Hebr. ten tijde der ongerechtigheid van het einde, of van het uiterste, dat is, de uiterste of eindelijke ongerechtigheid; of men kan met sommigen door ongerechtigheid verstaan (als elders) de straf der ongerechtigheid en van het einde, dat is, die een einde met hen zal maken, of die het met hen zal uitmaken. Alzo vers 29. Ez. 35:5. verwijsteksten
 
26 Alzo zegt de Heere HEERE: Doe dien hoed 100weg en hef die kroon af, deze zal 1dezelve niet wezen; Ik zal verhogen dien die 2nederig is, en vernederen dien 3die hoog is.
100 Te weten van uw hoofd. Zie van dezen hoed Ex. 28 op vers 4. verwijsteksten
1 Dat is, uw kroon niet meer wezen, dat is, gij zult niet meer koning zijn.
2 Versta den koning Jojachin, die in de Babylonische gevangenis was, van wiens verhoging zie 2 Kon. 25:27, enz. verwijsteksten
3 Dat is, Zedekia, die nu wel koning was, maar spoedig zou gevangen, verblind en weggevoerd worden. Zie 2 Kon. 25:6, 7. verwijsteksten
 
27 Ik zal 4die kroon 5omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen; ja, 6zij zal niet zijn, totdat Hij kome Die 7daartoe recht heeft, en Dien Ik 8dat geven zal.
4 Te weten die kroon van dewelke in het voorgaande vers gemeld is.
5 Dat is, gans uitroeien, omwerpen en verderven. Hetzelve wordt driemaal herhaald, om de zekerheid van het verhaal en den ijver van den profeet aan te wijzen, alsook om dengene dien het aanging, sterkelijk te bewegen. Vgl. Jer. 7:4; 22:29. Het Hebreeuwse woord is zo genomen Jes. 24:1. verwijsteksten
6 Dat is, daar zal geen koning zijn uit den stam van Juda.
7 Te weten om de kroon te hebben. Deze is onze Heere Jezus Christus, Die de ware Zoon en Opvolger is van David.
8 Te weten recht.
 
Het zwaard tegen Ammon
28 En gij, mensenkind, profeteer en zeg: Alzo zegt de Heere HEERE, van de kinderen Ammons en van hun 9smading; zo zeg: Het zwaard, 10het zwaard is 11uitgetrokken, het is ter 12slachting gevaagd 13om te verdoen, 14om te glinsteren;
9 Te weten die zij Mijn volk aangedaan hebben; van dewelke zie Ez. 25:6. Zef. 2:8. verwijsteksten
10 Van gelijke verdubbeling van dit woord zie op vers 9. verwijsteksten
11 Hebr. geopend. Zie Ps. 37 op vers 14. verwijsteksten
12 Te weten van u, o Ammonieten, die mede van den koning Nebukadnezar afgevallen zijt en het verderf niet zult ontgaan, ofschoon Jeruzalem voorgaat.
13 Anders: om te vatten of te houden.
14 Anders: om de glinstering, dat is, omdat het zo toebereid is tot glinsterens toe, dat het met de slachting ook grote verschrikking zal aanrichten. Vgl. op vers 10. verwijsteksten
 
29 Terwijl 15zij 16u 17ijdelheid zien, terwijl zij u leugen voorzeggen, om u op 18de halzen te stellen dergenen 19die van de goddelozen verslagen zijn, 20welker 21dag gekomen was ten tijde der uiterste ongerechtigheid.
15 Versta de valse profeten der Ammonieten.
16 Hij spreekt het Ammonitische volk toe.
17 Dat is, valsheid profeteren, te weten van vrede. Want terwijl zij u alzo pluimstrijken, zullen u de Chaldeeën overvallen.
18 Dat is, om vreugde te verwekken over de Joden, die van de Chaldeeën verdrukt zijn, even alsof zij dezelfde verdrukking niet hadden te verwachten.
19 Hebr. der verslagenen der goddelozen. Versta de Joden die van de Chaldeeën vermoord waren.
20 Te weten verslagenen.
21 Zie op vers 25. verwijsteksten
 
30 22Keer uw zwaard weder in zijn schede; in de plaats 23waar gij geschapen zijt, in het land uwer 24woningen zal Ik u 25richten.
22 Dat is, wedersta de Chaldeeën niet. Want het zal u niet helpen. Anders: Zou Ik het zwaard weder in zijn schede keren? Hij wil zeggen: Neen; maar in de plaats, enz.
23 Dat is, in uw vaderland, waarin gij geboren zijt.
24 Anders: uwer handelingen.
25 Dat is, straffen door het zwaard der Chaldeeën. Zie Gen. 15 op vers 14. verwijsteksten
 
31 En Ik zal over u Mijn gramschap uitgieten, Ik zal tegen u door het 26vuur Mijner verbolgenheid blazen; en Ik zal u overgeven in de hand van 27brandende mensen, 28smeders des verderfs.
26 Vgl. Ez. 20:47 en de aantt. verwijsteksten
27 Te weten van toorn en vijandschap. Anders: onvernuftige mensen.
28 Dat is, die meesters en kunstenaars zijn om verderving aan te richten.
 
32 Het vuur zult gij 29tot spijze zijn, uw 30bloed zal zijn in het midden des lands; uwer zal 31niet gedacht worden, want Ik, de HEERE, heb het gesproken.
29 Hebr. om te eten, dat is, om u te eten. Gelijk het vuur het hout verslindt, alzo zullen de vijanden u verslinden.
30 Te weten wredelijk overal van de vijanden vergoten.
31 Te weten van de mensen. Zo gans zult gij uitgeroeid worden. Vgl. Ez. 25:10. verwijsteksten

Einde Ezechiël 21